ECLI:NL:RBMNE:2026:6331 Rechtbank Midden-Nederland , 15-09-2026 / 16.023851.26; 16.105519.26 (t.t.z. gevoegd)
Samenvatting
De meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Lelystad; vonnis 15 september 2026, rol voorz. mr. S.M. van Meer, mr. H. den Haan en mr. B.A. Nijs; griffier mr. N. Tressel) heeft [verdachte] (geboren [2012], woonachtig [adres] in [woonplaats]) schuldig verklaard aan drie feiten zoals in paragraaf 3.4 omschreven.
Feiten en omstandigheden
- Feit 1 (oplichting, medeplegen): in de periode 26 september–9 december 2025 heeft [verdachte], tezamen en in vereniging met anderen, zich voorgedaan als bankmedewerker/politie en oudere rekeninghouders (waaronder [aangever 1] t/m [aangever 12]) bewogen tot het afgeven van betaalpassen, pincodes, geld, sieraden en andere waardevolle goederen. Dit vond plaats in meerdere plaatsen (onder meer ’s‑Gravenhage, Venray, Schiedam, Bodegraven, Gulpen, Alphen a/d Rijn, Winschoten, Groningen, Appingedam, Makkum; ook Huizen en Blaricum bleken uit dossier).
- Feit 2 (diefstal door vereniging met valse sleutels): in diezelfde periode en samenhangend met feit 1 zijn met de verkregen inloggegevens, pincodes en passen opnamen en betalingen gedaan; totaal weggenomen ongeveer €26.319,90 en bankpassen.
- Feit 3 (openlijke geweldpleging): op 30 augustus 2025 heeft [verdachte] in [woonplaats] samen met anderen [slachtoffer] meerdere malen geslagen, geduwd, aan het haar getrokken en besprongen.
Bewijs en procesverloop
- [verdachte] heeft ter zitting van 1 september 2026 bekentenissen afgelegd voor feiten 1, 2 en 3. De rechtbank baseerde haar oordeel daarnaast op proces‑verbalen van aangifte van twaalf aangevers ([aangever 1]–[aangever 12]) en rapportages (o.a. bevindingen 6 okt. 2025 voor het geweldsfeit).
- Officier van justitie mr. M. Kamper gaf aan bewijzen voldoende; voor sommige pleegplaatsen vroeg zij vrijspraak (Harkema, Surhuisterveen, Vlaardingen voor feit 1; Schiedam, Winschoten, Harkema, Surhuisterveen voor feit 2). De verdediging (mr. T.S.S. Overes) voerde geen bewijsverweer en verwees naar adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming.
- De rechtbank verbeterde taalfouten in de tenlastelegging zonder nadeel voor [verdachte] en verklaarde overige onderdelen niet bewezen.
Kwalificatie en motivering straf
- Kwalificatie: medeplegen van oplichting (meermalen), diefstal door vereniging met valse sleutels (meermalen) en openlijke geweldpleging.
- Motivering: de rechtbank acht de feiten ernstig (gericht tegen vooral ouderen van 66–92 jaar, schending woonveiligheid en vertrouwen in banken/politie; en het grove, publiekelijk gepleegde geweld). Tegelijk acht zij persoonlijke omstandigheden relevant: geen eerdere veroordelingen; voorlopige diagnose van licht verstandelijke beperking (LVB) uit psychologisch onderzoek; jonge leeftijd; kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Raad en LJ&R adviseerden deels voorwaardelijke maatregelen en gespecialiseerde begeleiding; er bestond eveneens aandacht voor reeds ingezette civiele hulpverlening (Nova Forte Zorg).
Straf en voorwaarden
- Opgelegde straf: geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 uren werkstraf (in plaats van doorgezette jeugddetentie), met aftrek van voorarrest (rechter ging uit van 7 dagen) en proeftijd 2 jaar. Bij niet‑naleving: vervanging door 50 dagen jeugddetentie. Voorwaarden: geen contact met medeverdachte (parketnr. 16.023851.26), medewerking aan positieve schoolgang/dagbesteding en vrijetijdsbesteding (werk/sport), meewerken aan hulpverlening via Nova Forte of vergelijkbaar, en aanvullende hulp op aanwijzing jeugdreclassering. Toezicht en begeleiding zijn opgedragen aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (in verband met LVB).
- Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
Burgerlijke vorderingen
- [aangever 6]: vordering €4.000 volledig toegewezen; omdat [verdachte] ten tijde van de feiten nog geen 14 jaar was, is moeder civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk (met mededader) en veroordeeld tot betaling met wettelijke rente vanaf 10 november 2025.
- [aangever 5] (€20.000) en [aangever 1] (€2.000): vorderingen niet‑ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en onevenredige belasting van strafgeding; deze vorderingen dienen bij de civiele rechter te worden aangemaakt. Proceskosten verdeeld (ieder draagt eigen kosten).
Slotsom De rechtbank motiveert een deels zorggerichte, voorwaardelijke aanpak: straf als stok achter de deur gecombineerd met verplicht toezicht en LVB‑gerichte begeleiding, rekening houdend met de ernst van de feiten en de kwetsbare jeugdige persoonlijkheid van [verdachte].
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (bankhelpdeskfraude) en het vervolgens gebruiken van de verkregen pinpassen (kort gezegd: diefstal in vereniging met valse sleutel, meermalen gepleegd). Daarnaast wordt zij veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Aan verdachte wordt een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, met aftrek van het voorarrest, opgelegd.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.023851.26; 16.105519.26 (t.t.z. gevoegd) Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de strafzaak van:
1 Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 1 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- [verdachte] ;
- de officier van justitie: mr. M. Kamper;
- de advocaat van [verdachte] : mr. T.S.S. Overes (hierna: de advocaat);
- de moeder van [verdachte] ;
- [verdachte] ’s toezichthouder bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: LJ&R);
- een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij, samengevat:
Al dan niet samen met een ander, in de periode van 26 september 2025 tot en met 9 december 2025:
feit 1: twaalf personen heeft opgelicht door zich voor te doen als bankmedewerker en hen te bewegen tot het afgeven van hun bankpas en pincode, (een kluis met) geld, sieraden, horloge(s), en/of (andere) waardevolle goederen,
feit 2: van twaalf personen geld heeft gestolen door onbevoegd te pinnen.
feit 3: op 30 augustus 2025 in [woonplaats] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16.023851.26 en 16.105519.26 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1, 2 en 3.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
3.1.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de aan haar onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 moet [verdachte] worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de pleegplaatsen Harkema, Surhuisterveen en Vlaardingen. Ten aanzien van feit 2 moet [verdachte] worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de pleegplaatsen Schiedam, Winschoten, Harkema en Surhuisterveen.
3.2.
De advocaat voert geen verweer tegen het bewijs.
3.3.
3.3.1.
[verdachte] bekent dat zij feit 1 en feit 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens haar is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 1 september 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 7 november 2025, pagina’s 56 tot en met 58;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] inclusief bijlagen van 11 november 2025, pagina’s 78 tot en met 86;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 11 november 2025, pagina’s 101 tot en met 103;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 25 november 2025, pagina’s 121 tot en met 124;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] van 10 november 2025, pagina’s 146 tot en met 148;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] van 13 november 2025, pagina’s 160 tot en met 162;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] van 1 december 2025, pagina’s 175 tot en met 180;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] van 25 november 2025, pagina’s 193 tot en met 195;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] inclusief bijlage van 19 december 2025, pagina’s 208 tot en met 211;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 10] van 12 december 2025, pagina’s 222 tot en met 224;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 11] van 8 december 2025, pagina’s 238 tot en met 240;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 12] van 10 oktober 2025, pagina’s 261 tot en met 266.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.2
De feiten ten aanzien van aangever [aangever 12] zijn gepleegd in Huizen (oplichting) en Blaricum (pinnen). Deze plaatsen zijn niet opgesomd in de tenlastelegging. Desondanks komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van ook deze feiten, nu de tenlastelegging ook ‘althans in Nederland’ vermeldt, uit het procesdossier voldoende de toedracht van deze feiten blijkt en ter zitting is gebleken dat voor verdachte duidelijk was op welke feiten de tenlastelegging betrekking heeft.
3.3.3
[verdachte] bekent dat zij feit 3 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens haar is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 1 september 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 11 september 2025, pagina’s 10 tot en met 14;
- het proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2025, pagina’s 19 tot en met 22.
3.4.
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
feit 2:** diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd**
feit 3:** openlijke geweldpleging**
4.2.
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5 Straf
5.1.
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen hechtenis als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:
- een contactverbod met de medeverdachte in de zaak onder parketnummer 16.023851.26;
- meewerken aan een positieve schoolgang en/of andere positieve dagbesteding;
- meewerken aan positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport;
- meewerken aan hulpverlening vanuit Nova Forte Zorg of een soortgelijke instelling;
- meewerken aan aanvullende hulpverlening wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht.
De officier van justitie vindt het belangrijk dat de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Flevoland toezicht zal houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan zal begeleiden, gelet op de aanwijzingen van een licht verstandelijke beperking (hierna: LVB) van [verdachte] .
5.2.
De advocaat heeft verzocht aan te sluiten bij het advies van de Raad. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 heeft de advocaat verzocht er rekening mee te houden dat de kans bestaat dat misbruik is gemaakt van de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van [verdachte] . De advocaat heeft verzocht rekening te houden met de verstandelijke beperking en jonge leeftijd van [verdachte] .
De advocaat heeft verzocht een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geëist door de officier van justitie. De advocaat heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste taakstraf iets te matigen.
5.3.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de zitting is gebleken.
Allereerst heeft [verdachte] zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting, door bankhelpdeskfraude, van twaalf personen van (destijds) tussen de 66 en 92 jaar oud. Nadat een ander, die zich telefonisch voordeed als een bankmedewerker of een medewerker van de politie, de slachtoffers ervan hadden weten te overtuigen dat zij hun bankpassen, pincodes, sieraden, horloge en/of contante geldbedragen moesten afgeven, kwam [verdachte] , als medewerker van de bank of de politie, bij hen aan de deur om de bankpassen, sieraden, horloge en/of contante geldbedragen op te halen of mee te nemen. Vervolgens heeft [verdachte] geldbedragen gestolen door met de met de oplichting verkregen bankpassen en pincodes geld op te nemen en betalingen te doen. Ook heeft ze bij twee van de opgelichte personen grote bedragen aan contant geld gestolen. Hoewel [verdachte] niet het brein was achter de bankhelpdeskfraude, heeft zij daar wel een aanzienlijke rol in gespeeld. [verdachte] heeft met haar handelen niet alleen het eigendomsrecht van de slachtoffers geschonden, maar ook hun vertrouwen in de samenleving en de medemens geschaad. Dat dit zich afspeelde bij de woningen van de slachtoffers, de plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen, en dat de slachtoffers oudere, kwetsbare personen waren, maakt dit extra kwalijk. Met de bankhelpdeskfraude is bovendien het vertrouwen in het economisch verkeer en in de politie geschaad.
Daarnaast heeft [verdachte] zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer is meerdere keren geslagen, geduwd en aan haar haren getrokken. Door haar handelen heeft [verdachte] op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. [verdachte] heeft onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen van haar handelen voor het slachtoffer. Bovendien veroorzaakt dergelijk geweld, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen.
De rechtbank rekent dit alles [verdachte] aan.
De rechtbank heeft gekeken naar:
- het strafblad van [verdachte] van 22 juli 2026;
- een rapport van een psycholoog die [verdachte] heeft onderzocht van 29 mei 2026;
- een advies van de Raad van 25 augustus 2026;
- een rapport van de LJ&R van 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] van 22 juli 2026 waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat [verdachte] niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, waardoor de psycholoog onvoldoende zicht heeft kunnen krijgen op de psychische gesteldheid, emoties, motieven en belevingswereld van [verdachte] . Wel is een LVB als voorlopige diagnose vastgesteld. De LVB was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Het is aannemelijk dat de LVB, met daarbij passend beperkt probleeminzicht, beïnvloedbaarheid en achterlopende vaardigheden in emotieregulatie en oordeelsvorming, de kwetsbaarheid van [verdachte] in risicovolle situaties heeft vergroot. Hoe dit in de ten laste gelegde feiten heeft doorgewerkt kan echter onvoldoende worden geduid. Het risico op toekomstig gewelddadig of anderszins grensoverschrijdend gedrag wordt als verhoogd ingeschat. De hoogte van het risico kan echter eveneens onvoldoende worden geduid vanwege de eerder omschreven beperkingen binnen het onderzoek.
Het is volgens de psycholoog belangrijk dat hulpverlening wordt ingezet, waarbij in eerste instantie de nadruk moet liggen op stabiliteit, veiligheid, structuur, toezicht en passende dagbesteding of onderwijs. De begeleiding dient concreet, praktisch en LVB-passend te worden vormgegeven. Vanuit deze basis kan door middel van procesdiagnostiek meer zicht worden verkregen op de onderliggende problematiek en kan worden gewerkt aan coping vaardigheden, emotieregulatie, sociale vaardigheden, weerbaarheid en het leren herkennen van risicovolle situaties. Daarnaast is systeemgerichte hulp noodzakelijk.
De Raad ziet zowel beschermende als risicofactoren. De beschermende factoren zijn dat de moeder betrokken is en openstaat voor hulp. Ook lijkt er een goede band te zijn tussen de coach vanuit Nova Forte Zorg en [verdachte] . Daarnaast heeft [verdachte] zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en staat zij inmiddels open voor onderwijs in [plaats] . Er zijn echter ook nog zorgen. [verdachte] gaat op dit moment nog niet naar school en er zijn zorgen over haar middelengebruik en netwerk.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Aan het voorwaardelijke deel dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden. Nu in het rapport van de psycholoog een voorlopige diagnose van LVB bij [verdachte] is vastgesteld, is het belangrijk dat het toezicht en de begeleiding vanuit de jeugdreclassering hierop worden aangepast. De Raad adviseert daarom om de begeleiding uit te laten voeren door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Deze instelling is namelijk gespecialiseerd in LVB-problematiek.
De toezichthouder van [verdachte] complimenteert [verdachte] voor haar inzet de afgelopen maanden. [verdachte] is op bijna alle afspraken met de toezichthouder verschenen en Nova Forte Zorg is ook positief over [verdachte] . De toezichthouder van [verdachte] sluit zich aan bij het advies van de Raad. Tegelijkertijd heeft de toezichthouder op zitting aangegeven dat er inmiddels al veel hulp is ingezet in het civiele kader. Het risico bestaat dat [verdachte] en haar moeder worden overvraagd en daarom is het belangrijk dat er niet nog meer hulpverleners betrokken raken. De toezichthouder is daarom van mening dat er geen jeugdreclasseringsmaatregel moet worden opgelegd.
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Vanwege die ernst is een jeugddetentie passend. Gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden is de rechtbank echter van oordeel dat [verdachte] niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Wel vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, het belangrijk dat [verdachte] een voorwaardelijke straf krijgt. Dit is nodig als stok achter de deur om [verdachte] gemotiveerd te houden om uit de criminaliteit te blijven. Daarbij acht de rechtbank het op grond van wat hiervoor is beschreven over de persoonlijke omstandigheden en de benodigde behandeling noodzakelijk dat aan [verdachte] de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals hierna geformuleerd.
De rechtbank legt daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur op, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank is hierbij uitgegaan van een voorarrest van 7 dagen.
De rechtbank zal, gelet op de straf die zij aan [verdachte] zal opleggen, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6 Vordering benadeelde partij
6.1.
[aangever 6] heeft zich gevoegd als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een vergoeding van € 4.000,-, bestaande uit materiële schade.
[aangever 5] heeft zich gevoegd als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een vergoeding van € 20.000,-, bestaande uit materiële schade.
[aangever 1] heeft zich gevoegd als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een vergoeding van € 2.000,-, bestaande uit materiële schade.
6.2.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Nu [verdachte] ten tijde van de feiten 1 en 2 13 jaar oud was, is de moeder van [verdachte] civielrechtelijk aansprakelijk voor deze schade. De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.
6.3.
De advocaat heeft verzocht de vorderingen af te wijzen. Ten aanzien van de vordering van [aangever 6] merkt de advocaat op dat in de vordering is vermeld dat de ABN AMRO de schade niet heeft vergoed, terwijl deze bank dit soort schade normaal gesproken wel vergoedt. De advocaat betwijfelt of de stelling van [aangever 6] dat de bank het bedrag niet heeft vergoed, wel klopt.
6.4.
Voor de vordering van benadeelde partij [aangever 6] geldt dat door de bewijsmiddelen en de omschrijving van de vordering is komen vast te staan dat [verdachte] door de feiten 1 en 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is door [aangever 6] voldoende onderbouwd en namens [verdachte] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 4.000,- daarom volledig toe.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van [verdachte] die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedragingen van [verdachte] kunnen wel worden aangemerkt als onrechtmatige daden, en als zij veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die haar ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de bewezenverklaarde feiten wordt de vordering echter, op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen diens ouders of voogd.
De moeder van [verdachte] wordt daarom veroordeeld om € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
De moeder van [verdachte] wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd. De moeder van [verdachte] is daarom voor de geleden schade ter hoogte van € 4.000,- naar burgerlijk recht met de mededader van [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de moeder van [verdachte] tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
Nu niet [verdachte] zelf, maar haar moeder wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, zal de rechtbank op grond van artikel 77h lid 4 Sr jo artikel 6:164 BW niet overgaan tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt dat door de benadeelde partijen schade is geleden. De vorderingen die zijn ingediend roepen bij de rechtbank echter vragen op, waardoor niet – op een binnen het strafproces aanvaardbare manier – is vast te stellen of de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast ontbreekt een toereikende onderbouwing. Dit betekent dat de behandeling van de gehele vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in de gehele vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
7 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
8 De beslissing
De rechtbank:
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar;
-
veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 (honderd) uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie;
-
bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 uren per dag die [verdachte] in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
-
bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
-
als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben met de medeverdachte in de zaak met parketnummer 16.023851.26;
- zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een positieve schoolgang en/of andere positieve dagbesteding;
- zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport;
- zal meewerken aan hulpverlening vanuit Nova Forte Zorg of een soortgelijke instelling;
- zal meewerken aan aanvullende hulpverlening wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht;
waarbij aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- wijst de vordering van benadeelde partij [aangever 6] toe tot een bedrag van € 4.000,- bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de moeder van [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan benadeelde partij [aangever 6] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2025 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, de moeder van [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de moeder van [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de moeder van [verdachte] , in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de moeder van [verdachte] , in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter tevens kinderrechter, mr. H. den Haan en mr. B.A. Nijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
**Bijlage I: De tenlastelegging **
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.023851.26):
(in de zaak met parketnummer 16.105519.26):