ECLI:NL:RBOVE:2026:5485 Rechtbank Overijssel , 08-09-2026 / C/08/349633 / KG ZA 26-168
Samenvatting
Rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo), vonnis 8 september 2026 (zaaknr. C/08/349633 / KG ZA 26-168), mr. M.M. Verhoeven.
Partijen
- Eisers in conventie: [partij A] (gezamenlijk eigenaren [adres]; procesvertegenwoordiging: mr. F. Kolkman). In de stukken aangeduid als [partij A] (concreet: [partij A1] en [partij A2]).
- Gedaagde/eiser in reconventie: [partij B] (aannemer, gevestigd te [vestigingsplaats]; procesvertegenwoordiging: mr. E. Nijhoff).
Feiten in het kort
- Partijen sloten eind 2024 een aannemingsovereenkomst voor herbouw van een woonboerderij (aanneemsom € 1.330.000,– incl. btw) en een aparte overeenkomst voor een poolhouse (€ 167.744,54 incl. afrekening meer-/minderwerk). De poolhouse-oplevering vond plaats 18 juli 2025; die aanneemsom is door [partij A] voldaan. De woonboerderij is nog niet opgeleverd.
- [partij B] factureerde op 8 dec. 2025 een termijnbetaling van € 181.500,– (woonboerderij); betaling door [partij A] op 2 jan. 2026.
- [partij A] legde het werk stil op 1 februari 2026 wegens vermeende tekortkomingen. Verschillende deskundigen (onder meer BSK/Bouwadvies, hoofdconstructeur kNm, De Bouwexpert) stelden gebreken vast (o.a. muren uit het lood, beschadigde aansluitingen, kromgetrokken schuifdeuren en lekkage in poolhouse, scheurvorming in prefab-lateien, onjuiste afwerking breedplaatvloeren, niet volledig opgesloten lateien).
Procesverloop en vorderingen
- [partij A] vorderde in kort geding gedetailleerde nakoming (concrete termijnen en werkzaamheden, herstel van poolhouse, vervanging kozijnen, enz.) met dwangsommen en teruggave/terugbetaling van € 181.500,– (petitum € 189.028,79 inclusief rente en kosten).
- [partij B] vorderde in reconventie dat [partij A] kNm opdracht geeft tot beantwoording vragen en integrale beoordeling en dat [partij A] toegang verleent zodat [partij B] kan hervatten; eveneens dwangsommen en proceskosten.
- [partij B] diende haar conclusie inclusief producties te laat in (24 uur vóór zitting) — de voorzieningenrechter weigerde nadere indiening van die te late producties (34 stuks) wegens strijd met artikel 6.2 Landelijk procesreglement kort gedingen en goede procesorde.
Beoordeling en motivering
- De voorzieningenrechter neemt aan dat partijen een spoedeisend belang hebben bij voortzetting/herstel; zowel [partij A] als [partij B] zijn ontvankelijk.
- Uit de overgelegde deskundigenrapporten volgt voorshands dat werkzaamheden niet voldeden aan eisen van goed en deugdelijk werk (concrete aantoonbare gebreken zoals hierboven genoemd).
- Desondanks is toewijzing in kort geding niet mogelijk: er bestaan tegenstrijdige en op elkaar inhakende deskundigenadviezen, onduidelijkheid over welke partij welke informatie moet verstrekken, discussie over welke overeenkomst (2 okt. 2024 of nadere overeenkomst 12 nov. 2024) leidend is en of de termijnbetaling opeisbaar was. Voor beantwoording zijn nadere feitenonderzoek en bewijslevering (bijv. horen getuigen, integrale herbeoordeling door hoofdconstructeur) vereist; een kort geding leent zich daar niet voor (artikel 256 Rv).
- Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat [partij A] niet volledig heeft voldaan aan substantiëringsplicht: relevante e-mails van [partij B] (5 maart en 11 juni 2026) ontbraken bij dagvaarding (schending artikel 21 Rv). Ook kon de overeenkomst van 12 november 2024 niet tijdig worden beoordeeld.
- Conclusie: zowel de vordering in conventie als die in reconventie zijn ontoereikend voor een voorlopige voorziening.
Uitspraak
- De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [partij A] in conventie af (6.1) en de vorderingen van [partij B] in reconventie af (6.2).
- Iedere partij draagt eigen proceskosten (6.3).
- Aanbeveling van de rechter: partijen worden aanbevolen een onafhankelijke derde in te schakelen om overleg te bevorderen; waarschuwing dat voortgaande verwijten geen oplossing bieden en dat [partij B] mogelijk grote schadeclaims tegemoet kan zien op grond van deskundigenbevindingen.
- Vonnis gewezen en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026, mr. M.M. Verhoeven.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de herbouw van de woonboerderij en de bouw van een bijbehorend poolhouse. De aanneemsom voor de woonboerderij dient in termijnen te worden betaald. Het poolhouse is in juli 2025 opgeleverd en partij A hebben de volledige aanneemsom hiervoor voldaan. De woonboerderij is nog niet opgeleverd. Partij A hebben in februari 2026 het werk stilgelegd, omdat partij B de werkzaamheden niet conform de aannemingsovereenkomst zou hebben uitgevoerd. Partijen hebben meerdere deskundigen ingeschakeld die over de uitgevoerde werkzaamheden rapport hebben uitgebracht. Beide partijen wensen de (herstel)werkzaamheden voort te (laten) zetten, maar zij wijzen over en weer naar elkaar voor het zetten van de eerste stap. Daarnaast twisten zij over de vraag of partij A een termijnbetaling onverschuldigd heeft gedaan. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit hetgeen aan deskundigenrapporten door partijen is overgelegd, blijkt dat de werkzaamheden niet conform de eisen van goed en deugdelijk werk zijn uitgevoerd. Duidelijk is dat de tussen partijen ontstane impasse moet worden doorbroken. De wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven, leent zich in deze kortgedingprocedure echter niet voor beoordeling, omdat daarvoor nader onderzoek naar de feiten en de rechtsverhouding tussen partijen vereist is. Dat geldt ook voor de termijnbetaling die onverschuldigd zou zijn gedaan. De voorzieningenrechter zal de vordering in conventie en de vordering in reconventie daarom afwijzen.
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/349633 / KG ZA 26-168
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
1 [partij A1] ,
wonende te [woonplaats 1] , 2. **[partij A2] **, wonende te [woonplaats 2] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [partij A] , advocaat: mr. F. Kolkman,
tegen
1 De zaak in het kort
1.1. [partij A] en [partij B] hebben een overeenkomst gesloten voor de herbouw van de woonboerderij en de bouw van een bijbehorend poolhouse. De aanneemsom voor de woonboerderij dient in termijnen te worden betaald. Het poolhouse is in juli 2025 opgeleverd en [partij A] hebben de volledige aanneemsom hiervoor voldaan. De woonboerderij is nog niet opgeleverd. [partij A] hebben in februari 2026 het werk stilgelegd, omdat [partij B] de werkzaamheden niet conform de aannemingsovereenkomst zou hebben uitgevoerd. Partijen hebben meerdere deskundigen ingeschakeld die over de uitgevoerde werkzaamheden rapport hebben uitgebracht. Beide partijen wensen de (herstel)werkzaamheden voort te (laten) zetten, maar zij wijzen over en weer naar elkaar voor het zetten van de eerste stap. Daarnaast twisten zij over de vraag of [partij A] een termijnbetaling onverschuldigd heeft gedaan.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit hetgeen aan deskundigenrapporten door partijen is overgelegd, blijkt dat de werkzaamheden niet conform de eisen van goed en deugdelijk werk zijn uitgevoerd. Duidelijk is dat de tussen partijen ontstane impasse moet worden doorbroken. De wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven, leent zich in deze kortgedingprocedure echter niet voor beoordeling, omdat daarvoor nader onderzoek naar de feiten en de rechtsverhouding tussen partijen vereist is. Dat geldt ook voor de termijnbetaling die onverschuldigd zou zijn gedaan. De voorzieningenrechter zal de vordering in conventie en de vordering in reconventie daarom afwijzen.
2 De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2026 met producties 1 – 30;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [partij A] van 20 augustus 2026, waarmee zij de producties 31 – 34 in het geding brengen;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van 24 augustus 2026 zonder producties;
- het bericht van mr. E. Nijhoff aan de rechtbank van 24 augustus 2026, waarin staat dat mr. Nijhoff zich namens [partij B] in deze procedure stelt;
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen en zijn bijgestaan door hun advocaat. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
2.2. [partij B] heeft de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie op 24 augustus 2026 exact 24 uur voor de mondelinge behandeling zonder producties in deze procedure gebracht. Op grond van artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken dient een partij ervoor zorg te dragen dat de eis in reconventie inclusief eventuele producties waar uitdrukkelijk naar moet worden verwezen, uiterlijk 24 uur (één werkdag) voor de mondelinge behandeling door de voorzieningenrechter en de wederpartij zijn ontvangen. [partij B] heeft deze termijn niet in acht genomen. Gelet op de omvang van deze producties (34 producties in totaal) en het feit dat deze te laat zijn ingediend, heeft de voorzieningenrechter nadere indiening hiervan geweigerd wegens strijd met de goede procesorde.
2.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
3.1. [partij B] drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de aanneming en uitvoering van bouwwerken.
3.2. [partij A] zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel aan de [adres] .
3.3. In 2023 waren [partij A] voornemens om de bestaande woonboerderij op hun perceel te laten renoveren door [partij B] . Op 5 september 2023 is de woonboerderij van [partij A] vrijwel volledig afgebrand en is deze vervolgens gesloopt, met inbegrip van de fundering.
3.4. Voor de herbouw van de woonboerderij hebben partijen eind 2024 een overeenkomst gesloten, tegen een vaste aanneemsom van € 1.330.000,00 inclusief btw met een aantal stelposten. De aanneemsom dient in termijnen te worden voldaan. Partijen hebben een aparte overeenkomst gesloten voor de bouw van een bijbehorend poolhouse en zijn daarbij een aanneemsom van € 167.744,54 inclusief afrekening meer- en minderwerk overeengekomen.
3.5. Bij de herbouw van de woonboerderij en de bouw van het bijbehorende poolhouse zijn meerdere partijen betrokken, waaronder Designa Interieur & Architectuur als architect, kNm Ingenieurs (verder: kNm) als hoofdconstructeur en Movares (voorheen: B&Z Bouwtechniek) als deelconstructeur van de prefab kapconstructie.
3.6.
[partij B] is vervolgens gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoering heeft [partij B] via de e-mail contact gehad met onder meer de hoofdconstructeur, kNm, en de architect, Designa.
3.7. Het poolhouse is op 18 juli 2025 opgeleverd, onder voorbehoud van herstel van een aantal gebreken. [partij A] hebben de volledige aanneemsom voldaan.
3.8. [partij B] heeft op 8 december 2025 aan [partij A] een factuur ter hoogte van € 181.500,00 inclusief btw gestuurd. Dit betreft een termijnbetaling van de aanneemsom voor de woonboerderij. [partij A] hebben dit bedrag op 2 januari 2026 aan [partij B] betaald.
3.9. Op enig moment is tussen partijen discussie ontstaan over de door [partij B] uitgevoerde werkzaamheden.
3.10. In opdracht van [partij A] heeft [naam 1] van BSK Bouwadvies (verder: BSK) op 13 januari 2026 een inspectie uitgevoerd aan het poolhouse en hierover een inspectierapport uitgebracht (verder: het inspectierapport poolhouse van BSK).
3.11. [partij A] hebben op 1 februari 2026 het werk (tijdelijk) stilgelegd.
3.12. Op 12 februari 2026 heeft BSK een inspectie uitgevoerd aan de woonboerderij, waarnaar BSK een inspectierapport heeft uitgebracht (verder: het inspectierapport woonboerderij van BSK).
3.13. De hoofdconstructeur van het werk, kNm, heeft op 13 februari 2026 aan de woonboerderij en het poolhouse een inspectie uitgevoerd. De bevindingen zijn bij brief van 18 februari 2026 met [partij A] gedeeld (verder: de bevindingen van kNm).
3.14. [partij A] hebben op 27 februari 2026 aan [partij B] een brief gestuurd, waarin zij [partij B] sommeren haar aansprakelijkheid voor de geconstateerde gebreken te erkennen en de gebreken binnen vier weken te herstellen, zulks onder toezicht van BSK.
3.15.
[partij B] heeft als reactie op deze brief een contra-expertise laten uitvoeren door ingenieur [naam 2], verbonden aan de Bouwexpert (verder: [naam 2]). De inspectie door [naam 2] heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden, waarna hij op 24 april 2026 rapport heeft uitgebracht (verder: het rapport van [naam 2]).
3.16. Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over het uitvoeren van herstelwerkzaamheden.
3.17. [partij A] hebben op 19 mei 2026 aan [partij B] een e-mail gestuurd, waarin onder meer staat dat zij [partij B] verzoeken tot terugbetaling van € 181.500,00 inclusief btw.
3.18. Op 28 mei 2026 heeft tussen [partij A] en [partij B] een overleg plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit overleg hebben partijen nogmaals gecorrespondeerd, zonder resultaat.
3.19. [partij A] hebben in de periode hierna contact gehad met onder meer de hoofdconstructeur, kNm, de deelconstructeur van de prefab kapconstructie, Movares (voorheen: B&Z Bouwtechniek) en een onafhankelijke constructeur, [bedrijf 1], over de uitvoering van de werkzaamheden door [partij B] . In opdracht van [partij A] heeft [naam 3] namens [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2]) op 29 juni 2026 een inspectie op locatie uitgevoerd en op 6 juli 2026 een voorlopig rapport uitgebracht.
3.20. [partij B] heeft begin juni 2026 aan het poolhouse een aantal herstelwerkzaamheden uitgevoerd. [partij B] heeft geen verdere werkzaamheden uitgevoerd aan de woonboerderij. Ook is het bedrag van € 181.500,00 inclusief btw niet aan [partij A] (terug)betaald.
4 Het geschil
in conventie
4.1. [partij A] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B] veroordeelt tot nakoming van aanneemovereenkomst door: a. binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle informatie die de detailconstructeur nodig zegt te hebben aan te reiken aan de detailconstructeur van het dak; b. de detailconstructeur binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op te dragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 31 augustus 2026, een nieuwe constructieberekening van het dak te maken; c. binnen 24 uur na ontvangst van deze nieuwe constructieberekening deze ter goedkeuring voor te leggen aan de hoofdconstructeur kNm, dan wel een andere door [partij A] voor te dragen hoofdconstructeur; d. binnen 48 uur na ontvangst van de goedkeuring van de hoofdconstructeur een aanvang te nemen met de herstelwerkzaamheden aan de kapconstructie en de onderliggende draagconstructie en deze werkzaamheden binnen zes weken daarna volledig af te ronden conform de detaillering die aan die goedkeuring ten grondslag ligt, zulks ter beoordeling van BSK en onder toezicht van een door [partij A] aan te wijzen onafhankelijk constructeur in samenspraak met de detailconstructeur van het dak en de leverancier van de kapconstructie; e. binnen zes weken na betekening van dit vonnis de vloer van de loggia te verwijderen en een nieuwe vloer in de loggia aan te brengen conform de instructies van Designa, zoals weergegeven in productie 19 bij dagvaarding, naar de eisen van goed en deugdelijk vakwerk en ter beoordeling van BSK; f. binnen zes weken na betekening van dit vonnis alle kozijnen in het werk te vervangen door kozijnen die geschikt zijn voor triple glas en het triple glas binnen diezelfde termijn van zes weken te plaatsen in die kozijnen, naar de eisen van goed deugdelijk vakwerk en ter beoordeling van BSK; g. binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de wand van de mudroom te verwijderen en vervolgens binnen twee weken een nieuwe wand aan te brengen exact op de plaats en van het materiaal zoals omschreven op de tekeningen van Designa, naar de eisen van goed en deugdelijk vakwerk en ter beoordeling van BSK; h. binnen zes weken na betekening van dit vonnis alle gebreken aan het poolhouse te verhelpen zoals weergegeven in het rapport van BSK (productie 3 bij dagvaarding), waaronder in ieder geval: het vervangen van het toegepaste glas door glas dat voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk, het herstellen van de naden en lekkageplekken, het herstel van de opbouw van de houten wanden aan de achtergevel en het vervangen dan wel herstellen van de schuifpuien, alsmede het aanbrengen van de roedes en het uitvoeren van het nog resterende schilderwerk, zulks ter beoordeling van BSK;
dit alles naar de eisen van goed en deugdelijk vakwerk, zulks ter beoordeling van BSK en onder toezicht van een door [partij A] aan te wijzen onafhankelijk constructeur in samenspraak met de dak constructeur en dak leverancier;
zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere overtreding en voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [partij B] in strijd handelt met enig onderdeel van deze veroordeling;
II. [partij B] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij A] te voldoen de somma van € 189.028,79, bestaande uit € 181.500,00 aan hoofdsom, € 4.395,78 aan tot en met 8 juli 2026 verschenen rente en € 3.133,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 181.500 vanaf 9 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [partij B] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als [partij B] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft voldaan.
4.2. [partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
[partij B] vordert dat de voorzieningenrechter
I. [partij A] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis opdracht te geven aan kNm om de eerder door [partij B] gestelde vragen uit de e-mail van 5 maart 2026 te laten beantwoorden en de integrale beoordeling te verrichten zoals door [naam 2] is geadviseerd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [partij A] niet volledig aan deze veroordeling voldoen;
II. [partij A] veroordeelt tot het verschaffen van toegang aan [partij B] tot het werk, zodat zij haar werkzaamheden kan hervatten en de eventueel door kNm aan te geven extra werkzaamheden kan uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [partij A] geen medewerking verlenen aan de voortzetting en voltooiing van het werk door [partij B] ;
III. [partij A] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten).
4.4. [partij A] voeren verweer. [partij A] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
5 De beoordeling
**in conventie en in reconventie **
5.1. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie, zal de voorzieningenrechter deze gezamenlijk beoordelen.
5.2.
[partij A] vorderen in conventie, kort gezegd, nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk en (terug)betaling van € 181.500,00 die volgens hen onverschuldigd aan [partij B] is betaald. [partij A] stellen dat [partij B] tekort is geschoten in de nakoming van haar doorlopende verplichting om goed en deugdelijk werk te leveren (artikel 7:750 BW)
Ten aanzien van de vordering tot (terug)betaling van € 181.500,00 stellen [partij A] dat zij dit bedrag begin januari 2026 op nadrukkelijk aandringen van [partij B] hebben voldaan voor het wind- en waterdicht maken van de woonboerderij, terwijl die termijnbetaling op dat moment nog niet opeisbaar was. Nu de woonboerderij nog altijd niet volwaardig en permanent waterdicht is, is die betaling onverschuldigd gedaan in de zin van artikel 6:203 BW.
[partij A] stellen een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen te hebben. De gebreken aan de woning en het poolhouse zijn progressief van aard en zonder onmiddellijk ingrijpen bestaat de reële vrees dat de gebreken zodanige proporties aannemen dat deugdelijk herstel geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt, dan wel gepaard zal gaan met aanzienlijk hogere kosten dan bij tijdig herstel het geval zou zijn geweest. Het spoedeisend belang bij de vordering tot (terug)betaling van € 181.500,00 is volgens [partij A] gelegen in de omvang van dit bedrag, de financiële positie van [partij B] en het verlies van aan [partij A] toekomende garantierechten, vanwege het vervallen van de garantstelling van BouwGarant als rechtstreeks gevolg van de onverschuldigde betaling.
5.3. [partij B] voert zowel formeel als inhoudelijk verweer. Zij stelt dat de vorderingen in conventie onder I, sub a tot en met h, onvoldoende bepaald zijn in de zin van artikel 111 lid 2, onder d, Rv en dat [partij A] niet aan de substantiëringsplicht hebben voldaan, omdat de e-mails met vragen en voorstellen die [partij B] naar aanleiding van het onderzoek door [naam 2] aan de hoofdconstructeur heeft gestuurd bij dagvaarding ontbreken. Volgens [partij B] is de zaak bovendien niet geschikt om in kort geding te worden beslist, omdat sprake is van (1) uiteenlopende en op elkaar inhakende deskundigenoordelen waar eerst via een integrale herbeoordeling door de hoofdconstructeur duidelijkheid over moet worden gekregen, (2) een fundamenteel geschil over de vraag wie als eerste moet presteren en (3) een omvangrijk dossier met een aanzienlijk aantal aangedragen getuigen. Ook ontbreekt volgens [partij B] een spoedeisend belang, omdat uit de overgelegde deskundigenrapporten geen ernstige progressieve gebreken blijken, beroepen [partij A] zich op een vermeend verhaalsrisico en geen restitutierisico en komt de garantstelling van BouwGarant evenmin te vervallen.
[partij B] betwist dat zij de werkzaamheden niet conform de aannemingsovereenkomst zou hebben uitgevoerd en dat zij haar waarschuwings- en informatieplicht zou hebben geschonden. Inhoudelijk verweert [partij B] zich met de stelling dat zij het werk wenst voort te zetten, maar dat [partij A] dit frustreren en dat het haar niet duidelijk is of er aanvullende werkzaamheden nodig zijn. Voor voortzetting van de werkzaamheden is volgens [partij B] conform het rapport van [naam 2] een integrale (her)beoordeling door de hoofdconstructeur vereist. [partij B] wijst erop dat zij [partij A] bij e-mail van 5 maart 2026 en 11 juni 2026 heeft verzocht de daarvoor benodigde punten aan de hoofdconstructeur, kNm, ter controle voor te leggen, maar dat beide e-mails onbeantwoord zijn gebleven. Nadat [partij B] op 19 juni 2026 rechtstreeks contact heeft gezocht met de hoofdconstructeur, heeft de hoofdconstructeur gezegd afstand te hebben genomen wegens een onwerkbare situatie, maar wel bereid te zijn tot beantwoording van de vragen en het verrichten van een integrale beoordeling als zij opnieuw door [partij A] wordt ingeschakeld. In reconventie verzoekt [partij B] daarom dat [partij A] daartoe opdracht geeft.
Tot slot betwist [partij B] dat sprake is van onverschuldigde betaling. Volgens haar is het werk niet uitgevoerd op basis van de overeenkomst van 1 oktober 2024, maar op grond van de nadien gesloten overeenkomst van 12 november 2024. Die overeenkomst is op verzoek van [partij A] gesloten om een afbouwgarantie van BouwGarant te verkrijgen en deze bevat een ander termijnenschema voor de betalingen. Partijen zouden bovendien mondeling zijn overeengekomen de betreffende termijnbetaling te vervroegen, omdat het werk op een enkel punt na gereed was.
5.4. De voorzieningenrechter wijst de vordering in conventie van [partij A] en de vordering in reconventie van [partij B] af. Door wat partijen over en weer verklaren, staat onvoldoende vast om te kunnen beoordelen of de rechter in een bodemprocedure eveneens tot toewijzing zal beslissen. De voorzieningenrechter motiveert hierna hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.5. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is nodig dat de partij die om een voorlopige voorziening verzoekt, hierbij zoveel spoed heeft dat hij of zij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten. Dit geldt zowel voor een vordering in conventie als in reconventie.
5.6. Het is inmiddels acht maanden geleden sinds de uitvoering van de werkzaamheden is stilgelegd. Zowel [partij A] als [partij B] voeren aan belang te hebben bij een zo spoedig mogelijke hervatting van de werkzaamheden
5.7. De voorzieningenrechter constateert dat [partij A] de e-mails van [partij B] aan [partij A] van 5 maart 2026 en 11 juni 2026 niet bij dagvaarding hebben overgelegd. Deze feiten zijn relevant voor het beroep op wanprestatie en de gevorderde nakoming van de aannemingsovereenkomst. Door het niet vermelden van deze relevante feiten in de dagvaarding en het overleggen van deze e-mails hebben [partij A] , ondanks een stortvloed aan producties, niet voldaan aan substantiëringsplicht en in strijd met artikel 21 Rv gehandeld. De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding om daar gevolg aan te verbinden, omdat de voorzieningenrechter de vorderingen wegens ongeschiktheid zal afwijzen.
5.8. In kort geding moet de voorzieningenrechter beoordelen of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de ingestelde vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop door toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Daarbij moeten de belangen van partijen bij toe- respectievelijk afwijzing van de voorlopige voorziening tegen elkaar worden afgewogen.
5.9. De voorzieningenrechter is in het licht van deze maatstaf van oordeel dat de in conventie en in reconventie gevraagde voorzieningen in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat de zaak en de gevraagde voorzieningen niet geschikt zijn voor kort geding. De voorzieningenrechter acht daartoe het volgende redengevend.
5.10. Niet in geschil is dat [partij A] en [partij B] een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten voor de reconstructie van de woonboerderij en de bouw van een bijbehorend poolhouse, zodat de artikelen 7:750 BW e.v. daarop van toepassing zijn. Ter zitting is duidelijk geworden dat de oorspronkelijke overeenkomst tussen partijen dateert van 2 oktober 2024 en dat zij nadien op 12 november 2024 een tweede overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan [partij B] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden in overeenstemming met de aannemingsovereenkomst zijn uitgevoerd.
5.11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aannemer op grond van artikel 7:759 BW gehouden is de bij oplevering geconstateerde gebreken binnen redelijke termijn te herstellen.
5.12. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit hetgeen aan deskundigenrapporten door partijen is overgelegd, blijkt dat de werkzaamheden niet conform de eisen van goed en deugdelijk werk zijn uitgevoerd.
Uit de bevindingen van kNm blijkt onder meer dat delen van de zijgevel en topgevel uit het lood staan en dat deze boven bij de aansluiting muurplaat/latei beschadigd zijn.
5.13. De uitvoering van de (herstel)werkzaamheden is stil komen te liggen en partijen stellen zich ieder op het standpunt dat de belemmering hiervan aan de wederpartij te wijten is. Er ontstaat een onbegrijpelijke impasse, waarin partijen hebben gezegd met elkaar door te willen gaan. Dat de ontstane situatie moet worden doorbroken, is duidelijk. Gelet op het hiervoor in 5.8 weergegeven beoordelingskader is de voorzieningenrechter daartoe echter niet bij machte, zeker omdat partijen tegenovergesteld beweren welke partij welke informatie nodig heeft.
5.14. De (on)juistheid van de stellingen van beide partijen kan op voorhand niet louter uit de door hen overgelegde stukken worden afgeleid. Daarvoor is nader feitenonderzoek en/of bewijslevering noodzakelijk, zoals het horen van getuigen. Voor een dergelijk nader onderzoek leent dit kort geding zich niet. De bodemprocedure is bij uitstek geëigend om over deze vragen te beslissen.
5.15. De vordering van [partij A] tot (terug)betaling van € 181.500,00 door [partij B] leent zich evenmin voor een beslissing in kort geding. Ook voor de beoordeling van die vordering is nader onderzoek naar de feiten en de rechtsverhouding tussen partijen vereist. De overeenkomst van 12 november 2024 is niet althans niet tijdig overgelegd, zodat de voorzieningenrechter geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud hiervan. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat de overeenkomst van 12 november 2024 op hoofdlijnen gelijk is aan de eerste overeenkomst van 2 oktober 2024, zij dat er andere algemene voorwaarden op van toepassing zijn verklaard, namelijk die van BouwGarant en de betalingstermijnen van BouwGarant daarin zijn opgenomen als gevolg waarvan door de aannemer meer voorgefinancierd moet worden. Hoewel de kap van de woonboerderij op dat moment niet van een zinken beplating was voorzien, hebben [partij A] de termijnbetaling van € 181.500,00 begin januari 2026 kennelijk voldaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van hetgeen partijen over en weer verklaren en daartoe aan stukken hebben overgelegd, onvoldoende vast staat om te kunnen beoordelen of de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat partijen van de initieel overeengekomen betalingstermijn zijn afgeweken.
5.16. Gelet op dat wat hiervoor is beslist, zal de voorzieningenrechter de vordering en nevenvorderingen in conventie van [partij A] en de vordering in reconventie van [partij B] afwijzen. Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan daarom onbesproken blijven.
5.17. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Gelet op het belang van partijen bij voortzetting van de (herstel)werkzaamheden en de mogelijke lengte en kosten van een eventuele bodemprocedure, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging een onafhankelijke derde in te schakelen om het gesprek tussen partijen te voeren. Het belang van [partij A] is evident, maar zij moeten zich realiseren dat een onophoudelijk mitrailleurvuur van verwijten, klachten en klachtjes niet erg helpt bij het vinden van een oplossing. [partij B] dient zich te realiseren dat zij, naar het zich laat aanzien op grond van de diverse deskundigenberichten, afkoerst op een immense vordering tot schadevergoeding.
5.18. In de wijze waarop partijen hebben geprocedeerd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
6 De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1. wijst de vorderingen van [partij A] af;
in reconventie
6.2. wijst de vorderingen van [partij B] af;
**in conventie en in reconventie **
6.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.