ECLI:NL:RBMNE:2026:6328 Rechtbank Midden-Nederland , 18-08-2026 / C/16/611590 / FL RK 26-609
Samenvatting
Rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) deed op 18 augustus 2026 uitspraak in een verzoek om voorlopige voorzieningen tussen [de vrouw] (advocaat mr. L.D.H. Lesmeister) en [de man] (advocaat mr. R.J.J. Copper). Partijen zijn getrouwd en hebben drie minderjarige dochters: [minderjarige 1] (2012), [minderjarige 2] (2014) en [minderjarige 3] (2015). De zitting vond plaats op 6 augustus 2026; de Raad voor de Kinderbescherming werd gehoord (vertegenwoordiger [A.]) en de drie kinderen spraken apart met de rechter.
Belangrijkste beslissingen
- Toevertrouwing: de rechtbank vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw (zij krijgt de dagelijkse verzorging). Dit volgt mede uit overeenstemming tussen partijen en de feitelijke situatie.
- Zorgregeling: vaststelling van een omgangsregeling waarbij de kinderen in de oneven weken van woensdag na school tot maandag voor school bij de man verblijven; de man haalt de kinderen op en brengt ze terug. De regeling geldt ook in beginsel tijdens schoolvakanties, tenzij partijen anders overeenkomen. Overdrachten vinden op of rondom het schoolplein plaats (neutraal terrein).
- Woongebruik: voorlopig exclusief gebruik van de woning aan [adres 1] komt toe aan de vrouw; uitsluitend gebruik van de woning aan [adres 2] komt toe aan de man. Partijen betaalden onderling af dat ieder de gebruikerslasten van de woning waarvoor hij/zij verblijft draagt.
- Kinderalimentatie: de man moet vanaf de datum van deze beschikking kinderalimentatie betalen van € 304 per kind per maand aan de vrouw.
- Overige verzoeken: meer of anders verzochte voorzieningen zijn afgewezen.
Motivering en juridische overwegingen
- Zorgregeling: de rechtbank koos voor een eenduidige, structurele regeling omdat stabiliteit en voorspelbaarheid in het belang van de kinderen staat, ook al heeft [minderjarige 1] aangegeven tijdelijk minder behoefte aan contact met de man. De Raad onderschreef het belang van contact met beide ouders. Een co-ouderschapsregeling wees de rechtbank af wegens de frequent en onvoorspelbaar geachte zakelijke reizen van de man naar Nigeria, die de uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid zouden ondermijnen. De vrouw draagt al het grootste deel van de zorg en kan niet worden verplicht constant flexibiliteit te tonen voor plotselinge reizen van de man.
- Overdrachten: vanwege eerdere vervelende incidenten bij de woning van de vrouw bepaalde de rechtbank overdracht op neutraal terrein (schoolplein) om nieuwe spanningen te voorkomen.
- Woongebruik: partijen waren het eens over de verdeling; de man had [adres 1] verlaten en de vrouw woonde daar met de kinderen, reden om exclusief gebruik aan haar toe te kennen; overeenkomstig werd de andere woning aan de man toegewezen.
- Kinderalimentatie – ingangsdatum: de rechtbank koos als ingangsdatum de datum van de beschikking omdat onvoldoende is gebleken wie eerdere kosten voor de kinderen heeft gedragen en omdat vanaf die datum duidelijkheid bestaat over verzorging, zorgregeling en woonsituatie.
- Berekening alimentatie: de behoefte van elk kind is door partijen vastgesteld op € 643 per maand. De rechtbank hanteerde de door de Expertgroep Alimentatie voorgeschreven methode: netto besteedbaar inkomen (NBI), woonbudget 30% van NBI en forfaitaire kosten levensonderhoud €1.365; 70% van de resterende draagkrachtruimte is beschikbaar voor kinderalimentatie.
- Man: rechtbank wees het door de man opgevoerde standpunt dat hij geen inkomen heeft af wegens onvoldoende onderbouwing (lege stukken, geen bewijs lening en onduidelijkheid over investeringen). Daarom werd uitgegaan van gemiddelde winst uit onderneming 2023–2025 (€119.686; €80.190; €49.782 → gemiddeld €83.219), resulterend in een NBI van €4.721 en een draagkracht van €1.358 per maand.
- Vrouw: de rechtbank ging uit van haar WW‑betaalspecificatie (jun 2026) met NBI €2.986 en draagkracht €508 per maand.
- Gezamenlijke draagkracht €1.860 < gezamenlijke behoefte €1.929, tekort €69: ieder moet volledige draagkracht inzetten. De man krijgt een zorgkorting van 25% van de behoefte (€482), maar wegens het gezamenlijke tekort vermindert de rechtbank die korting met de helft van het tekort (€35), zodoende een netto zorgkorting voor de man van €447. Daardoor resteert van zijn draagkracht €911, oftewel €304 per kind per maand.
Aanvullend
- De rechtbank stuurde een toelichtende brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 3] (en maakte deze beschikbaar aan [minderjarige 2] op verzoek), waarin zij de beslissing uitlegde, het belang van rust en structuur benadrukte en inging op de gevoelens van [minderjarige 1].
- Uitspraak is gedaan door mr. E.G. de Jong (kinderrechter) en griffier mr. F.M. de Hart.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen voor tijdens de echtscheidingsprocedure. Toevertrouwing kinderen, zorgregeling, gebruik van de echtelijke woning(en) en kinderalimentatie.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/611590 / FL RK 26-609
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 18 augustus 2026
in de zaak van:
tegen
1 De procedure
1.1 De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, binnengekomen op 13 mei 2026;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de man met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 3 augustus 2026;
- twee berichten (met bijlagen) van de vrouw van 5 augustus 2026.
1.2 De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw met haar advocaat;
- de man met zijn advocaat en een tolk;
- [A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3 Tijdens de zitting heeft mr. Lesmeister spreekaantekeningen overgelegd en deels voorgedragen.
1.4 De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de dochters van partijen, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Zij hebben daarover – los van elkaar – op 5 augustus 2026 met de rechter gesproken. [minderjarige 1] heeft ook een brief aan de rechter geschreven.
2 Waar deze procedure over gaat
2.1 Partijen zijn met elkaar getrouwd.
2.2 Partijen hebben samen drie kinderen:
2.3 De vrouw wil scheiden. Zij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.4 De vrouw verzoekt de rechtbank om:
- de kinderen aan haar toe te vertrouwen;
- een zorgregeling vast te stellen;
- te beslissen dat alleen zij de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] mag gebruiken;
- te beslissen dat de man met ingang van 1 april 2026 kinderalimentatie moet betalen van € 469,- per kind per maand;
2.5 De man vindt dat de verzoeken van de vrouw over de toevertrouwing van de kinderen aan haar en het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] kunnen worden toegewezen. De man vindt dat de andere verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen. De man verzoekt de rechtbank om:
- een zorgregeling vast te stellen;
- te bepalen dat de kinderen volledig bij de vrouw verblijven gedurende de periodes waarbij de man in Nigeria verblijft in verband met zakelijke reizen;
- te beslissen dat alleen de man de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] mag gebruiken.
3 De beoordeling
3.1 De rechtbank vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw. Dat betekent dat de vrouw de (dagelijkse) zorg over de kinderen krijgt. De rechtbank neemt deze beslissing omdat partijen het hierover eens zijn en aan deze afspraak feitelijk al uitvoering wordt gegeven.
3.2 Daarnaast stelt de rechtbank een zorgregeling vast tussen de man en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen in de oneven weken van woensdag na school tot maandag voor school bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen op school ophaalt en daar weer terugbrengt.
3.3 De rechtbank vindt deze zorgregeling voor nu het beste voor de kinderen, omdat deze de kinderen – maar ook partijen – duidelijkheid en structuur geeft. Ook zal de zorgregeling hetzelfde zijn voor alle drie de kinderen, ondanks dat [minderjarige 1] op dit moment minder behoefte heeft aan contact met de man als gevolg van nare gebeurtenissen in het verleden. De rechtbank vindt namelijk – net als de Raad – dat het in het belang van (de ontwikkeling van) kinderen is om een goed contact met allebei hun ouders te hebben. Het is de afgelopen periode onstuimig geweest, maar door een structurele zorgregeling vast te stellen hoopt de rechtbank dat dit beter wordt en er ook weer ruimte ontstaat voor fijn contact tussen de man en [minderjarige 1] .
3.4 De man verzoekt een co-ouderschapsregeling. De rechtbank vindt dit op dit moment niet reëel. Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de man regelmatig naar Nigeria afreist voor zijn werk en dit voor spanningen zorgt. Volgens de man is dit ongeveer zes weken per jaar, maar volgens de vrouw is het meer: in de periode van september 2025 tot mei 2026 was de man al negen weken in Nigeria. De man vindt dat de vrouw de kinderen moet opvangen wanneer hij (plots) naar Nigeria moet, maar daar is de vrouw het niet mee eens. Zij heeft uitgelegd dat het bijvoorbeeld is voorgekomen dat de man vanaf Schiphol belde dat hij onderweg was naar Nigeria. De vrouw werd hierdoor overvallen en voor het voldongen feit gesteld dat zij de kinderen vanaf dat moment moest opvangen. Dit kan niet (meer) van de vrouw worden verlangd. De vrouw neemt al het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich en is daarnaast druk bezig met het vinden van een nieuwe baan. Niet kan worden verwacht dat zij haar (werk)agenda aan de kant schuift, omdat de man dit van haar verlangt. Partijen zijn immers uit elkaar en het is niet de bedoeling dat zij ter beschikking van de man (blijft) staan en alle flexibiliteit van haar kant moet komen. Bovendien zorgt het voor onrust en onduidelijkheid voor de kinderen als de man naar Nigeria vertrekt op momenten waarop zij volgens de zorgregeling bij hem zouden verblijven. De frequentie en duur van de reizen van de man maken een co-ouderschapsregeling daarom op dit moment onvoldoende uitvoerbaar en voorspelbaar. Van de man wordt verwacht dat hij zijn ouderlijke verantwoordelijkheid neemt en zijn reizen naar Nigeria zoveel mogelijk plant op de dagen waarop de kinderen niet bij hem zijn. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling geeft hem meer ruimte om zijn reizen daaromheen te plannen en geeft de kinderen tegelijkertijd duidelijkheid over wanneer zij bij welke ouder verblijven.
3.5 De vrouw verzoekt een regeling waarbij de kinderen eens per twee weken een weekend en daarnaast iedere woensdag op donderdag bij de man verblijven. De rechtbank vindt deze regeling te onrustig voor de kinderen, omdat zij dan in die andere week voor één nacht heen en weer moeten en het voor de man binnen deze regeling moeilijker is om zijn reizen naar Nigeria daaromheen te plannen. Zoals ook de Raad heeft benadrukt, is het juist in deze onstuimige periode belangrijk dat de kinderen een zo vast en rustig mogelijke structuur hebben. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling doet daar naar het oordeel van de rechtbank het meeste recht aan.
3.6 De rechtbank merkt daarnaast op dat de zorgregeling zal doorlopen in de schoolvakanties, tenzij partijen samen andere afspraken maken. Tijdens de schoolvakanties gelden in principe dezelfde tijden: namelijk de eindtijd van school op woensdagmiddag en de begintijd van school op maandagochtend. De overdracht vindt dan plaats op of rondom het schoolplein, tenzij partijen hierover in onderling overleg en met wederzijds goedvinden andere afspraken maken**. **De rechtbank kiest hiermee bewust voor een overdracht op neutraal terrein. De vrouw heeft aangegeven niet te willen dat de man voor de overdracht onaangekondigd bij haar woning verschijnt omdat zich in het verleden bij de woning enkele vervelende incidenten hebben voorgedaan. Met een overdracht op of rondom het schoolplein wordt voorkomen dat hierover tussen partijen nieuwe spanningen ontstaan.
3.7 Partijen hebben samen twee woningen in [woonplaats] . Het gezin woonde in de woning in de [adres 1] en was bezig met de overgang naar de woning aan de [adres 2] . Gelet op deze situatie zal de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorziening ervan uitgaan dat sprake is van twee echtelijke woningen. Partijen gaan daar zelf ook van uit en over de inhoud van de verzoeken ten aanzien van de woningen bestaat bovendien overeenstemming. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen over het voorlopig gebruik van beide woningen.
3.8 De rechtbank beslist dat alleen de vrouw de woning aan de [adres 1] mag gebruiken. Dat betekent dat de man de woning zonder toestemming van de vrouw niet meer mag binnenkomen. De rechtbank neemt deze beslissing omdat partijen het hier over eens zijn geworden. Bovendien heeft de man deze woning al verlaten en verbleef de vrouw hier de afgelopen periode alleen met de kinderen.
3.9 De rechtbank beslist dat alleen de man de woning aan de [adres 2] mag gebruiken. Dat betekent dat de vrouw zonder toestemming van de man niet meer mag binnenkomen. De rechtbank neemt deze beslissing omdat partijen het er over eens zijn dat de man daar voorlopig kan blijven wonen.
3.10 Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij ieder de gebruikerslasten zullen voldoen voor de woning waarin zij voorlopig wonen. Hoewel deze afspraak zich niet voor opname in het dictum leent, merkt de rechtbank op dat partijen zich wel aan deze afspraak moeten houden. Dit betekent dat de vrouw voor de duur van de echtscheidingsprocedure de gebruikerslasten van de woning aan de [adres 1] betaalt en de man die van de woning aan de [adres 2] .
3.11 De rechtbank beslist dat de man voorlopig een bedrag van € 304,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf vandaag. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
3.12 Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.13 De vrouw vindt dat de kinderalimentatie vanaf 1 april 2026 moet gelden. De man is het daar niet mee eens. Hij vindt dat de datum van deze beschikking moet worden gehanteerd, omdat hij in de periode nadat partijen uit elkaar zijn gegaan verschillende kosten voor de kinderen (zoals tennis en de kinderopvang) heeft betaald. De vrouw heeft niet weersproken dat de man kosten voor de kinderopvang van de kinderen heeft voldaan. Omdat onvoldoende duidelijk is geworden wie de afgelopen periode welke kosten voor de kinderen heeft betaald, zal de rechtbank de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren. De rechtbank vindt dit ook een logisch ingangsmoment, omdat partijen vanaf nu duidelijkheid hebben over aan wie de kinderen worden toevertrouwd, de zorgregeling, de woonsituatie en afspraken hebben gemaakt over de gebruikerslasten van die woningen.
3.14 Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vast op een bedrag van € 643,- per kind per maand in 2026, omdat partijen het hierover eens zijn.
3.15 Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd. Volgens de wet moeten partijen namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
3.16 Voor het bepalen van de draagkracht van partijen past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.17 Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
3.18 De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.358,- per maand.
3.19 De man heeft een onderneming: [bedrijf] . Vanuit deze onderneming exporteert de man goederen naar Nigeria. Volgens de man heeft hij op dit moment geen inkomen, waardoor hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. De man heeft uitgelegd dat hij 6 tot 8 uur per week werkt en de onderneming onlangs een grote investering heeft gedaan in de nieuwe woning van partijen met als doel om met de oude woning verhuuropbrengsten te genereren. Nu partijen uit elkaar zijn gegaan en zij ieder in een woning verblijven, komen de verwachte huuropbrengsten niet binnen. Volgens de man zit zijn geld nu vast in de woning, waardoor hij geen inkomsten ontvangt en € 8.000,- per maand aan vaste lasten moet betalen. De man zegt dit niet te kunnen betalen en daarom geld van een familielid te lenen. Hier heeft hij echter geen stukken van overgelegd, zodat de rechtbank hier geen rekening mee zal houden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de man geen inkomsten heeft uit zijn onderneming heeft hij een prognose voor 2026 en zijn btw-aangiften over het derde en vierde kwartaal van 2025 en het eerste en tweede kwartaal van 2026 overgelegd. Deze stukken geven de rechtbank echter geen informatie over het inkomen van de man. De stukken zijn leeg en de man heeft hier tijdens de zitting geen nadere toelichting op gegeven. De rechtbank acht deze stukken niet representatief voor het inkomen van de man. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man heeft verklaard dat hij nog steeds 6 tot 8 uur per week voor zijn onderneming werkt en regelmatig voor langere tijd naar Nigeria reist om daar zaken te doen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de man in acht maanden tijd € 0,- heeft verdiend. Ook de verklaring van de man dat hij geen inkomsten uit zijn onderneming heeft doordat geld van de onderneming in de woningen is geïnvesteerd en daardoor niet beschikbaar is voor herinvestering in de onderneming, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft niet met stukken inzichtelijk gemaakt welke bedragen zijn geïnvesteerd, wat de gevolgen daarvan zijn voor de bedrijfsvoering en waarom dit ertoe leidt dat hij op dit moment geen inkomsten uit zijn onderneming kan genereren.
3.20 Nu de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn huidige bedrijfsresultaten en onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom zijn inkomen structureel zijn verminderd, ziet de rechtbank aanleiding om voor de bepaling van zijn inkomen aan te sluiten bij de resultaten van zijn onderneming in de afgelopen jaren. De rechtbank zal daarom uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming van [bedrijf] over de jaren 2023, 2024 en 2025. De rechtbank passeert het primaire standpunt van de vrouw dat het jaar 2025 buiten beschouwing moet worden gelaten omdat de winst in dat jaar lager was. Dat de winst in 2025 lager was dan in de voorgaande jaren, is op zichzelf onvoldoende reden om dit jaar niet mee te nemen bij het bepalen van een representatief inkomen van de man. Juist door uit te gaan van het gemiddelde over drie jaren wordt rekening gehouden met de fluctuaties in de bedrijfsresultaten van de man.
3.21 Verder zal de rechtbank geen rekening houden met de door de man gestelde onderhoudsverplichting van € 800,- per maand voor zijn 21-jarige dochter [jongmeerderjarige] . Dat de man eenmalig op 29 juni 2026 – nadat deze procedure al aanhangig was gemaakt – € 800,- aan [jongmeerderjarige] heeft overgemaakt voor ‘Rent and up kip’, wil niet zeggen dat sprake is van een structurele bijdrage en/of onderhoudsverplichting. Bovendien is niet vast komen te staan dat [jongmeerderjarige] de (juridische) dochter is van de man. Zij komt niet voor in zijn Basisregistratie Personen (BRP) en hij heeft ook niet op andere wijze aangetoond dat [jongmeerderjarige] zijn dochter is en dat sprake zou zijn van een onderhoudsverplichting jegens haar. Zelfs als wel was komen vast te staan dat [jongmeerderjarige] zijn dochter is, dan geldt dat niet gebleken is dát zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en zo ja, hoe hoog deze behoefte is. Het had op de weg van de man gelegen om dit inzichtelijk te maken.
3.22 Voor het inkomen gaat de rechtbank dus uit van de gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025. Uit de aangiften inkomstenbelasting van de man blijkt dat zijn winst uit onderneming in 2023 € 119.686,- in 2024 € 80.190,- en in 2025 € 49.782,- bedroeg. Gemiddeld was de winst uit onderneming van de man over die jaren dan € 83.219,-. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 4.721,- per maand.
3.23 Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [4.721 – (0,3 x 4.721 + 1.365)]= € 1.358,- per maand.
3.24 De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 508,- per maand.
3.25 Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de betaalspecificatie van juni 2026, waarop is te zien dat de vrouw een WW-uitkering van € 2.645,- per maand ontvangt van het UWV. Verder wordt rekening gehouden met 8% vakantiegeld en het kindgebonden budget. De rechtbank houdt anders dan de man in zijn berekening geen rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting aan de kant van de vrouw, omdat die niet van toepassing is nu de vrouw geen inkomen uit arbeid heeft maar een WW-uitkering ontvangt. De rechtbank gaat uit van deze betaalspecificatie omdat deze het meest representatief is voor wat het daadwerkelijke inkomen van de vrouw op dit moment is. Dat de rechtbank uitgaat van deze inkomensgegevens, betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan het standpunt van de man dat de vrouw meer zou moeten kunnen verdienen. In deze spoedprocedure moet de rechtbank namelijk alleen een tijdelijke ordemaatregel nemen en daarbij kijkt de rechtbank naar hoe de situatie nu is. In de latere echtscheidingsprocedure kan wel van belang zijn of de vrouw meer kan verdienen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vrouw heeft verteld dat zij al druk bezig is om zo snel mogelijk een nieuwe baan te vinden en daarin zeer gemotiveerd is.
3.26 Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.986,- per maand.
3.27 Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [2.986 – (0,3 x 2.986 + 1.365)]= € 508,- per maand.
3.28 Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.29 Een vergelijking is hier niet nodig omdat partijen samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.860,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.929,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 69,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 1.358,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
3.30 De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.31 Gelet op de hiervoor vastgestelde zorgregeling vindt de rechtbank een zorgkorting van 25% van de behoefte het meest passend, dus € 482,- per maand
3.32 De rechtbank vindt het belangrijk om aan partijen te laten weten dat zij aan [minderjarige 1] en [minderjarige 3] een brief heeft gestuurd, tegelijkertijd met deze beschikking. Tijdens de kindgesprekken heeft de rechter dit zo met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] afgesproken. [minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek aangegeven de beslissing van de vrouw te willen horen. Als [minderjarige 2] de brief later toch wil lezen, kan en mag zij dat natuurlijk doen. In de brief aan de kinderen is het volgende opgenomen:
4 De beslissing
voor de duur van de echtscheidingsprocedure
De rechtbank:
4.1 vertrouwt de kinderen toe aan de vrouw;
4.2 stelt een zorgregeling vast tussen de man en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen in de oneven weken van woensdag na school tot maandag voor school bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen op school ophaalt en daar weer terugbrengt;
4.3 bepaalt dat de vrouw is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] , met bevel dat de man deze verder niet mag betreden;
4.4 bepaalt dat de man is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 2] , [postcode 2] in [woonplaats] , met bevel dat de vrouw deze verder niet mag betreden;
4.5 beslist dat de man vanaf vandaag een bedrag van € 304,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
4.6 wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met, mr. F.M. de Hart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Bijlage 1: draagkracht van de man
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw