ECLI:NL:RBNNE:2026:3902 Rechtbank Noord-Nederland , 11-09-2026 / LEE 25/4297
Samenvatting
[eiser], woonachtig te [woonplaats], verzocht op 23 oktober 2024 om een tegemoetkoming in planschade wegens de komst van een supermarkt tegenover zijn voormalige woning aan de [adres] in [plaats]. Deze aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo bij besluit van 28 april 2025 afgewezen; op bezwaar handhaafde het college die afwijzing bij besluit van 15 oktober 2025. Als derde-partij trad BUN Projectontwikkeling B.V. (Almere; gemachtigde mr. W.J. Bosma) op. Eiser voerde beroep aan tegen het bestreden besluit; de rechtbank behandelde de zaak (zaaknr. LEE 25/4297) mondeling op 27 augustus 2026. De uitspraak van de enkelvoudige kamer is op 11 september 2026 (mr. E. Hardenberg, griffier mr. S.G. Steenbergen): het beroep is ongegrond.
Feiten en procesbelang
- Eiser was eigenaar van de woning op de peildatum: het bestemmingsplan “[bestemmingspan]” trad in werking op 15 juni 2022; eiser was op dat moment eigenaar (het feit dat hij bij indiening van de aanvraag op 23 oktober 2024 geen eigenaar meer was, doet niet af aan zijn belang). De rechtbank verwierp het verweer van initiatiefnemer dat eiser geen belanghebbende zou zijn.
Toetsingskader
- Op grond van de Invoeringswet Omgevingswet (art. 4.19) blijft voor plannen die vóór 1 januari 2024 in werking traden het oude Wro-recht van toepassing; hier is art. 6.1 Wro relevant. Toekenning van tegemoetkoming vereist (kort samengevat): een planologische schadeoorzaak als bedoeld in art. 6.1 Wro, vervolgens vaststelling dat de aanvrager door de wijziging in planologisch opzicht nadeliger is komen te staan (vergelijking nieuw vs onmiddellijk voorafgaand planologisch regime), dat daardoor schade is geleden of zal worden geleden, en dat schade niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven dan wel anderszins verzekerd is. Bij de planvergelijking geldt dat men uitgaat van de meest ongunstige, theoretisch mogelijke invulling van derden op grond van de planregels.
Motivering van het college en deskundigenadvies
- Het college baseerde zijn weigering op een advies van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ, 28 april 2025). SAOZ voerde een planvergelijking uit tussen “[bestemmingspan]” en “[bestemmingsplan oud]” en ging daarbij terecht uit van (theoretisch) maximale invulling van planmogelijkheden; conclusie: geen planologisch nadeel voor eiser.
- In het advies beoordeelde SAOZ onder meer het zicht vanuit de woning (conclusie: geen verslechtering omdat in het oude plan al hoge bebouwing mogelijk was), privacy, toename van hinder (verkeer, geluid, licht) en veiligheidsafstanden. SAOZ constateerde dat voor geluid en licht wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”, dat ontsluiting en parkeervoorzieningen aan de van de woning afgekeerde zijde liggen en dat laden/lossen inpandig plaatsvindt.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank herhaalt de rechtspraak dat een bestuursorgaan op het oordeel van een deskundige mag afgaan mits het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Als partijen concrete gronden naar voren brengen om aan de deskundigheid of zorgvuldigheid te twijfelen, moet het bestuursorgaan daarop reageren of nadere motivering geven.
- Eiser stelde dat de wijziging van het bestemmingsplan zijn woongenot onvoldoende meenam en dat eerdere procedures niet open en eerlijk waren; hij beroept zich ook op verlies van uitzicht en waardedaling van de woning. De rechtbank oordeelt echter dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft geleverd die de SAOZ-advisering in twijfel trekken: er is geen contra-expertise overgelegd en er is geen gemotiveerde onderbouwing waarom de SAOZ-conclusies onjuist zouden zijn. Het feit dat de locatie feitelijk onbebouwd was of dat bij de aankoop beelden van een groene entree waren geschetst, is irrelevant voor de planvergelijking.
- De voorzienbaarheid van de ontwikkeling is in het bestreden besluit niet tegen eiser gebruikt; een geslaagd verweer daaromtrent is niet aan de orde. Omdat de rechtbank volgt dat er geen planologisch nadeel bestaat, behoeft zij niet in te gaan op de vraag naar de waardebepaling of schadeomvang van de woning.
Conclusie en gevolg
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Het college mocht het verzoek om planschade afwijzen. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verzoek planschade terecht afgewezen. Eigendom op peildatum. Geen planologische verslechtering, voorzienbaarheid niet tegengeworpen, taxtatie speelt geen rol. geen reden om te twijfelen aan advies van SAOZ
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4297
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tynaarlo.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: BUN Projectontwikkeling B.V., uit Almere (initiatiefnemer) (gemachtigde: mr. W.J. Bosma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om planschade vanwege de komst van een supermarkt in [plaats]. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om planschade mocht afwijzen
Procesverloop
2. Eiser was tot 2 september 2024 eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats]. Op 23 oktober 2024 heeft eiser een tegemoetkoming in planschade aangevraagd vanwege de komst van een supermarkt tegenover de woning.
2.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 april 2025 afgewezen.
2.2. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Initiatiefnemer heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en, namens het college, J. de Kleine. Namens initiatiefnemer is niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ingetrokken. De aanvraag heeft betrekking op schade vanwege een bestemmingsplan dat voor 1 januari 2024 in werking is getreden.
3.1. Op grond van artikel 6.1 van de Wro kan een tegemoetkoming worden toegekend vanwege inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak als gevolg van een bepaling in een bestemmingsplan voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
3.2. De beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming komt, kort samengevat, op het volgende neer.
3.2.1. Bij de beoordeling van de vraag of de aanvrager door de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is gekomen wordt voor de betrokken gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of, en zo ja in hoeverre, deze planologische mogelijkheden zijn benut. Daarbij wordt uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van de gronden van derden.
4. Het betoog van de initiatiefnemer dat eiser geen belanghebbende is omdat hij op het moment van het indienen van de aanvraag geen eigenaar meer was van de woning, slaagt niet. Het moment van het indienen van de aanvraag is niet bepalend voor de vraag of eiser belanghebbende is bij het besluit op een aanvraag om planschade. De peildatum voor het recht op een tegemoetkoming is het moment van de inwerkingtreding van de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel. Het bestemmingsplan “[bestemmingspan]” (het bestemmingsplan) is op 15 juni 2022 in werking getreden. Omdat eiser eigenaar van de woning was op die peildatum is zijn belang rechtstreeks bij het besluit betrokken. De rechtspraak waar de initiatiefnemer naar verwijst
5. Eiser voert aan dat de impact van de wijziging van het bestemmingsplan op zijn woongenot onvoldoende is meegewogen. Ook de voorafgaande procedures zijn volgens hem niet open en eerlijk verlopen. Volgens eiser heeft de gemeente het plan voor de woonwijk in de markt gezet met een groene entree en was er geen sprake van de bouw van een grote supermarkt. Daarom heeft hij destijds de grond van de gemeente gekocht om op die plek met open uitzicht een huis te bouwen. Zijn uitzicht en woongenot zijn nu weg. Er is een hoop verkeer en gedoe voor de deur voor terug gekomen. Omdat hij zijn huis onder de gemiddelde verkoopwaarde van soortgelijke woningen heeft verkocht vindt eiser dat hij recht heeft op compensatie.
6. De rechtbank stelt voorop dat deze procedure alleen gaat over het besluit van 15 oktober 2025 waarin het college haar besluit om geen planschade toe te kennen handhaaft. Deze procedure gaat niet over andere besluiten die het college heeft genomen over de komst van de supermarkt.
6.1. De rechtbank stelt vast dat het college aan het besluit van 28 april 2025 een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van 28 april 2025 ten grondslag heeft gelegd. SAOZ heeft geadviseerd om geen tegemoetkoming in de schade toe te kennen, omdat uit een vergelijking van de oude en nieuwe planologische situatie blijkt dat er geen sprake is van een planologisch nadeliger positie.
6.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
6.3. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, zodat het college in beginsel op een door SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. Uit de door SAOZ gemaakte planvergelijking blijkt dat SAOZ een planschadevergelijking heeft gemaakt waarbij de planologische gevolgen van het bestemmingsplan “[bestemmingspan]” zijn vergeleken met de planologische gevolgen van het daarvoor geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan oud]”. Daarbij is SAOZ terecht uitgegaan van de (theoretisch) maximale invulling van de mogelijkheden op grond van die planregels. Dat het terrein feitelijk onbebouwd was en beelden van een groene woonomgeving geschetst zijn ten tijde van de aankoop door eiser, is niet maatgevend bij de planvergelijking.
6.4. Op grond van de planvergelijking is SAOZ in het advies tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een planologisch nadeel voor eiser. Op pagina 19 en verder van het advies wordt ingegaan op de gevolgen van de planwijziging voor het zicht vanuit de woning van eiser. Omdat op basis van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan oud]” al enkele hoge gebouwen mogelijk waren concludeert SAOZ dat het uitzicht vanaf het perceel en vanuit de woning van eiser in die richting door de planwijziging niet verslechterd is. Verder is door SAOZ op pagina 22 en verder van het advies ingegaan op de privacy en de toename van hinder door onder andere verkeer en de gevolgen daarvan voor het woongenot van eiser. SAOZ constateert dat voor geluid en licht ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Verder constateert SAOZ dat de ontsluiting van de supermarkt en het parkeerterrein aan de van de woning van eiser afgewende zijden van de bebouwing liggen, en laden en lossen inpandig plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de advisering door SAOZ. Eiser heeft geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van planschade overgelegd en ook geen gemotiveerde onderbouwing gegeven waarom de conclusies van SAOZ niet zouden kloppen. Er is geen grond voor het oordeel dat het advies van SAOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat het college dat advies niet had mogen volgen.
6.5. De rechtbank stelt vast dat de voorzienbaarheid van de planologische ontwikkeling niet aan eiser is tegengeworpen in het bestreden besluit. Een betoog van eiser dat de schade niet voorzienbaar zou zijn, kan daarom niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
6.6. De rechtbank overweegt tot slot dat de bepaling van de waarde van de woning pas aan de orde komt nádat is vastgesteld dat er sprake is van een planologisch nadeel. Omdat er volgens het college geen sprake is van planologisch nadeel, en de rechtbank dat standpunt van het college kan volgen, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de taxatie van de woning.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek van eiser om planschade mocht afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr.S. G. Steenbergen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.