Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2023:5658

ECLI:NL:RBNNE:2023:5658 Rechtbank Noord-Nederland , 24-04-2023 / C/17/188863 / JE RK 23-310
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Zaaknummer C/17/188863 / JE RK 23-310 — samenvatting van de beschikking van de kinderrechter (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden) van 24 april 2023 over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing.

Partijen en procedure

  • Verzoeker/gesertificeerde instelling (GI): William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (Amsterdam).
  • Belanghebbende: [moeder], wonende te [woonplaats].
  • Betrokken minderjarigen: [minderjarige 1] (geboren 2014) en [minderjarige 2] (geboren 2020).
  • Eerdere beschikking van 7 april 2023: spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken; beslissing op het overige aangehouden.
  • Mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 14 april 2023; verschenen: de moeder (met tolk I.B. Berisha) en een vertegenwoordiger van de GI. Uitspraak op 24 april 2023 door mr. J. Teertstra; griffier E. Massink.

Feiten en door de GI aangevoerde zorgen

  • De kinderen verblijven sinds de uithuisplaatsing in een gezinshuis.
  • De GI handhaaft het verzoek tot voortzetting van uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie tot 19 februari 2024, omdat er onvoldoende zicht is op verzorging, opvoeding en veiligheid.
  • Kernpunten GI: onvoldoende pedagogische kennis en vaardigheden van de moeder; langdurige weigering tot medewerking aan hulpverlening; sinds inzet van het Kort en Krachtig-traject (Leger des Heils) geeft moeder geen toegang tot begeleiding en jeugdzorgwerker sinds evaluatie van 22 maart 2023; moeder weigert toestemming voor informatie-uitwisseling met school/peuteropvang.
  • Geconstateerde zorgen bij kinderen: spraak- en taalachterstanden; [minderjarige 1] heeft leerachterstanden, loopt weg bij boosheid en is getuige/ slachtoffer geweest van huiselijk geweld door stiefvader; [minderjarige 2] heeft achterstanden in leeftijdsadequate vaardigheden (o.a. nog uit de fles drinken).
  • GI wil onderzoek en begeleide contactmomenten, en acht een gezinsopname noodzakelijk; moeder weigert deze en geeft vooral voorkeur aan hulp bij huisvesting en vakanties.

Standpunt moeder

  • Moeder geeft aan slachtoffer te zijn van mishandeling door de vader van [minderjarige 2] en begrijpt niet waarom uithuisplaatsing nodig is; ontkent middelengebruik; wil wel contact met kinderen maar weigert gezinsopname en samenwerking uit gebrek aan vertrouwen; stelt dat derden (school e.d.) kunnen komen kijken.

Beoordeling en rechtsgrond

  • Rechtsgrond: artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in belang van verzorging en opvoeding).
  • De kinderrechter acht uithuisplaatsing noodzakelijk omdat moeder sinds ondertoezichtstelling (19 februari 2020) herhaaldelijk heeft geweigerd samen te werken met hulpverlening, waardoor langdurig onvoldoende zicht bestaat op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.
  • Factoren meegewogen: mogelijke verstandelijke beperking en analfabetisme bij moeder, belast verleden met onbeschermde blootstelling van kinderen aan huiselijk geweld, snel wisselende relaties van moeder, weigering van noodzakelijke diagnostiek (persoonlijkheidsonderzoek/IQ) en van gezinsopname. Positieve indicaties (contact met school en aanvraag doorverwijzing logopedie voor [minderjarige 2]) wegen onvoldoende op tegen de zorgen.
  • De rechter neemt ook het standpunt van de GI over dat een gezinsopname nodig is om opvoedingsvaardigheden te toetsen en te verbeteren.

Beslissing

  • De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 5 augustus 2023 (duur: drie maanden). De eerder verleende spoedmachtiging wordt als goed gefundeerd beschouwd.
  • De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
  • De beslissing omtrent het overige in het verzoek wordt aangehouden tot een zitting achter gesloten deuren op 6 juli 2023 om 09:00; GI en moeder dienen te worden opgeroepen.
  • De GI moet uiterlijk één week voorafgaand aan die zitting een actuele stand van zaken indienen, met in ieder geval: verslag van het Leger des Heils, verloop van de omgang, en rapportage over de ontwikkeling van de kinderen in het gezinshuis.
  • De rechter benadrukt dat de moeder zich dient open te stellen voor gezinsopname en daadwerkelijke samenwerking met de GI en dat regelmatig contact tussen moeder en kinderen snel moet worden opgestart.

Beroep

  • Beroep is mogelijk binnen drie maanden (door verzoeker/belanghebbende of andere belanghebbenden via advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).

Conclusie in één zin: De rechtbank acht uithuisplaatsing tijdelijk noodzakelijk wegens gebrek aan zicht op veiligheid en ontwikkeling door structurele weigering van de moeder tot samenwerking; de maatregel wordt echter beperkt tot drie maanden en nader gemonitord om de proportionaliteit te waarborgen en ruimte te geven voor gezinsgerichte interventie.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4783
Civiel recht > Personen- en familierecht
31-05-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg (zaaknr. C/02/447575 / JE RK 26-719) heeft op 30 april 2026 een nadere beschikking gegeven over een machtiging tot uithuisplaatsing. Partijen - Gecertificeerde instelling (GI): William Schrikker Stichting...
ECLI:NL:RBGEL:2026:5483
Civiel recht > Personen- en familierecht
10-07-2026 90% soortgelijk
De rechtbank Gelderland (kinderrechter mr. F.G. van Arem; griffier mr. G. Vlemmings) heeft bij beschikking van 1 april 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de twee minderjarige kinderen [naam kind 1]...
ECLI:NL:RBNHO:2026:4696
Civiel recht > Personen- en familierecht
30-04-2026 90% soortgelijk
Zaaknummers C/15/375519 /JU RK 26-397 en C/15/371567 /JU RK 25-1585 — Rechbank Noord-Holland, kinderrechter mr. B.M.A. Bataille (uitspraak 3 april 2026, op schrift 21 april 2026). Partijen en procesverloop - Verzoeker: gecertificeerde...
ECLI:NL:RBZWB:2026:6219
Civiel recht > Personen- en familierecht
10-07-2026 90% soortgelijk
Zaak en partijen Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, zaaknummer C/02/448734 / JE RK 26-937, uitspraak mondeling op 9 juni 2026 (schriftelijk 16 juni 2026) door kinderrechter mr. Van Triest; griffier mr. Van Noort....
ECLI:NL:RBMNE:2026:2876
Civiel recht > Personen- en familierecht
26-05-2026 90% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland (Fam. & Jeugdrecht, locatie Utrecht), zaaknr. C/16/610235 / JE RK 26-561, uitspraak 23 april 2026 (mr. A.M.J. van der Weide). Partijen en procesverloop - Aanvrager: Raad voor de Kinderbescherming (Utrecht)....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor een broer en zus vanwege grote onveiligheid in de thuissituatie. De moeder is verstandelijk beperkt en heeft een belast verleden. Ook stelt zij de belangen van de kinderen niet voorop door steeds nieuwe relaties aan te gaan met mannen. Een van deze relaties was zeer gewelddadig. Zij heeft de kinderen hiertegen niet beschermd en niet in hun belang gehandeld. Ook houdt zij noodzakelijk onderzoek naar een (leer)achterstand van een van de kinderen af. De kinderrechter verleent de machtiging voor drie maanden en houdt de rest van het verzoek aan om meer zicht te krijgen op de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Leeuwarden

Zaaknummer: C/17/188863 / JE RK 23-310 Datum uitspraak: 24 april 2023

Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam , hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] .

1 Het procesverloop

1.1. Bij beschikking van 7 april 2023, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend voor de duur van vier weken. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.

1.2. Na 7 april 2023 heeft de kinderrechter kennisgenomen van een tweetal stukken van de moeder, overgelegd ter zitting op 14 april 2023.

1.3. Op 14 april 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: -de moeder; -[Vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.

1.4. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling gebruik gemaakt van de diensten van de heer I.B. Berisha, tolk.

2 De feiten

2.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds de uithuisplaatsing samen in een gezinshuis.

2.2. Voor de verdere vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 7 april 2023.

3 Het verzoek

3.1. De GI handhaaft het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende verzochte duur van het verzoek, te weten tot 19 februari 2024. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI onder andere het volgende aan.

3.2. De GI heeft zorgen over de pedagogische kennis en vaardigheden van de moeder. In de afgelopen jaren zijn diverse vormen van hulpverlening ingezet om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee aan de hulp. Volgens de GI kan zij hierdoor de veiligheid van de kinderen niet beoordelen. Daarom heeft de GI begin 2023 het traject Kort en Krachtig van het Leger des Heils ingezet om meer zicht te krijgen en te voorkomen dat de kinderen uit huis geplaatst moeten worden. Al vrij snel gaf de moeder aan dat zij geen vertrouwen heeft in de hulpverlening en dat zij niet tevreden is met de geboden hulp. Op 22 maart 2023 heeft er een evaluatie met de begeleider, de moeder en de jeugdzorgwerker plaatsgevonden. Sindsdien mogen de begeleider en de jeugdzorgwerker niet meer bij de moeder langskomen. De moeder weigert iedere vorm van hulp. Ook de school van [minderjarige 1] en de peuteropvang van [minderjarige 2] geven aan dat zij geen toestemming hebben van de moeder om informatie over de ontwikkeling van de kinderen te delen. Wel zijn er zorgen over de kinderen. Beiden hebben een achterstand in hun spraak-taalontwikkeling. [minderjarige 1] loopt weg als hij boos is en is zowel getuige als slachtoffer geweest van huiselijk geweld door stiefvader. Daarbij wordt bijvoorbeeld gezien dat [minderjarige 1] zijn veters nog niet kan strikken, de dagen van de week niet kent en niet goed meekomt op school. [minderjarige 1] heeft hulp nodig, waarvoor onderzoek nodig is, maar de moeder wil nergens voor tekenen. Bij [minderjarige 2] wordt bijvoorbeeld gezien dat zij nog uit de fles drinkt en niet goed mee kan doen aan de activiteiten die kinderen van haar leeftijd doen. De GI wil meer zicht op ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen door hun (tijdelijk) elders te plaatsen. De kinderen verblijven nu in een gezinshuis bij twee gezinshuisouders. Daarnaast wil de GI meer zicht verkrijgen op de interactie tussen de kinderen en hun moeder door de contactmomenten tussen hen de komende periode te begeleiden. Hiervoor is de moeder aangemeld bij [organisatie] . De GI vindt bovendien een gezinsopname van de moeder met de kinderen noodzakelijk. De moeder geeft sinds de uithuisplaatsing aan dat zij hier niet voor open staat en dat zij een uitgebreide zorgregeling met de kinderen wil en meer niet. De GI hoopt de moeder hiervoor te kunnen motiveren.

3.3. Volgens de GI was de reden voor het spoedverzoek het reële risico dat de moeder bij het horen van dit verzoek aan de kinderrechter uit contact zou gaan waardoor er geen zicht zou zijn op de veiligheid van de kinderen en/of zij de kinderen naar het buitenland zou brengen. De moeder heeft vaker gedreigd [minderjarige 1] naar zijn vader in Duitsland te brengen. Zij heeft hierover ook contact gehad met de vader en wilde dat [minderjarige 1] bij hem ging wonen, ondanks dat de vader dit niet wil en [minderjarige 1] de vader al meer dan twee jaar niet heeft gezien.

4 Het standpunt van de moeder

4.1. De moeder vertelt dat alle problemen zijn gekomen door de vader van [minderjarige 2] . Zij heeft op de zitting uitgebreid verteld dat hij haar meerdere keren heeft mishandeld. Hij heeft [minderjarige 1] ook geslagen, alles kapotgemaakt thuis en hen bedreigd. De moeder is erg geschrokken van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en begrijpt niet waarom dit nodig is. Ze gebruikt immers geen drugs. Alle kinderen hebben het moeilijk, en [minderjarige 1] is nog een klein kind, dus hij hoeft niet getest te worden. Iedereen is welkom om bij haar thuis te komen kijken hoe zij voor haar kinderen zorgt, zelfs de koning en de koningin. De school was niet op de hoogte van de uithuisplaatsing en heeft een brief geschreven voor de kinderrechter. Wanneer ze de kinderen willen houden dan mogen ze ze houden, maar de moeder wil de kinderen wel zien. De moeder wil graag op vakantie naar [het buitenland] maar dat wil de bewindvoerder niet bekostigen en de GI regelt het ook niet. Die hebben een andere vakantie geregeld, maar dat wil de moeder niet. [minderjarige 1] zou niet bij zijn vader gaan wonen, maar zijn moeder had gevraagd of hij voor een vakantie naar zijn vader wilde en dat wilde hij wel. Zij wil niet meewerken aan een gezinsopname, omdat zij hier geen vertrouwen in heeft.

5 De beoordeling

5.1. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Hiertoe overweegt de kinderrechter het volgende.

5.2. De kinderrechter stelt vast dat de moeder, sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 19 februari 2020 onder toezicht zijn gesteld, meermaals de kans heeft gekregen om de samenwerking met de GI aan te gaan. In plaats daarvan heeft de moeder ervoor gekozen om niet haar medewerking te verlenen aan de diverse vormen van ingezette hulpverlening. De moeder is wantrouwend en wijst de hulpverlening keer op keer af. Hierdoor is er al een lange tijd onvoldoende zicht op de kinderen en hun veiligheid. De GI heeft daarom het traject Kort en Krachtig van het Leger des Heils ingezet om meer zicht te krijgen. Ook hier sluit de moeder de deur voor. De moeder wil enkel hulp voor het vinden van een nieuwe woning en een vakantie naar [het buitenland]. Tegelijkertijd bestaan er wel zorgen over in hoeverre de moeder in staat is om de veiligheid van de kinderen te waarborgen en hen voldoende te stimuleren in hun ontwikkeling. Bij de moeder is sprake van een verstandelijke beperking, analfabetisme en een belast verleden. De kinderrechter deelt de zorgen die de GI heeft over de keuzes die de moeder maakt, waarbij zij haar eigen belang voorop die van de kinderen stelt. Zo heeft de moeder een gewelddadige relatie gehad, waarin zij haar kinderen niet heeft beschermd tegen het geweld richting hen. Ook is zij hierover niet open geweest tegenover de hulpverlening. De moeder geeft weliswaar terecht aan dat zij slachtoffer van deze relatie is geweest, maar zij ziet niet in dat zij de kinderen in gevaar heeft gebracht en hun ook slachtoffer heeft gemaakt. Daarnaast heeft de moeder de kinderen in een half jaar tijd blootgesteld aan drie verschillende partners, volgens de GI omdat zij graag een man in haar leven wil. Ook hierin stelt zij haar eigen belang voorop en denk zij niet na over welke gevolgen dit heeft voor de kinderen. Verder is er bij beide kinderen sprake van een spraak- en taalachterstand. Omdat [minderjarige 1] leerprestaties achterblijven, is voorgesteld om [minderjarige 1] aan te melden voor een persoonlijkheidsonderzoek en een IQ bepaling. De moeder wil hier echter niet aan meewerken. Ook hiermee laat de moeder zien dat zij niet in het belang van [minderjarige 1] handelt. De kinderrechter heeft de indruk dat de moeder haar keuzes maakt vanuit angst en het niet begrijpen van veel dingen. Er lijkt sprake te zijn van onmacht.

5.3. Hoewel er door de uithuisplaatsing van de kinderen in het gezinshuis inmiddels iets meer zicht is verkregen op de kinderen, is er nog steeds veel onduidelijk over de zorgen die er (mogelijk) zijn en wat het effect daarvan op de kinderen is. De moeder geeft weliswaar aan dat iedereen bij haar thuis mag komen kijken, maar het feit dat de moeder aangeeft dat zij niet open staat voor hulpverlening voor de kinderen, wijst erop dat zij niet inziet wat er nodig is. Bovendien is de afgelopen tijd het tegenovergestelde gebleken, nu de moeder steeds de hulpverlening de deur heeft gewezen. Wel is positief dat uit de overgelegde stukken van de moeder blijkt dat zij goed contact heeft met de school en een doorverwijzing voor [minderjarige 2] bij de huisarts heeft aangevraagd voor logopedie. Desondanks is dit niet genoeg om alle zorgen weg te nemen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van de kinderen vooralsnog noodzakelijk is om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

5.4. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het overige verzochte. Een machtiging tot uithuisplaatsing is immers een zeer ingrijpende maatregel. De komende drie maanden dient er meer zicht te komen op de ontwikkeling van de kinderen, de interacties tussen de kinderen en hun moeder en de daadwerkelijke zorgen over de kinderen. Op dit moment is er nog veel onduidelijk. Er zijn weliswaar door de GI zorgen genoemd, maar onduidelijk is of deze zorgen dermate groot zijn dat de kinderen niet meer bij de moeder kunnen wonen. De kinderrechter wil dat de GI voor de volgende zitting hier meer stukken over indient, bijvoorbeeld een verslag van het Leger des Heils, het verloop van de omgang en de ontwikkeling van de kinderen in het gezinshuis. Daarnaast biedt deze termijn de moeder de kans om haar visie op de gezinsopname te wijzigen en haar medewerking hieraan te verlenen. De kinderrechter kan namelijk de stelling van de GI goed volgen dat een gezinsopname noodzakelijk is om voldoende zicht te krijgen op de opvoedingsvaardigheden van de moeder en deze zo mogelijk te verbeteren.

5.5. Het voorgaande betekent ook dat de kinderrechter vindt dat de verleende spoedmachtiging nop goede gronden is verleend.

5.6. De kinderrechter doet ten slotte nogmaals het beroep op de moeder om zich open te stellen voor de gezinsopname en de samenwerking met de GI nu daadwerkelijk aan te gaan. Daarnaast merkt de kinderrechter op dat het van groot belang is dat de omgang tussen de moeder en de kinderen snel opgestart wordt en frequent plaatsvindt. Dit doet recht aan de band die de moeder met de kinderen heeft.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 5 augustus 2023;

6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3. houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot de zitting achter gesloten deuren van 6 juli 2023 om 09.00 uur, tegen welke zitting de GI en de moeder dienen te worden opgeroepen;

6.4. bepaalt dat de GI uiterlijk één week voorafgaand aan de zitting een actuele stand van zaken indient, met daarbij de informatie zoals hiervoor overwogen onder 5.4.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2023, in tegenwoordigheid van E. Massink als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.