Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:12216

ECLI:NL:RBNHO:2026:12216 Rechtbank Noord-Holland , 02-09-2026 / HAA 26/2437
Bestuursrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

[eiser] uit [plaats 1] heeft beroep ingesteld tegen het intrekken van zijn vergunning voor het houden van zwarte honingbijen op Texel en tegen een gelijktijdige last onder dwangsom door het college van burgemeester en wethouders van Texel (gemachtigde: M. Oosterdijk). Als derde-partij is betrokken: [derde‑partij] uit [plaats 3]. Deskundigen die bij de zitting aanwezig waren: [naam 5] van Stichting [naam stichting] en [naam 6] van Wageningen University & Research (Wur).

Feiten en procesverloop (korte weergave)

  • Vergunning verleend op 17 april 2024 (voor zwarte honingbij, Apis mellifera mellifera; meldplicht tot medewerking aan herkomstonderzoek).
  • Handhavingsverzoek door [derde‑partij] op 5 februari 2026.
  • Intrekking van de vergunning en oplegging van een last onder dwangsom door het college op 10 maart 2026 (eis: verwijdering bijenkasten op [adres] vóór 1 mei 2026).
  • Bezwaar ongegrond verklaard op 9 juli 2026; eiser ging in beroep op 15 juli 2026 en verzocht vooraf om een voorlopige voorziening. Zitting op 19 augustus 2026; uitspraak op 2 september 2026.

Kern van het geschil Het college baseerde intrekking en dwangsom op twee onderzoeken (Stichting [naam stichting] — vleugelpatroonanalyse; Wur — DNA-onderzoek). Beide onderzoeken concluderen dat de bijenvolken van eiser significant afwijken van de overige Texelse volken en derhalve niet als zuivere zwarte honingbij kunnen worden aangemerkt. Eiser bestreed de onderzoeken: afwijking van Wur‑protocol (in plaats van darren zijn werksters bemonsterd), mogelijkheid dat bemonsterde werksters afkomstig waren van omzwervende bijen of wilde volken, verontreiniging vanuit de rest van Nederland (varroamijt en migratie), en mogelijke partijdigheid van de deskundige van de stichting.

Rechtsopvatting van de voorzieningenrechter en motivering

  • Norm voor beoordeling van deskundigenadvies: een bestuursorgaan mag zich baseren op deskundigenrapporten indien onderzocht is of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Alleen concrete aanwijzingen voor onzorgvuldigheid of onbegrijpelijkheid kunnen ertoe leiden dat het advies niet wordt gevolgd.

  • De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser niet genoeg concrete en onderbouwde aanwijzingen heeft aangevoerd om aan de betrouwbaarheid van beide onderzoeken te twijfelen. De belangrijkste motiveringen:

    • De afwijking van het Wur‑protocol (werksters in plaats van darren) is volgens de Wur‑deskundige niet doorslaggevend: DNA van werksters maakt onderscheid tussen moeder‑ en vaderschap mogelijk; aanvullende Wur‑analyse bevestigde de eerste conclusies.
    • Het onafhankelijke vleugelpatroononderzoek door Stichting [naam stichting] (onderzoek op werksters) levert een vergelijkbare conclusie: significante afwijking van eisers volken ten opzichte van de overige Texelse volken. Dat versterkt elkaar bevestigende bevindingen.
    • Het alternatief‑argument dat bemonsterde werksters van buitenaf zouden komen, faalt: als er wijdverbreide hybridisatie of instroom van andere bijentypes op Texel zou zijn, zou die hybridisatie ook zichtbaar moeten zijn bij andere onderzochte volken; de onderzoeken tonen juist één grote, samenhangende populatie van zuivere zwarte honingbijen naast het afwijkende staal van eiser.
    • De stelling dat de varroamijt laat zien dat bijen migreren is onvoldoende: varroa was al eerder aanwezig en verklaart geen eenzijdige hybridisatie bij enkel de volken van eiser; bovendien is invoer van bijen met vergunning ook mogelijk.
    • Aangevoerde partijdigheid van deskundigen werd niet concreet onderbouwd en kan daarom het rapport niet naar het rijk der twijfel halen.
  • Gevolg: het college mocht op grond van artikel 1:6 APV en de vergunningvoorschriften de vergunning intrekken en handhavend optreden met een last onder dwangsom omdat eiser zonder geldige vergunning handelt.

Proportionaliteit en belangenafweging

  • De voorzieningenrechter acht de intrekking en dwangsom niet onevenredig. Het college heeft overleg met betrokkenen gezocht en handhaving uitgesteld, maar verder uitstel zou het voortbestaan van de zwarte honingbij op Texel in gevaar kunnen brengen door verdere hybridisatie. Dat de maatregel belastend is voor eiser en de exacte oorzaak van hybridisatie niet helder is, maakt de maatregel niet onredelijk in het licht van het beschermingsbelang.

Beslissing en voorlopige voorziening

  • Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; het bezwaar‑besluit blijft in stand; verzoek om voorlopige voorziening (bij de voorzieningenrechter) wordt afgewezen omdat op de inhoud is beslist. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
  • Ambtshalve op grond van artikel 8:72 Awb treft de voorzieningenrechter wel een tijdelijke voorziening: de intrekking en de last onder dwangsom worden geschorst tot 1 februari 2027, omdat partijen op zitting verklaarden geen bezwaar te hebben tegen aanwezigheid van de kasten tot het einde van het voortplantingsseizoen. Tot die datum blijft eisers vergunning effectief; hij moet de kasten vóór die datum verwijderen om dwangsom te voorkomen.

Praktische consequentie

  • Vergunning blijft ingetrokken na 1 februari 2027 tenzij anders beslist; eiser moet uiterlijk vóór die datum zijn bijenkasten verwijderen en verwijderd houden. Tegen het onderdeel beroep van deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes weken.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:5489
Bestuursrecht > Omgevingsrecht
13-08-2026 84% soortgelijk
Partijen en verloop [eiser] uit [woonplaats] (gemachtigde: J.J.A. Leemans) verzoekt het college van burgemeester en wethouders van Almere (gemachtigde: mr. A. van Rossum) om handhaving tegen Imkervereniging Zuid Flevoland (derde-partij; voorzitter: [A])...
ECLI:NL:RVS:2026:3977
Bestuursrecht
08-07-2026 82% soortgelijk
Zaaknr. 202401489/1/R2 — Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak, 8 juli 2026. Partijen en verloop - Eisers/hogerberoepschriftvoerders: [appellant A] en [appellant B], wonend te Mierlo (gemeente Geldrop‑Mierlo). Bijgestaan door mr. G.M. van den Boom. -...
ECLI:NL:RBGEL:2026:2400
Bestuursrecht > Bestuursprocesrecht
26-03-2026 77% soortgelijk
Partijen en procesverloop Verzoekster: [verzoekster] uit [plaats] (gemachtigden mr. G.A. van der Veen en mr. B.N.I. Gerritsen). Verweerder: het College voor de toelating van Gewasbeschermingsmiddelen (gemachtigden mr. K. van der Wart en...
ECLI:NL:RBNNE:2026:2379
Bestuursrecht
16-06-2026 76% soortgelijk
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord‑Nederland (zittingsplaats Groningen; voorzieningenrechter mr. P.G. Wijtsma, griffier mr. F.K. Heiting) heeft op 30 april 2026 het verzoek van [verzoekers] (de Lelietelers, uit [plaats], gemachtigde mr. C.S.G....
ECLI:NL:RBNNE:2025:3969
Bestuursrecht > Omgevingsrecht
02-10-2025 76% soortgelijk
Vonnis samengevat — Rechtbank Noord-Nederland, voorzieningenrechter, 2 oktober 2025, zaaknr. LEE 25/2121 Partijen - Verzoeksters: Vereniging Meten=Weten en Stichting Natuurbeschermingswacht (Meppel), gemachtigden G.W. Starre en H. Baptist. - Verweerder: College van Gedeputeerde...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de intrekking van de vergunning van eiser voor het houden van bijen op Texel en de gelijktijdige oplegging van een last onder dwangsom. Eiser is het niet eens met de intrekking en de last en heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat eiser zich niet heeft gehouden aan de vergunningvoorschriften dan wel onjuiste informatie heeft aangeleverd bij zijn vergunningaanvraag. Dit betekent dat het college de vergunning van eiser mocht intrekken en zodoende ook een last onder dwangsom mocht opleggen wegens het houden van bijen zonder de daarvoor vereiste vergunning. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op grond van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat de last onder dwangsom en de intrekking van de vergunning worden geschorst tot 1 februari 2027. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af."

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 26/2437 (voorlopige voorziening) en 26/3623 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser,

en

**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel ** (gemachtigde: M. Oosterdijk).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij], uit [plaats 3] (de [derde-partij] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de vergunning van eiser voor het houden van bijen op Texel en de gelijktijdige oplegging van een last onder dwangsom. Eiser is het niet eens met de intrekking en de last. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat eiser zich niet heeft gehouden aan de vergunningvoorschriften dan wel onjuiste informatie heeft aangeleverd bij zijn vergunningaanvraag. Dit betekent dat het college de vergunning van eiser mocht intrekken en zodoende ook een last onder dwangsom mocht opleggen wegens het houden van bijen zonder de daarvoor vereiste vergunning. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op grond van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat de last onder dwangsom en de intrekking van de vergunning worden geschorst tot 1 februari 2027.

Procesverloop

2. Op 17 april 2024 heeft het college aan eiser een vergunning verleend voor het houden van zwarte honingbijen op grond van artikel 4:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Texel 2016 (de APV).

2.1. Op 5 februari 2026 heeft de [derde-partij] bij het college een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot de bijen die eiser op Texel houdt.

2.2. De vergunning van eiser heeft het college op 10 maart 2026 op grond van artikel 1:6, aanhef en onder a en c, van de APV ingetrokken. Op dezelfde dag heeft het college een last onder dwangsom opgelegd die inhoudt dat eiser uiterlijk 1 mei 2026 alle bijenkasten op het perceel aan de [adres] in [plaats 2] op Texel verwijdert en verwijderd houdt.

2.3. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en hangende dat bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.

2.4. Op 30 april 2026 heeft het college aangegeven dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

2.5. Op 9 juli 2026 heeft het college beslist op het bezwaar van eiser en dit ongegrond verklaard.

2.6. Op 15 juli 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing op zijn bezwaar.

2.7. Het college heeft op het beroep en het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.8. Eiser heeft een nader stuk ingediend.

2.9. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser; de gemachtigde van het college; en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens de [derde-partij] . Verder waren als deskundigen aan de zijde van het college aanwezig [naam 5] van Stichting [naam stichting] ) en [naam 6] van Wageningen Universtity and Research (de Wur).

2.10. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 17 april 2024 is aan eiser een vergunning verleend voor het houden van bijen op Texel. Deze vergunning geldt uitsluitend voor het houden van zwarte honingbijen (Apis mellifera mellifera). In de vergunning is opgenomen dat eiser in het kader van toezicht verplicht is om mee te werken aan onderzoek naar de herkomst van zijn bijenvolken. Het doel van deze vergunningplicht is om het voortbestaan van de zwarte honingbij op Texel te waarborgen, aangezien de soort in de rest van Nederland nauwelijks meer voorkomt.

3.1. Op 18 juni 2024 zijn de bijen van eiser bemonsterd in aanwezigheid van toezichthouders van de gemeente Texel. De vleugels van de verzamelde bijen zijn vervolgens onderzocht door [naam stichting] . Bijen of bijenlarven zijn ook gebruikt voor DNA-onderzoek door de Wur. Beide onderzoeken richten zich op de bijenvolken van alle imkers op Texel. Uit beide onderzoeken volgt, kort samengevat, dat de bijenvolken van eiser sterk afwijken van de andere bijenvolken op Texel en dat de afwijking wijst op het gebruik van andere soorten of ondersoorten.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit van 9 juli 2026 heeft het college besloten om de intrekking van de vergunning van eiser en de last onder dwangsom te handhaven. Volgens het college heeft eiser in strijd met de vergunningvoorschriften gehandeld, dan wel onjuiste informatie aangeleverd bij zijn aanvraag, nu uit beide onderzoeken blijkt dat zijn volken niet kunnen worden beschouwd als zwarte honingbijen. Gelet op het belang van het voortbestaan van de zwarte honingbij op Texel, blijft het college bij zijn eerdere besluit om de vergunning van eiser in te trekken en een last onder dwangsom op te leggen.

Mag het college uitgaan van de juistheid van de onderzoeken van Wur en [naam stichting] ?

5. Eiser stelt zich in zijn beroep op het standpunt dat het onderzoek waarop het college zich baseert niet deugt en opnieuw moet worden gedaan. Eiser wijst erop dat tijdens de bemonstering is afgeweken van het protocol van de Wur waardoor niet zonder meer mag worden uitgegaan van de conclusie van dat onderzoek. Eiser stelt verder dat de Texelse bijenvolken niet geïsoleerd zijn van de rest van Nederland, waardoor het heel goed mogelijk is dat zijn bijenvolken zijn vervuild door andere bijenvolken van elders in Nederland. Eiser wijst erop dat de varroamijt ook ooit op Texel is beland, hetgeen aangeeft dat bijen zich van en naar Texel begeven. Op Texel leven meerdere wilde bijenvolken en die zijn niet bemonsterd. Daarnaast komt het vaak voor dat honingbijen vliegen naar een bijenkast waar zij niet thuishoren, bijvoorbeeld om honing te stelen. Zodoende acht eiser het goed mogelijk dat de bemonsterde werksters bij zijn kasten niet tot zijn bijenvolken behoren maar van buitenaf kwamen. Deze werksters zijn in dat geval niet representatief voor zijn eigen bijenvolken. Tot slot heeft eiser de onafhankelijkheid van de deskundige van [naam stichting] betwist en stelt hij dat de andere imkers op Texel zich onredelijk opstellen door hem niet te helpen met het omvolken van zijn bijenvolken. De oplossing die de [derde-partij] heeft aangedragen komt erop neer dat eiser zijn eigen volken weghaalt en vervangt voor nieuwe volken die wel zuivere zwarte honingbijen zijn. Volgens eiser is deze oplossing onnodig gecompliceerd.

5.1. Deze grond slaagt niet. Het college baseert zijn beslissing om de vergunning in te trekken en een last onder dwangsom op te leggen op twee onderzoeken, namelijk van [naam stichting] én de Wur. In beginsel mag het bestuursorgaan afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit is pas anders als een partij concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Voor zover eiser de conclusies van de onderzoeken heeft betwist, zal hij dit dus moeten onderbouwen. Eiser heeft erop gewezen dat tijdens de bemonstering is afgeweken van het protocol van de Wur en dat de bemonsterde werksters mogelijk niet tot zijn bijenvolken behoorden. De voorzieningenrechter zal hieronder per argument aangeven waarom dit niet maakt dat getwijfeld moet worden aan de conclusies van beide onderzoeken.

5.2. Uit het protocol van de Wur volgt dat voor het DNA-onderzoek per bijenkast ongeveer tien mannelijke larven (darren) worden verzameld. Bij de kasten van eiser is dit niet gebeurd en zijn in plaats daarvan vrouwelijke bijen (werksters) verzameld bij de ingangen van zijn bijenkasten. Eiser heeft hierover verklaard dat hij het niet verantwoord vond om op de datum van bemonstering zijn bijenkasten open te maken, omdat zijn koninginnen vanwege hun jonge leeftijd nog enkele weken rust nodig hadden. De deskundige van de Wur heeft ter zitting verklaard dat het protocol met name bedoeld is om het afnemen van DNA gemakkelijker te maken. Darren zijn in hun larvestadium namelijk makkelijker te bemonsteren vanwege hun zachte lichaamsstructuur en beschikken enkel over het DNA van de koningin. Volgens de deskundige heeft dit echter geen invloed op de uitkomst van het DNA-onderzoek omdat men in het DNA van de werksters onderscheid kan maken tussen het DNA van de moeder (de koningin) en de vader. De uitkomsten van het onderzoek van de Wur zijn bovendien inmiddels bevestigd in een aanvullend onderzoek van de Wur waar ook uit volgt dat de bijenvolken van eiser sterk afwijken van de bijen van de andere imkers op Texel. Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat het protocol van de Wur geen betrekking heeft op het onderzoek van [naam stichting] . Bij dit onderzoek zijn immers de vleugels van werksters onderzocht en is gekeken naar de gelijkenissen in vleugelpatroon. Ook uit dit onderzoek volgt dat de bijenvolken van eiser afwijken.

5.3. De deskundige van de Wur heeft verder verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat de bij de kasten van eiser bemonsterde bijen niet tot zijn bijenvolken zouden behoren. Zij weerspreekt de stelling van eiser dat de bijen op Texel niet geïsoleerd zijn van de rest van Nederland. Dit suggereert namelijk dat op Texel andere bijen dan de zwarte honingbij voorkomen die zich zouden mengen met de zwarte honingbijen die door de imkers op Texel worden gehouden. De mate van hybridisatie die is waargenomen bij de bijenvolken van eiser zou in dat geval terug te zien moeten zijn bij de andere onderzochte bijenvolken op Texel. Uit het onderzoek van de Wur blijkt echter het tegendeel; de andere onderzochte bijenvolken op Texel vormen één grote populatie die over het algemeen bestaat uit zuivere zwarte honingbijen. De bij eiser bemonsterde werksters wijken dusdanig af dat het aannemelijk is dat deze werksters niet behoren tot andere imkers op Texel of wilde bijenvolken op Texel maar juist afkomstig zijn van de bijenvolken in de kasten van eiser. Het is met andere woorden niet aannemelijk dat alleen de bijenvolken van eiser door bijen van andere soorten of ondersoorten gehybridiseerd zijn. Verder leidt de aanwezigheid van de varroamijt op Texel, gezien de toelichting van de deskundige van [naam stichting] ter zitting, ook niet tot een andere conclusie. De varroamijt heeft zich immers al eind vorige eeuw op Texel gevestigd, zoals ook blijkt uit de door eiser overgelegde stukken, en dus mogelijk vóór de tijd van het verbod om zonder ontheffing of vergunning bijen in te voeren op Texel. Bovendien is het nog steeds mogelijk om met een vergunning zwarte honingbijen in te voeren die mogelijk ook varroamijten dragen. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er nog op dat eiser niet de enige imker is bij wie enkel werksters bemonsterd zijn, maar dat zijn volken wel als enige significant afwijken. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter zorgvuldig en inzichtelijk onderbouwd dat de bijenvolken van eiser niet behoren tot de zwarte honingbij.

5.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser dus niet voldoende onderbouwd dat de onderzoeken niet betrouwbaar zijn. Daarbij is ook van belang dat de gestelde partijdigheid van de deskundige van [naam stichting] niet nader is onderbouwd. Dat eiser het niet eens is met zijn conclusies, is daartoe onvoldoende. Bovendien doet de stelling geen afbreuk aan het DNA-onderzoek van de Wur. Gezien de conclusies van de onderzoeken, was het college bevoegd om de vergunning van eiser in te trekken. Zonder vergunning is eiser in overtreding, waartegen het college in principe handhavend moet optreden door een last onder dwangsom of onder bestuursdwang op te leggen. Dat het niet mogelijk is gebleken om in overleg met de andere imkers op Texel een oplossing te vinden, maakt niet dat de intrekking van de vergunning en de oplegging van de last onredelijk zijn. Het college en de burgemeester hebben met de betrokkenen geprobeerd een oplossing te vinden en dit proces afgewacht. Het college heeft daarmee gewacht met handhavend optreden en riskeert bij langer wachten verdere hybridisatie van de bijenvolken, waarmee het voortbestaan van de zwarte honingbij op Texel in gevaar wordt gebracht. Dat het voor eiser veel werk is om de bijen te verplaatsen en dat de precieze oorzaak van de hybridisatie van zijn volken niet duidelijk is, maakt in het licht daarvan ook niet dat de intrekking van de vergunning en de oplegging van de last onder dwangsom onevenredig zijn.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vergunning van eiser voor het houden van bijen ingetrokken blijft en dat de last onder dwangsom in stand blijft. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen lopende hoofdzaak meer, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb moet worden afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

7. Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting ziet de voorzieningenrechter wel reden om op grond van het vijfde lid van artikel 8:72 van de Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat de last onder dwangsom en de intrekking van de vergunning worden geschorst tot 1 februari 2027. Dit omdat partijen op zitting hebben verklaard dat het voortplantingsseizoen van de zwarte honingbij pas in het voorjaar begint en omdat het college en de [derde-partij] op zitting hebben verklaard daarom tot die datum geen bezwaren te hebben tegen de aanwezigheid van de bijenkasten van eiser.

8. Dit betekent dat de ingetrokken vergunning van eiser tot 1 februari 2027 blijft gelden en dat hij zijn bijenkasten op Texel vóór die datum moet verwijderen en verwijderd moet houden om te voorkomen dat hij de dwangsom verbeurt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • treft ambtshalve een voorlopige voorziening waarmee de last onder dwangsom en de intrekking van de vergunning worden geschorst tot 1 februari 2027.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4444 .