Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:6262

ECLI:NL:RBNHO:2026:6262 Rechtbank Noord-Holland , 26-05-2026 / HAA-24_8294
Bestuursrecht > Belastingrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en geschil Belanghebbende (woonachtig te [woonplaats]) was appellant tegen een uitnodiging tot betaling (utb) van de Douane en tegen de daaropvolgende uitspraak op bezwaar (uob). Verweerder is de inspecteur van de Douane. De utb van 30 november 2022 bedroeg aanvankelijk € 20.934.072 (waarvan € 19.276.980 accijns en € 1.657.092 rente). Bij de uob van 7 november 2024 verminderde verweerder het bedrag tot € 18.848.444 (€ 17.368.181 accijns en € 1.480.263 rente). Belanghebbende tekende beroep aan; zitting vond plaats op 3 maart 2026; uitspraak op 26 mei 2026.

Feiten en feitenvaststelling

  • Belanghebbende heeft een indirect belang van 66% in [bedrijf 1] B.V. ([bedrijf 1] B.V.), dat volgens KvK-gegevens bereddering, cargadoors- en bevrachtingsactiviteiten verricht, waaronder opslag van goederen.
  • De FIOD voerde het strafrechtelijk [naam 3]-onderzoek uit naar elf containers met sigaretten die via Antwerpen naar eindbestemmingen (Ghana/Singapore) zouden worden verscheept; aanleiding was OLAF-informatie over een container met 10.900.000 sigaretten bestemd voor [bedrijf 2] in Tsjechië.
  • De douane in Antwerpen controleerde containers 2–4 en 6–11. Bij opening bleken meeste containers slechts enkele tientallen dozen sigaretten te bevatten; de rest bestond uit oude kleding en big-bags met zand. Container 1 werd in Antwerpen niet gecontroleerd; container 5 werd niet opgehaald in Rotterdam.
  • [bedrijf 1] B.V. trad voor de elf containers op als "notify party": het nam containers in Rotterdam voor [bedrijf 2] in ontvangst, regelde vervoer en tijdelijke opslag en liet T1-douanedocumenten opmaken voor vervoer van Rotterdam naar Antwerpen, waardoor geen accijns verschuldigd zou zijn.
  • Verweerder rekende voor tien containers een totaal onttrokken hoeveelheid van 102.000.000 sigaretten (totaal accijns €19.276.980). In de uob werd container 1 buiten beschouwing gelaten, waardoor de utb werd verlaagd.

Procedurele gang van zaken

  • Verweerder stuurde op 13 september 2022 een voornemen tot utb; belanghebbende kreeg tot 13 oktober 2022 gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken. Belanghebbende meldde ontvangst en dat hij overleg wilde plegen met zijn advocaat. Na verzoeken om uitstel en inzage werd inzage aanvankelijk geweigerd; later (eind 2023) werd het volledige FIOD-dossier gedeeld en kon belanghebbende zijn bezwaar aanvullen. Hoorgesprekken vonden in mei en augustus 2024 plaats. De uob werd op 7 november 2024 genomen.

Gerechtelijke beoordeling — verjaring en verdedigingsbeginsel

  • Verlengde navorderingstermijn: verweerder stelde toepassing van de verlengde termijn (Adw/ DWU art. 103 e.a.). De rechtbank oordeelde dat ontdoening van sigaretten zonder aangifte een strafrechtelijk vervolgbare handeling oplevert (o.a. overtreding art. 10:5 Adw), zodat de verlengde termijn van toepassing is. Deze grond faalde bij belanghebbende.
  • Verdedigingsbeginsel (centrale grond): het Unierechtelijke recht van verdediging vereist dat de betrokkenen vooraf geïnformeerd worden over de documenten en informatie waarop een nadelige beschikking is gebaseerd en over het recht op toegang daartoe (DWU art. 22 lid 6 in samenhang met uitvoeringsverordening art. 8 lid 1). De rechtbank stelde vast dat in het voornemen van 13 september 2022 verweerder niet heeft gewezen op het recht op inzage van de stukken waarop het voornemen was gebaseerd. Dat is in strijd met genoemde bepalingen en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Dat verweerder later (in de bezwaarfase/hoorfase) wel stukken heeft verstrekt, herstelt die schending niet: belanghebbende is daarmee niet teruggebracht in de positie die hij voorafgaand aan de utb zou hebben gehad.
  • Gevolg van de schending: vernietiging is alleen gerechtvaardigd indien niet is uit te sluiten dat, zonder de schending, het besluit anders zou zijn uitgevallen (het "andere-uitkomst"-criterium). De rechtbank vond dat niet kon worden uitgesloten dat belanghebbende, indien tijdig op zijn inzagerecht gewezen en in gelegenheid gesteld, informatie had kunnen aandragen die de uitkomst zou kunnen wijzigen. Dit blijkt ook voorshands uit het feit dat verweerder in de uob later het bezwaar gegrond verklaarde en de utb met € 2.085.628 verlaagde (onder meer door container 1 buiten beschouwing te laten). Daarom was sprake van een schending met mogelijk invloed op de uitkomst.

Conclusie en beslissingen

  • De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde zowel de utb als de uob vanwege schending van het verdedigingsbeginsel en het voldoen aan het "andere afloop"-criterium.
  • Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht (€187) en in proceskosten van belanghebbende voor rechtsbijstand door een derde beroepsmatig verleend: €934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De overige beroepsgronden hoefden niet meer te worden beoordeeld.
  • Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken.

Kort samengevat: de kern van de uitspraak is dat de Douane bij het voornemen niet voldeed aan zijn verplichting om belanghebbende te wijzen op het recht op inzage van de documenten waarop de utb was gebaseerd; die procedurele schending kon de uitslag van het besluit hebben beïnvloed, zodat utb en uob werden vernietigd.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:8621
Bestuursrecht > Belastingrecht
13-07-2026 85% soortgelijk
Belanghebbende (woonachtig te Turnhout, België) vordert vernietiging van een uitnodiging tot betaling (utb) van de inspecteur van de Douane d.d. 18 december 2024 ad €529,23 (€36,09 douanerecht, €390,42 accijns, €102,72 omzetbelasting) wegens...
ECLI:NL:GHAMS:2026:1953
Bestuursrecht > Belastingrecht
16-07-2026 82% soortgelijk
Partijen en procesverloop Belanghebbende is [X], gevestigd te [Z], bijgestaan door mr. J.A. Biermasz. Tegenpartij is de inspecteur van de Douane. De rechtbank Noord‑Holland verklaarde het bezwaar van belanghebbende tegen een uitnodiging...
ECLI:NL:RBNHO:2025:9810
Bestuursrecht > Belastingrecht
25-08-2025 82% soortgelijk
Rechtbank Noord-Holland (meervoudige douanekamer, zitting Haarlem) deed op 23 juli 2025 uitspraak in zaak nr. 24/394 tussen [eiseres] B.V. (gemachtigde: mr. L. Hoekstra), bijgestaan door direct vertegenwoordiger [bedrijf] B.V., en de inspecteur...
ECLI:NL:RBNHO:2025:6903
Bestuursrecht > Belastingrecht
24-06-2025 82% soortgelijk
Op 19 juni 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in de zaak tussen [eiseres] B.V. en de inspecteur van de Douane. De zaak betreft een uitnodiging tot betaling (utb) die op...
ECLI:NL:RBZWB:2023:7936
Bestuursrecht > Belastingrecht
16-11-2023 82% soortgelijk
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (zittingsplaats Breda), meervoudige kamer, zaaknr. BRE 22/5992, heeft op 16 november 2023 uitspraak gedaan in het belastingrechtelijke beroep van [belanghebbende] (gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers) tegen de inspecteur van de Belastingdienst...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Douanekamer - Heffing van accijns vanwege de onttrekking van containers met sigaretten en het aldus in het vrije verkeer brengen van die sigaretten zonder dat daarvoor aangifte ten invoer is gedaan. Niet is gewezen op het recht op inzage in de stukken die aan het voornemen van de utb ten grondslag lagen. Door de schending van het verdedigingsbeginsel en doordat wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium dienen de utb en de uob te worden vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/8294

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , woonachtig te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 november 2022 een uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uitgereikt voor een bedrag van € 20.934.072, bestaande uit € 19.276.980 aan verschuldigde accijns en € 1.657.092 aan rente op achterstallen (de utb).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2024 (uob) het bezwaar gegrond verklaard en het bedrag van de utb verminderd tot € 18.848.444, bestaande uit € 17.368.181 aan verschuldigde accijns en € 1.480.263 aan rente op achterstallen.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Belanghebbende is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [naam 1] LL.M en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

  • Belanghebbende heeft een indirect belang van 66% in [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] B.V.). Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel houdt dit bedrijf zich bezig met beredderings-, cargadoors- en bevrachtingsactiviteiten, waaronder mede wordt verstaan het zorgdragen voor de op- en overslag van goederen.
  • De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) heeft, onder de naam [naam 3] , een strafrechtelijk onderzoek verricht naar zendingen waarbij [bedrijf 1] B.V. betrokken was (het [naam 3] -onderzoek). Aanleiding voor het onderzoek was informatie van het Office Européen de la Lutte Antifraude (OLAF) over de aankomst van een container in Rotterdam geladen met 1090 mastercases (10.900.000 stuks) sigaretten bestemd voor het bedrijf [bedrijf 2] sro ( [bedrijf 2] ) in [stad] , Tsjechië. Aan dit bedrijf zijn personen gelieerd die in het verleden betrokken waren bij accijnsfraude met tabaksproducten.
  • In het [naam 3] -onderzoek zijn de volgende elf containers betrokken. Deze containers met sigaretten zouden via de haven van Antwerpen verder worden verscheept naar hun eindbestemming in Ghana of Singapore.

Container

1

[# 1]

2

[# 2]

3

[# 3]

4

[# 4]

5

[# 5]

6

[# 6]

7

[# 7]

8

[# 8]

9

[# 9]

10

[# 10]

11

[# 11]

4. De douane in Antwerpen heeft de inhoud van de containers 2 tot en met 4 en 6 tot en met 11 gecontroleerd. Na opening van de containers bleek dat alleen enkele tientallen dozen op de eerste rijen sigaretten bevatten. Verder waren de containers gevuld met dozen met oude kleren en big bags met zand. Container 1 werd niet gecontroleerd in Antwerpen. Container 5 werd nooit opgehaald bij de containerterminal in Rotterdam.

5. [bedrijf 1] B.V. is voor de elf containers opgetreden als zogenoemde ‘notify party’. [bedrijf 1] B.V. nam de containers in Rotterdam voor [bedrijf 2] in ontvangst, regelde het transport en de tijdelijke opslag van de containers en liet douanedocumenten (T1) opmaken voor het vervoer van de containers vanuit de Rotterdamse haven naar Antwerpen, zodat er geen accijns verschuldigd was. 6. Verweerder heeft bij brief van 13 september 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om, naar aanleiding van het [naam 3] -onderzoek, een uitnodiging tot betaling aan hem uit te reiken (het voornemen). Uit het [naam 3] -onderzoek volgt volgens verweerder dat belanghebbende betrokken was bij het binnenhalen van de containers met sigaretten en deel uitmaakte van een organisatie die een omvangrijke partij sigaretten op illegale wijze heeft onttrokken aan het toezicht van de Douane door de containers via Nederland te vervoeren, illegaal te lossen en te doen alsof de containers met sigaretten weer werden uitgevoerd. Dit terwijl 95% van de aangegeven hoeveelheid sigaretten uit de verschillende containers werd gehaald en werd vervangen door big-bags met zand en andere goederen. De onttrokken sigaretten zijn vervolgens in het illegale handelsverkeer gebracht zonder de voldoening van de verschuldigde accijnzen en belastingen. Volgens het voornemen is aldus op grond van artikel 79, eerste lid, letter a, van de Verordening (EU) nr. 952/2013 (het Douanewetboek van de Unie (DWU)) een douaneschuld ontstaan en kan belanghebbende op grond van artikel 79, derde lid, onderdelen a, b en c, van het DWU worden aangemerkt als schuldenaar. 7. Het voornemen ziet op de periode 1 april 2018 tot en met 31 december 2018. Verweerder heeft bij de berekening van de voorgenomen uitnodiging tot betaling container 5 buiten beschouwing gelaten, omdat die niet is opgehaald bij de containerterminal in Rotterdam. Voor de overige containers is het aantal onttrokken sigaretten en de verschuldigde accijns als volgt berekend.

Container

Sigaretten bij binnenkomst

Sigaretten bij vertrek

Onttrokken aan douanetoezicht

Accijns in €

1

[# 1]

10.900.000

800.000

10.100.000

1.908.799

2

[# 2]

10.900.000

800.000

10.100.000

1.908.799

3

[# 3]

10.900.000

800.000

10.100.000

1.908.799

4

[# 4]

9.500.000

800.000

8.700.000

1.644.213

5

[# 5]

6

[# 6]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

7

[# 7]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

8

[# 8]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

9

[# 9]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

10

[# 10]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

11

[# 11]

10.900.000

400.000

10.500.000

1.984.395

Totaal

107.600.000

5.600.000

102.000.000

19.276.980

Verweerder heeft belanghebbende de gelegenheid geboden om voor 13 oktober 2022 zijn standpunt kenbaar te maken over het voornemen en de wijze waarop het bedrag van de verschuldigde accijns is vastgesteld.

8. Belanghebbende heeft op 22 september 2022 aan verweerder gemaild dat hij het voornemen heeft ontvangen, dat hij dit wil bespreken met zijn advocaat en dat hij daarna contact met verweerder zal opnemen. Op 18 oktober 2022 heeft de toenmalige advocaat van belanghebbende aan verweerder gemaild dat hij binnenkort met belanghebbende zou spreken over de zaak en verweerder verzocht om de utb nog niet te verzenden. 9. Belanghebbende heeft bij brief van 5 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de utb en verzocht om inzage in de stukken. Verweerder heeft bij brief van 10 februari 2023 dit verzoek om inzage afgewezen, omdat de zaak zich nog niet in de hoorfase bevond. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift bij brief van 3 april 2023 gemotiveerd.

10. Verweerder heeft belanghebbende op 6 juni 2023 medegedeeld voornemens te zijn het bezwaar gedeeltelijk af te wijzen. In deze brief is tevens vermeld dat op 10 februari 2023 de op de zaak betrekking hebbende stukken die zich in het dossier bevonden aan belanghebbende zijn gezonden. Verder zijn 18 op de zaak betrekking hebbende stukken uit het FIOD-dossier bijgevoegd.

11. Op 30 augustus 2023 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en het geplande hoorgesprek afgezegd. In zijn brief van 8 februari 2024 heeft verweerder dit als volgt toegelicht:

“De reden hiervan lag in het feit dat ik tot op dat moment slechts de beschikking had over een deel van het onderliggende FIOD dossier dan wel strafrechtelijke dossier (hierna: FIOD dossier) en mij werd bericht dat het complete FIOD dossier reeds eerder bij de Douane beschikbaar was. (…) Het heeft vervolgens enige tijd in beslag genomen om tot de conclusie te komen dat ook alle inhoudelijke gegevens met u konden worden gedeeld.”

12. Het gehele FIOD-dossier is eind 2023 gedeeld met belanghebbende en belanghebbende is in de gelegenheid gesteld de gronden van bezwaar aan te vullen. Belanghebbende heeft bij brief van 5 april 2024 de motivering aangevuld en verzocht de beslissing op bezwaar aan te houden tot de einduitspraak in de strafrechtelijke procedure. Ook heeft belanghebbende verzocht om een hoorgesprek. Op 22 mei 2024 en 14 augustus 2024 hebben hoorgesprekken plaatsgevonden. 13. De utb is bij de uitspraak op bezwaar verminderd met het bedrag dat ziet op container 1 omdat deze container niet is gecontroleerd in Antwerpen en het daarmee samenhangende rentebedrag. Geschil 14. In geschil is of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de utb moet worden vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel. 15. Belanghebbende voert aan dat de utb dient te worden vernietigd wegens strijd met het verdedigingsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-beginsel en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende is het oneens met de verlenging van de navorderingstermijn, stelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onttrekking en betwist dat hij kan worden aangemerkt als schuldenaar. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb. 16. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Verlengde verjaringstermijn

17.De mededeling van een douaneschuld moet op grond van artikel 103, eerste lid, van het DWU plaatsvinden binnen een termijn van drie jaren nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn kan op grond van artikel 103, tweede lid, van het DWU echter worden verlengd tot minimaal vijf en maximaal tien jaar wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was. In artikel 7:7 van de Algemene douanewet (Adw) is die termijn bepaald op vijf jaar. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 volgt dat een strafrechtelijk vervolgbare handeling zich in dit verband reeds voordoet indien aan een delictsomschrijving is voldaan. Niet is dus vereist dat een (fiscale) strafbeschikking is opgelegd.

18. De rechtbank stelt vast dat de utb ziet op accijns die verschuldigd is vanwege de onttrekking van containers met sigaretten en het aldus in het vrije verkeer brengen van die sigaretten zonder dat daarvoor aangifte ten invoer is gedaan. In artikel 10:5, eerste lid, letter b, van de Adw is onder meer bepaald dat degene die ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens en deze niet verstrekt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Door geen aangifte ten invoer te doen, is niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 10:5, eerste lid, letter b, van de Adw en is derhalve sprake van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. De verlengde navorderingstermijn is daarom van toepassing. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Verdedigingsbeginsel

19. De eerbiediging van de rechten van de verdediging is een algemeen beginsel van Unierecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten aanzien van een bepaalde persoon vast te stellen. Krachtens dat beginsel moet de adressaat van een besluit dat zijn belangen aanmerkelijk raakt, in staat worden gesteld zijn standpunt over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren naar behoren kenbaar te maken. De bewijslast dat aan de verplichtingen van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is voldaan rust, bij betwisting daarvan door belanghebbende, op verweerder. 20. Belanghebbende stelt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat verweerder hem niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking heeft gesteld bij het voornemen. Zonder inzage was het voor hem niet mogelijk te beoordelen welke stappen noodzakelijk waren ter verdediging. Verder heeft verweerder volgens belanghebbende ongemotiveerd en zonder contact op te nemen met belanghebbende zijn verzoek van 13 september 2022 afgewezen om de utb niet op te leggen totdat overleg met een advocaat had plaatsgevonden. Tot slot meent belanghebbende dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat het FIOD-dossier niet meteen volledig aan hem ter beschikking is gesteld. 21. In artikel 22, zesde lid, van het DWU is bepaald dat voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, de douaneautoriteiten hem meedelen op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking. 22. Artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening DWU luidt als volgt:

1. De in artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het wetboek bedoelde mededeling: a) bevat een verwijzing naar de documenten en de informatie waarop de douaneautoriteiten voornemens zijn hun beschikking te baseren; b) vermeldt de termijn waarbinnen de betrokkene zijn standpunt kenbaar kan maken en deze termijn vangt aan op de datum waarop hij deze mededeling ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen; c) bevat een verwijzing naar het recht van de betrokkene op toegang tot de documenten en informatie zoals bedoeld onder a), overeenkomstig de toepasselijke bepalingen.

23. Hieruit volgt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel met zich brengt dat belanghebbende recht heeft op (inzage in) de stukken. Verweerder behoeft deze stukken niet ambtshalve te verstrekken. Belanghebbende dient echter wel gewezen te worden op de mogelijkheid daartoe. 24. Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen van 13 september 2022 belanghebbende niet heeft gewezen op zijn recht op inzage. Dit betekent dat het voornemen niet overeenkomstig de (cumulatieve) verplichtingen van artikel 22 van het DWU, in samenhang gelezen met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsverordening DWU aan belanghebbende kenbaar is gemaakt en dat daarmee het verdedigingsbeginsel is geschonden. 25. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de afkortingen van de betreffende processen-verbaal expliciet in het voornemen zijn opgenomen. Daaruit is echter niet af te leiden dat belanghebbende recht heeft op toegang tot de documenten waarop verweerder het voornemen heeft gebaseerd. De rechtbank weegt daarbij mee dat belanghebbende op dat moment nog niet over rechtsbijstand beschikte. Dat belanghebbende pas in bezwaar heeft verzocht om inzage waarna hem in de hoorfase alle stukken die van belang waren voor het besluit alsnog zijn verstrekt, zoals verweerder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Op dat moment was artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening DWU reeds geschonden en belanghebbende werd niet teruggebracht in de positie waarin hij zou zijn geweest als de schending niet had plaatsgevonden. Dat verweerder de stukken niet ambtshalve hoeft te verstrekken, stelt hem niet vrij van de verplichting om belanghebbende op het recht op inzage te wijzen. 26. Een schending van het verdedigingsbeginsel leidt pas tot vernietiging van het besluit als het besluitvormingsproces zonder schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor dit oordeel is voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de utb van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. 27. Niet kan worden uitgesloten dat het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder schending een andere afloop zou hebben gehad. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de utb met € 2.085.628 verlaagd. Er moet daarom van worden uitgegaan dat belanghebbende, indien hij voorafgaand aan het uitreiken van de utb was gewezen op het recht op inzage en hiervan gebruik had kunnen maken, informatie naar voren had kunnen brengen die tot een andere afloop van het besluitvormingsproces van verweerder had kunnen leiden. Dat is te meer aannemelijk nu belanghebbende in onderdeel 4.2. van de brief van 3 april 2023 waarin het bezwaar wordt aangevuld, erop heeft gewezen dat de utb kennelijk ten onrechte betrekking heeft op 10 containers. Mogelijk zou verweerder dus eerder, vóór het uitreiken van de utb, reeds tot deze conclusie zijn gekomen indien er in de voorfase gewezen was op het recht op inzage en belanghebbende hiervan gebruik had gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

28.Het beroep is gegrond. Door de schending van het verdedigingsbeginsel en doordat wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium dienen de utb en de uob te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Proceskostenvergoeding

29. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en berekent deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten zijn aldus voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de utb;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan belanghebbende te vergoeden; en
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. drs. C.M. van Wechem, leden in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

griffiervoorzitter

Een afschrift van de uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:HR:2016:2195 , r.o. 3.8.5. Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie. Zie: HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 68; HvJ 2 oktober 2003, zaak C-199/99 P, (Corus UK), punten 125 tot en met 128; HvJ 13 februari 1979, zaak 85/76, (Hoffmann-La Roche), punten 9 tot en met 11. Zie: HvJ 9 november 2017, zaak C-298/16, (Ispas), punt 39; conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 122; HvJ 4 juni 2020, zaak C-430/19, (SC C.F.), punt 31. Vgl. HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 103. Zie: Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666 , Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1809 , en Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2161 .