ECLI:NL:RBNHO:2026:12217 Rechtbank Noord-Holland , 19-08-2026 / HAA 26/3729
Samenvatting
Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (zaaknr. HAA 26/3729) - voorzieningenrechter mr. drs. J. de Vries (griffier mr. L.J. Besseling) heeft op 19 augustus 2026 mondeling uitspraak gedaan in het verzoek van [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoekster] (verzoekers; gemachtigde: [gemachtigde], tevens vader respectievelijk echtgenoot) tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (gemachtigden: mr. R.E. Laman, E.J.P. Huijbregts en E. van den Berg). Verzoekers verzochten om schorsing van uitschrijvingen uit de BRP, genomen bij besluiten van 6 juli 2026, 6 juli 2020 en 20 juli 2026, en hadden op 11 juli 2026 bezwaar gemaakt en op 23 juli 2026 voorlopige voorziening verzocht.
Beslissing: het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; geen proceskosten of griffierechtvergoeding.
Feiten en vaststellingen: de gemachtigde van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] sinds ten minste 2023 meer dan acht maanden per jaar buiten Nederland verblijven, namelijk in Libanon, en slechts zes tot acht weken per jaar in Nederland (zomervakantie en soms kerstvakantie). In Libanon wonen en gaan zij naar school. Op basis daarvan oordeelt de voorzieningenrechter voorlopig dat hun vaste verblijfplaats feitelijk buiten Nederland ligt.
Rechtsgrondslag en motivering: de voorzieningenrechter wijst op het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP): betrouwbare registratie van de feitelijke verblijfplaats zodat gebruikers op de juistheid kunnen vertrouwen. Artikel 2.43 lid 1 Wet BRP schrijft voor dat bij verblijf van ten minste acht maanden per jaar in het buitenland aangifte van emigratie moet worden gedaan; bij uitblijven daarvan moet het college ambtshalve uitschrijven (artikel 2.21 lid 2). Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2022:764 en ECLI:NL:RVS:2022:3001) wordt daarbij betrokken. De voorzieningenrechter stelt dat de nadelige gevolgen van uitschrijving voor verzoekers, hun motieven om in Libanon te verblijven, en het negatieve reisadvies voor Libanon geen rol mogen spelen bij de toepassing van de dwingende bepalingen van de Wet BRP.
Ten aanzien van [verzoekster] is vastgesteld dat zij nog geen formeel bezwaar heeft ingediend tegen het besluit. Het op 11 juli 2026 verzonden bericht betrof een zienswijze op een voornemen tot uitschrijving, aangezien op die datum nog geen besluit voor haar was genomen; het college heeft dat terecht als zienswijze kunnen beschouwen. De voorzieningenrechter wijst erop dat voor het treffen van een voorlopige voorziening tegen een besluit eerst bezwaar of beroep aanhangig moet zijn (artikel 8:81 lid 1 Awb).
Conclusie: geen aanleiding voor schorsing van de uitschrijvingen; verzoek afgewezen; geen toekenning van proceskosten of griffierecht; tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om verzoekers in de Basisregistratie personen uit te schrijven naar Libanon. Verzoekers zijn het daar niet mee eens en hebben daarom verzocht om een voorlopige voorziening. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen twijfel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) is dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Ter zitting is bevestigd dat verzoekers al sinds 2023 meer dan acht maanden per jaar buiten Nederland verblijven. Daarmee staat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter vast dat verzoekers hun vaste verblijfplaats buiten Nederland hebben en dus dat zij terecht zijn uitgeschreven in de BRP. De nadelige gevolgen van de uitschrijving voor verzoekers en hun redenen om in Libanon te verblijven, kunnen verder geen rol spelen bij deze beslissing. Dat geldt ook voor het feit dat voor Libanon een negatief reisadvies geldt.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3729
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
en
**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer ** (gemachtigden: mr. R.E. Laman, E.J.P. Huijbregts en E. van den Berg).
Inleiding
Met de bestreden besluiten van 6 juli 2026, 6 juli 2020 en 20 juli 2026 heeft het college respectievelijk [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en hun moeder [verzoekster] in de Basisregistratie personen (BRP) uitgeschreven naar Libanon
Het college heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers (tevens als hun vader, respectievelijk echtgenoot) en de gemachtigden van het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Gronden van de beslissing
1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen twijfel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Hierbij weegt mee dat het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) is dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dient de feitelijke verblijfplaats van verzoekers in de BRP te worden geregistreerd.
2. Verder is ter zitting vastgesteld dat ten aanzien van het besluit jegens [verzoekster] nog geen bezwaar is gemaakt. Weliswaar is op 11 juli 2026 een als bezwaarschrift aangeduid bericht naar het college gestuurd dat onder andere haar uitschrijving betreft. Op die dag was echter nog geen besluit tot uitschrijving van haar genomen, maar had het college uitsluitend een voornemen daartoe uitgebracht. Het college heeft het bericht van 11 juli 2026 in redelijkheid kunnen opvatten als een zienswijze over het voornemen. Als [verzoekster] het niet eens is met de uitschrijving, zal zij nog bij het college bezwaar moeten maken binnen de termijn die daarvoor gesteld is. Alleen als een bewaar of beroep aanhangig is, kan een voorlopige voorziening worden getroffen.
3. Dit alles betekent dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Er is dus ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht van verzoekers.
4. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak erop gewezen dat daartegen geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026 door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: