ECLI:NL:RBNHO:2025:16337 Rechtbank Noord-Holland , 04-08-2025 / HAA 24/3392
Samenvatting
Partijen en procedure [eiser] uit [plaats], bijgestaan door mr. A. Kwint (advocaat te Groningen), vorderde verlenging/verlening van een vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij voor de functie (hoofd)werktuigkundige. De verweerder is de minister van Infrastructuur en Waterstaat, gemachtigd door mr. P. van der Meer (ILT). De enkelvoudige kamer van de Rechtbank Noord‑Holland (zaaknr. HAA 24/3392) deed uitspraak op 4 augustus 2025; rechter mr. R.H.M. Bruin, griffier mr. I.A. Bakker. Op 14 november 2023 had eiser een aanvraag ingediend; de minister wilde het onderdeel eerste stuurman toekennen maar de aanvraag voor hoofdwerktuigkundige afwijzen.
Feiten van belang
- Eiser beschikte tot eind 2023 over diverse vaarbevoegdheidsbewijzen (visserij en koopvaardij); het koopvaardij‑bewijs voor tweede werktuigkundige was verlopen (geldig tot 19‑12‑2023).
- Eiser voerde op de aanvraagportal zowel eerste stuurman als hoofdwerktuigkundige op; ter zitting heeft hij verklaard feitelijk alleen verlenging van zijn tweede werktuigkundige koopvaardij te hebben beoogd.
- [onderneming] B.V. stuurde een verklaring (30‑11‑2023 en aanvullend 19‑01‑2024) waarin staat dat eiser van 5‑2‑2020 tot 3‑11‑2022 op het vissersschip [naam vissersschip] 439 dagen in de dubbelfunctie stuurman‑werktuigkundige had gediend; in de aanvullende verklaring werd de ervaring toegedeeld tussen stuurman en werktuigkundige (319 dagen als werktuigkundige volgens [onderneming]).
- Het monsterboekje van eiser vermeldde echter veelal alleen de functie stuurman; volgens de minister waren slechts twee reizen in 2023 aangemonsterd als (hoofd)werktuigkundige.
Rechtskader De rechtbank hanteert de Wet zeevarenden en het Besluit/Regeling zeevarenden (toepasselijk op aanvragen vóór 1‑7‑2025). Voor verlenging is vereist: 12 maanden ervaring in de 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag (of 3 maanden in de 6 maanden‑variant). Ervaring = diensttijd (anmonstering‑afmonstering) in een relevante functie, en alleen bevoegd gevaren dagen tellen mee. Ervaring in zeevisvaart kan voor koopvaardij worden gelijkgesteld; voor de dubbelfunctie stuurman‑werktuigkundige vissersvaartuigen geldt bij vernieuwing dat die ervaring voor de helft wordt toegerekend aan stuurman en voor de helft aan werktuigkundige (Regeling art.10.5).
Standpunten
- Eiser: de 439 dagen op [naam vissersschip] betreffen dubbelfunctie; die dagen moeten volledig meetellen voor zowel stuurman als werktuigkundige (zodat hij ruim aan de 12 maanden eis voldoet). Hij wijst op de maatschapsovereenkomst en erkenning van dubbelfunctie door een Duitse instantie.
- Minister: alleen bevoegd gevaren zeedagen tellen mee; uit bewijsstukken volgt dat veel vaartijd als stuurman is geregistreerd. Voor dubbelfunctie geldt de helft‑verdeling. Bovendien was eiser vanaf 6‑6‑2021 niet langer bevoegd als werktuigkundige op vissersschepen (zijn vaarbevoegdheid visserij vermeldt die functie niet vanaf 4‑8‑2021), zodat slechts de dagen vóór die datum als bevoegd gevaren voor de werktuigkundigefunctie meetellen. Volgens minister levert dat onvoldoende bevoegd gevaren ervaring op.
Beoordeling en motivering rechtbank
- Bewijslast inzake voldoende ervaring rust op eiser. De rechtbank acht vast dat eiser 439 dagen op [naam vissersschip] in een dubbelfunctie heeft gevaren (verklaringen, monsterboek, maatschapsovereenkomst), zodat die tijd in beginsel voor de ervaringsbeoordeling in aanmerking kan komen.
- De rechtbank verwerpt echter het standpunt van eiser dat dubbeltelling volledig is toegestaan: de Regeling bepaalt uitdrukkelijk dat ervaring in de dubbelfunctie voor de helft aan elke functie wordt toegerekend. Volledige dubbeltelling is daarom niet mogelijk.
- Belangrijker: alleen bevoegd gevaren dagen tellen mee. Uit de vaste registratie en de bewijzen volgt dat eiser na 6‑6‑2021 niet bevoegd was om als werktuigkundige visserij te varen; daardoor kunnen slechts de dagen vóór die datum als bevoegd gevaren voor werktuigkundige worden meegeteld. De aanvullende verklaring van [onderneming] geeft aan dat daarvan 141 dagen in 2020 als werktuigkundige waren. Samen met de helftstoedeling en overige monsterboekgegevens blijkt niet dat eiser aan de vereiste 12 maanden bevoegd gevaren ervaring in de relevante periode voldoet. Ook cumulatie met eerdere registratie (vanaf 14‑11‑2018) leidt niet tot voldoende bevoegde werktuigkundige‑tijd.
Beslissing en gevolgen
- Het beroep tegen het besluit van 15‑5‑2024 wordt niet‑ontvankelijk verklaard (geen belang meer). De minister heeft dat besluit herroepen en reeds een proceskostenvergoeding toegekend; de rechtbank hoeft daarover niet opnieuw te beslissen.
- Het beroep tegen het bestreden besluit van 17‑1‑2025 (handhaving van de afwijzing hoofdwerktuigkundige) is ongegrond: de minister heeft de aanvraag voor verlening/verlenging van het vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij voor de functie hoofdwerktuigkundige terecht afgewezen. Er is geen aanleiding tot aanvullende proceskostenvergoeding voor bezwaar/beroep tegen dat bestreden besluit.
- Vermelding slot: tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser niet aan de (bevoegd gevaren) ervaringseis voor verlening van het vaarbevoegdheidsbewijs voor hoofdwerktuigkundige koopvaardij/kustscheepvaart voldeed en het verzoek van eiser daartoe dus terecht afgewezen. Op eiser rust de bewijslast en hij heeft met de door hem ingebrachte bewijsmiddelen, waaronder zijn monsterboekje, niet aannemelijk gemaakt dat hij wel voldoet.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3392
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, gemachtigde: mr. P. van der Meer, juridisch adviseur in dienst bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om verlenging van zijn, althans verlening van, een vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij, voor zover het verzoek ziet op de functie hoofdwerktuigkundige. Eiser is het niet eens met de afwijzing.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de vereisten voor het toekennen van een vaarbevoegdheidsbewijs voor hoofdwerktuigkundige
1.2. Enige in deze uitspraak verkort aangehaalde wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop en feiten
2. Eiser werkt al vele jaren als zeeman op verschillende type schepen en in verschillende functies.
2.1. Hij beschikte de afgelopen jaren – tot eind 2023 - over de volgende vaarbevoegdheidsbewijzen:
I. Visserij: 6 juni 2016 – 6 juni 2021, voor de functies schipper (minder dan 60 meter en minder dan 5000 kW) en stuurman/werktuigkundige. II. Koopvaardij Nederlandse kust: 19 december 2018 – 19 december 2023, voor de functies eerste stuurman (<500 GT, in Nederlandse territoriale wateren) en tweede werktuigkundige (< 3000 kW, in Nederlandse territoriale wateren). III. Visserij: 4 augustus 2021 – 4 augustus 2026, voor de functies stuurman en plaatsvervangend schipper.
2.2. Eiser heeft op 14 november 2023 een aanvraag ingediend voor het verlengen/verlenen van een vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij, in verband met het verlopen van de geldigheidsduur van het onder II hiervoor bedoelde vaarbevoegdheidsbewijs. Uit de screenshot van het aanvraagportaal volgt de aanvraag zag op de functies eerste stuurman en hoofdwerktuigkundige. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij eigenlijk niet voor de functie hoofdwerktuigkundige een vaarbevoegdheidsbewijs wilde maar dat hij zijn aflopende vaarbevoegdheidsbewijs tweede werktuigkundige koopvaardij wilde verlengen.
2.3. Bij brief van 23 november 2023 heeft de minister het voornemen bekend gemaakt om de aanvraag van eiser voor zover die zag op de functie eerste stuurman in te willigen, maar voor de functie hoofdwerktuigkundige af te wijzen.
2.4. In reactie hierop heeft eiser – voor zover hier van belang - een verklaring van [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) van 30 november 2023 aan de minister gezonden. [onderneming] verklaart daarin dat eiser in de periode 5 februari 2020 tot 3 november 2022 op het vissersschip [naam vissersschip] heeft gevaren als hoofdwerktuigkundige, waarvan 6 uur per dag als stuurman.
2.5. Bij brief van 4 december 2023 heeft de minister aan eiser het voornemen herhaald om zijn verzoek af te wijzen, omdat eiser volgens de minister niet heeft aangetoond hoeveel vaartijd hij heeft gemaakt per functie in de door de [onderneming] opgegeven periode aan boord van vissersschip [naam vissersschip] .
2.6. Bij primair besluit van 12 december 2023 heeft de minister de aanvraag toegewezen voor zover de aanvraag zag op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie eerste stuurman koopvaardij/kustvaart, maar afgewezen voor zover de aanvraag betrekking heeft op de functie hoofdwerktuigkundige. Hier heeft eiser bezwaar tegen gemaakt
2.7. Bij besluit van 15 mei 2024 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft het verzoek van eiser voor versnelde behandeling toegewezen. De zitting was gepland op 17 december 2024. Op verzoek van partijen is de zitting uitgesteld vanwege een gewijzigd standpunt van de minister over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
2.8. Op 17 december 2024 vond de hoorzitting in bezwaar plaats.
2.9. Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister het besluit op bezwaar van 15 mei 2024 herroepen, het bezwaar alsnog ontvankelijk verklaard, maar de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag in stand gelaten en het verzoek van eiser om proceskostenvergoeding gedeeltelijk toegewezen (hierna: het bestreden besluit).
2.10. Eiser heeft aangegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit. Eiser heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
2.11. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister vergezeld door [naam] , als inspecteur voortraject in dienst van ILT.
Beoordeling door de rechtbank
3.1. Aangezien eiser geen belang meer heeft bij een oordeel over het herroepen besluit van 15 mei 2024, verklaart de rechtbank het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
3.2. Eiser heeft verzocht om vergoeding van proceskosten – naar de rechtbank begrijpt – in verband met het herroepen van het besluit van 15 mei 2025 en voor de kosten die eiser heeft gemaakt in verband met de hoorzitting in bezwaar.
3.3. De minister heeft het besluit van 15 mei 2024 herroepen, nadat eiser beroep had ingesteld tegen dit besluit. Omdat de minister met het besluit is tegemoetgekomen aan eiser, is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
3.4. De minister heeft aan eiser reeds een proceskostenvergoeding toegekend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt verschijnen op de hoorzitting) en voor verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting, zij het minder verletkostenvergoeding dan eiser had verzocht.
3.5. De minister heeft daarmee de proceskosten voor het indienen van het beroepschrift tegen het besluit van 15 mei 2024 dus reeds vergoed.
3.6. Omdat de minister het primaire besluit van 12 december 2023 niet heeft herroepen, was er voor de minister in beginsel geen aanleiding om een hogere vergoeding toe te kennen, dan voor de proceskosten gemaakt in verband met het beroep tegen het besluit van 15 mei 2024. Het bedrag waar eiser recht op heeft, wordt in ieder geval gedekt door de reeds toegekende vergoeding. Of eiser in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding voor het beroep tegen het bestreden besluit van 17 januari 2025, beoordeelt de rechtbank hieronder. Zoals hierna zal blijken, hoeft de beroepsgrond van eiser gericht tegen de weigering de verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting te vergoeden geen bespreking, omdat het primaire besluit niet zal worden herroepen.
4. Per 1 juli 2025 is de Wet zeevarenden ingetrokken en de Wet bemanning zeeschepen in werking getreden. Op grond van artikel 81, tweede lid, van de Wet bemanning zeeschepen blijft op een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs die is ingediend voor 1 juli 2025, het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaand aan 1 juli 2025. Omdat eiser de aanvraag op 14 november 2023 heeft ingediend, is de Wet zeevarenden en bijbehorende regelgeving nog van toepassing op deze zaak.
5. Iemand die in een of meer in de wet aangewezen functies op een zeeschip werkt, moet een geldig vaarbevoegdheidsbewijs hebben (artikel 18, eerste lid, van de Wet zeevarenden). Zo’n bewijs is beperkt, vijf jaar, geldig. Een van de vereisten voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs is dat de aanvrager bewijst dat is voldaan aan de daarvoor vereiste ervaring: 12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing, óf 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing (artikel 8, tweede lid, van het Besluit zeevarenden). Onder ervaring wordt verstaan de diensttijd in maanden in een bepaalde functie aan boord van in de vaart zijnde zeeschepen, gerekend met ingang van de dag van aanmonstering tot en met de dag van afmonstering (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder aj, van de Wet zeevarenden). Daarbij is wel vereist dat is dienstgedaan in een (relevante) functie die op grond van een toegekende vaarbevoegdheid mocht worden vervuld (artikel 8, tweede lid, van het Besluit zeevarenden).
5.1. Voor eiser geldt dus dat hij in de 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag 12 maanden op grond van een toegekende vaarbevoegdheid ervaring moet hebben opgedaan in de functie (hoofd)werktuigkundige. De minister heeft op de zitting toegelicht dat ervaring als werktuigkundige meetelt voor de vereiste ervaring voor de functie hoofdwerktuigkundige. Omdat de aanvraag is gedaan op 14 november 2023, kan ervaring van eiser in de periode van 14 november 2018 tot 14 november 2023 meetellen voor de beoordeling.
5.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het beroep voorop dat een zeevarende een monsterboekje moet hebben (artikel 35, eerste lid, van de Wet zeevarenden). Daarin wordt door de kapitein bijgehouden op welke dag de zeeman aanmonstert en op welke dag hij afmonstert. De minister gebruikt het monsterboekje om bij de aanvraag om verlen(g)ing van een vaarbevoegdheidsbewijs te controleren of aan de ervaringseis wordt voldaan. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de ervaring in een monsterboekje met een nadere verklaring kan worden aangevuld.
5.3. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt ervaring opgedaan in een relevante functie in de bedrijfstakken handelsvaart (koopvaardij) en zeevisvaart aan elkaar gelijkgesteld (artikel 10.6, eerste en tweede lid, Regeling zeevarenden). Dit betekent dat eiser (relevante en bevoegde) ervaring als werktuigkundige op een vissersschip kan laten meetellen voor de benodigde ervaring voor de verlenging van zijn koopvaardij-vaarbevoegdheidsbewijs voor (hoofd)werktuigkundige.
5.4. De door eiser aangehaalde dubbelfunctie stuurmanwerktuigkundige vissersvaartuigen is in de relevante wet- en regelgeving erkend. De ervaring opgedaan als stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen, wordt daarbij voor de helft geteld voor de functie stuurman, en voor de helft voor de functie werktuigkundige vissersvaartuigen (artikel 10.5, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling zeevarenden).
6. Eiser is zeeman en hij vaart op schepen van < 3000 GT en < 3000 kW. In recente jaren heeft hij gevaren op vissersschip [naam vissersschip] van [onderneming] . Dit is een schip van 42 meter met 502 GT en < 3000 kW. Aan boord is op de brug een geïntegreerde controle- en machinekamer. Deze indeling maakt dat eiser tegelijkertijd als stuurman en machinist(/werktuigkundige) optreedt. Hij heeft aan boord van de [naam vissersschip] dan ook ervaring opgedaan in de dubbelfunctie stuurman-werktuigkundige. Dit volgt ook uit de maatschapsovereenkomst van 19 november 2021. Ter illustratie heeft eiser nog verwezen naar de erkenning van de dubbelfunctie door het Duitse equivalent van de ILT. [onderneming] heeft in het monsterboekje van eiser bij zijn aan- en afmonsteren alleen foutief de functie stuurman vermeld. Daarom heeft [onderneming] de aanvullende verklaring van 19 januari 2024 afgelegd, waaruit volgt dat eiser tussen 5 februari 2020 en 3 november 2022 op de [naam vissersschip] in totaal 439 dagen heeft gevaren in de functie stuurman-werktuigkundige. Volgens eiser moeten de 439 zeedagen zowel volledig voor de functie stuurman, als volledig voor de functie werktuigkundige meetellen. Dan heeft eiser ook voor de functie werktuigkundige voldaan aan de 12 maanden ervaring-eis.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan het 12 maanden ervaring-vereiste voor verlenging van zijn vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij voor werktuigkundige. Uit zijn monsterboekje volgt dat eiser in de relevante periode alleen in 2023 twee zeereizen aangemonsterd was als (hoofd)werktuigkundige. De overige zeereizen was hij aangemonsterd als stuurman visserij, waaronder ook op de [naam vissersschip] . In de verklaring van [onderneming] van 19 januari 2024 is de ervaring van eiser aan boord van de [naam vissersschip] Jverdeeld tussen stuurman en werktuigkundige. Hierbij gaat het om de effectief gevaren dagen. Volgens [onderneming] was eiser in totaal 319 zeedagen aangemonsterd als werktuigkundige. Daarvan kunnen echter alleen de 141 dagen uit 2020 worden meegerekend voor de vereiste ervaring. Eiser was, aldus de minister, per 6 juni 2021 namelijk niet langer bevoegd om te varen als werktuigkundige op een vissersschip, nu deze functie niet is opgenomen op zijn vaarbevoegdheidsbewijs visserij van 4 augustus 2021 (artikel 18, eerste en tweede lid, aanhef en onder i, van de Wet zeevarenden). In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister aanvullend gesteld dat eiser ook niet voldoet aan de vereiste bevoegd gevaren ervaring wanneer voor een dubbelfunctie de helft van de tijd aan elke functie wordt toegerekend. Eiser heeft op de [naam vissersschip] namelijk slechts 282 dagen bevoegd gevaren.
8.1. De bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser voldoet aan de vereiste ervaring als werktuigkundige ligt bij hemzelf. Eiser beroept zich (alleen) op zijn ervaring opgedaan op de [naam vissersschip] als stuurman/werktuigkundige tussen 5 februari 2020 en 3 november 2022. Deze periode valt in de relevante beoordelingsperiode. Desgevraagd heeft eiser op de zitting bevestigt dat andere vaardagen, die zijn opgenomen in zijn monsterboekje binnen de relevante beoordelingsperiode, geen relevante ervaring voor de functie (hoofd)werktuigkundige betrof. De zeedagen aan boord van de [naam vissersschip] zijn volgens eiser – met gebruik van de door hem gehanteerde volledige dubbeltelling voor beide functies – al meer dan genoeg.
8.2. Eiser heeft met de verklaringen van [onderneming] , het monsterboekje en het maatschapscontract voldoende aannemelijk gemaakt dat hij 439 dagen heeft gevaren op de [naam vissersschip] in de dubbelfunctie stuurman/werktuigkundige visserij. In beginsel kan deze ervaring dus meetellen voor de ervaring vereist voor de functie werktuigkundige koopvaardij.
8.3. Voor de dubbelfunctie stuurman/werktuigkundige visserij volgt uit de Regeling zeevarenden dat de ervaring voor de helft wordt toegedeeld aan de functie stuurman, en voor de helft aan de functie werktuigkundige. Het standpunt van eiser dat de vaarttijd voor beide functies volledig moet tellen, zodat eiser 439 dagen ervaring zou hebben als werktuigkundige, volgt de rechtbank daarom niet. In de Regeling zeevarenden is immers bepaald hoe de ervaring in de dubbelfunctie stuurman/werktuigkundige vissersvaartuigen dient te worden meegeteld.
8.4. Daar komt echter nog bij dat gelet op het Besluit zeevarenden alleen bevoegd gevaren zeedagen meetellen voor de vereiste ervaring. Eiser heeft niet aangetoond dat hij na 6 juni 2021 bevoegd was om als stuurman-werktuigkundige visserij te varen. Uit het hiervoor opgenomen overzicht van vaarbevoegdheidsbewijzen volgt dat immers niet. De ervaring die eiser daarna heeft opgedaan als (hoofd)werktuigkundige en stuurman/werktuigkundige telt dus niet mee. Overigens haalt eiser het 12 maanden ervaring-vereiste ook niet wanneer de 439 dagen geheel bevoegd waren gevaren, omdat die dus slechts voor de helft kunnen worden toegerekend aan de functie werktuigkundige.
8.5. De rechtbank merkt daar nog bij op dat uit de (aanvullende) verklaring van [onderneming] van 19 januari 2024 niet volgt dat eiser voor 6 juni 2021 al voldoende zeedagen als bevoegd werktuigkundige op de [naam vissersschip] zou hebben gevaren om aan het 12 maanden ervaring-vereiste voor werktuigkundige te voldoen. Daar staat immers dat eiser voor 6 juni 2021 op 141 zeedagen als werktuigkundige heeft gediend.
8.6. Volledigheidshalve heeft de rechtbank een inschatting gemaakt of eiser met de registraties in het monsterboekje voorafgaand aan de periode op de [naam vissersschip] (teruggaand tot 14 november 2018) samen met de 141 dagen uit de verklaring van [onderneming] aan het ervaringsvereiste voldoet. In die periode was eiser echter volgens het monsterboekje alleen werkzaam als stuurman, zodat hij ook daarmee niet aan de ervaringseis voor (verlenging van) het vaarbevoegdheidsbewijs (hoofd)werktuigkundige voldoet.
8.7. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser niet aan de (bevoegd gevaren) ervaringseis voor verlening van het vaarbevoegdheidsbewijs voor hoofdwerktuigkundige koopvaardij/kustscheepvaart voldeed en de aanvraag dus terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het (terecht ingetrokken) besluit van 15 mei 2024 is niet-ontvankelijk. Omdat de minister het besluit van 15 mei 2024 heeft herroepen, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding voor het instellen van het beroep tegen dat besluit. De minister heeft de proceskostenvergoeding daarvoor echter reeds toegekend, zodat de rechtbank daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.
10. Het beroep tegen het bestreden besluit van 17 januari 2025 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag om verlen(g)ing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs koopvaardij voor de functie hoofdwerktuigkundige in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding voor de in dit verband gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 17 januari 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) ervaring: de diensttijd in maanden, in een bepaalde functie aan boord van in de vaart zijnde zeeschepen, gerekend met ingang van de dag van aanmonstering tot en met de dag van afmonstering; (…)
1. Een ieder die aan boord van een schip een functie vervult als bedoeld in het tweede lid waarvoor krachtens deze wet eisen zijn gesteld, is in het bezit van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie. 2. De vaarbevoegdheden die op de vaarbevoegdheidsbewijzen kunnen worden aangetekend hebben betrekking op de volgende functies: (…) i. schipper zeevisvaart plaatsvervangend schipper zeevisvaart stuurman zeevisvaart stuurman-werktuigkundige zeevisvaart hoofdwerktuigkundige zeevisvaart tweede werktuigkundige zeevisvaart wachtwerktuigkundige zeevisvaart; (…)
De zeevarenden, bedoeld in artikel 33, tweede lid, zijn in het bezit van een geldig monsterboekje.
Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder heeft dienstgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheid is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende vaarbevoegdheden mocht worden vervuld of in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie, gedurende ten minste:
**a. **maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
**b. **maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
1. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt: (…) g. ervaring, opgedaan in de functie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen, voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie stuurman vissersvaartuigen, en voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring in de functie werktuigkundige vissersvaartuigen; (…)
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt ervaring, opgedaan in een relevante functie in een van de bedrijfstakken handelsvaart, zeegaande zeilvaart, zeevisvaart of de Koninklijke Marine, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in een van de andere genoemde bedrijfstakken, met dien verstande dat in de bedrijfstak waarvoor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs is aangevraagd, ten minste 3 maanden ervaring is opgedaan in een functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist. Deze eis geldt niet voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies als scheepswerktuigkundige op schepen in de handelsvaart en in de zeevisvaart en voor het behoud van een vaarbevoegdheid in een relevante functie in een andere bedrijfstak dan die waarin de zeevarende op het moment van de aanvraag tot vernieuwing werkzaam is.