Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:3818

ECLI:NL:RBMNE:2026:3818 Rechtbank Midden-Nederland , 01-07-2026 / UTR 26/3382, 26/3387, 26/5493 en 26/5772
Bestuursrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en onderwerp Stichting Centrum management Utrecht (CmU), Hoog Catharijne B.V. (eigenaar van parkeergarages P1–P5), SHV Holding N.V. en Exploitatiemaatschappij Grand Hotel Karel V BV (gezamenlijk: verzoekers) hebben bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden‑Nederland gevorderd dat de door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht genomen verkeersbesluiten die de zogenaamde “knip” in de Catharijnesingel regelen (geslotenverklaring en plaatsing van borden ter hoogte van de Stationsstraat / Spoorstraat, met borden zowel aan de noordkant/Daalsesingel als aan de zuidkant/Catharijnesingel bij de Marga Klompébrug) worden geschorst totdat in het materiële beroep is beslist. De knip verhindert doorgaand noord‑zuidverkeer op de Catharijnesingel (uitgezonderd ontheffinghouders) en verandert de bereikbaarheid van parkeergarages: P1, P2 en P5 nog alleen vanuit het noorden; P3, P4 en P5 alleen nog vanuit het zuiden.

Procesverloop kernpunten

  • Het college nam drie verkeersbesluiten op 20 november 2024. Verzoekers maakten bezwaar; het college verklaarde bezwaren gegrond maar handhaafde het primaire besluit op 13 april 2026 met aanvullende motivering. Verzoekers voerden beroep en verzochten om voorlopige voorziening.
  • Hoog Catharijne vroeg aanvankelijk ook een ordemaatregel omdat het college vroeg zou beginnen met werkzaamheden; de voorzieningenrechter weigerde die omdat het college verklaarde niet vóór half juli 2026 te starten en de zitting/uitspraak vóór die datum zouden plaatsvinden. Op zitting verklaarde het college dat de feitelijke realisatie in september 2026 zal plaatsvinden.
  • Zitting vond plaats op 17 juni 2026; uitspraak op 1 juli 2026 (voorzieningenrechter mr. I. Helmich). Verzoekers werden bijgestaan door advocaten; diverse vertegenwoordigers en een deskundige waren aanwezig.

Rechtskader en toetsing De voorzieningenrechter paste artikel 8:81, eerste lid, Awb toe: een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen bij “onverwijlde spoed”, in de praktijk vertaald naar het bestaan van een spoedeisend belang. Indien een spoedeisend belang ontbreekt, kan alleen nog worden gehandeld wanneer het bestreden besluit evident onrechtmatig is (ernstig te betwijfelen zonder diepgaand onderzoek).

Beoordeling van de aangevoerde belangen

  • Financieel belang: Hof vaste rechtspraak leidt dat een louter financieel belang in beginsel geen spoedeisend belang oplevert, tenzij aannemelijk is dat zonder voorziening de continuïteit van bedrijfsvoering direct gevaar loopt. Hoog Catharijne overlegde een adviesrapport van een extern adviesbureau (dec. 2024) dat een omzetverlies van ca. 2% voor winkels in Hoog Catharijne voorspelde; concrete bedragen waren deels weggelakt. De voorzieningenrechter oordeelde dat dit omzetverlies onvoldoende aannemelijk maakt dat Hoog Catharijne in acute financiële nood raakt. CmU stelde mogelijk tot 10% omzetverlies voor zuidelijke binnenstadwinkels, maar leverde geen concreet bewijs of onderbouwing; het rapport betrof niet die winkeliers. Karel V voerde imagoschade en parkeertoegankelijkheid aan; de rechter rekende dit terug op financieel belang (minder klanten = minder omzet) en vond de stellingen onvoldoende concreet (geen bedragen, geen aantallen klanten of aantoonbare dreigende faillissementen). Conclusie: geen spoedeisend financieel belang bij verzoekers.

  • Bereikbaarheid en bedrijfsvoering: Hoog Catharijne wees op eerdere afspraken en investeringen ten behoeve van bereikbaarheid; de rechter stelde dat verminderde bereikbaarheid op zich geen zelfstandig spoedeisend belang is, maar primair een financieel gevolg (dat reeds onvoldoende onderbouwd is). SHV klaagde over omrijdingen van werknemers/klanten en mogelijk niet benut eigen parkeerterrein; de voorzieningenrechter hield eraan dat SHV zelf kan besluiten parkeerkosten te dragen en dat niet aannemelijk was gemaakt dat SHV deze kosten niet kan dragen of op korte termijn personeel zou verliezen. Karel V maakte voorts geldige praktische punten over personeel met onregelmatige uren, maar ook die waren onvoldoende gekwantificeerd (aantal werknemers, woonplaatsen, extra reistijd) om spoedeisendheid aan te tonen.

  • Onomkeerbaarheid: Verzoekers stelden dat de knip onomkeerbare gevolgen heeft omdat deze deel zou uitmaken van een breder pakket maatregelen (bijv. knip op Ledig Erf, afslaggebod Vondellaan), waardoor terugdraaien praktisch onmogelijk zou zijn. De rechter oordeelde dat die samenhang niet aannemelijk is: die andere besluiten zijn nog niet genomen en het is onzeker of ze vóór de uitspraak in de bodemzaak gerealiseerd worden; de stelling van onomkeerbaarheid was onvoldoende onderbouwd.

  • Uitvoeringstijdstip: het college verklaarde realisatie in september 2026; de voorzieningenrechter vond dat ook realisatie in drukke kwartaal niet voldoende aannemelijk maakte dat onmiddellijke ingreep noodzakelijk is, gegeven gebrek aan bewijs van directe financiële nood.

Evidente onrechtmatigheid Omdat geen spoedeisend belang bestond, bleef alleen de vraag of het besluit evident onrechtmatig was. De voorzieningenrechter vond dat daarvan geen sprake was: het besluit is niet zodanig onrechtmatig dat zonder diepgaand onderzoek ernstig twijfelachtig zou zijn of het in stand blijft.

Slotbeslissing en consequenties De voorzieningenrechter wees de verzoeken om voorlopige voorziening af; het besluit van het college van 13 april 2026 wordt niet geschorst en het college kan de knip feitelijk uitvoeren. Verzoekers hebben geen recht op proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De belangen van buurtbewoners werden niet meegewogen omdat zij geen beroep/voorlopige voorziening hadden ingesteld. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:6335
Civiel recht
15-09-2026 91% soortgelijk
Hoog Catharijne Mall of the Netherlands B.V. (eiser, bijgestaan door mrs. M.Y.C.L. de Wit, T.A.E. ten Berge en M. Mus) vordert in kort geding tegen de Gemeente Utrecht (gedaagde, bijgestaan door mrs....
ECLI:NL:RBMNE:2026:3003
Bestuursrecht
01-06-2026 82% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland, sector bestuursrecht (zaaknr. UTR 26/2505), heeft op 28 mei 2026 uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] uit [plaats] tegen het college van burgemeester en wethouders van...
ECLI:NL:RBOVE:2026:959
Bestuursrecht > Omgevingsrecht
24-02-2026 81% soortgelijk
[eiser 1] B.V., [eiser 2] B.V., [eiser 3] B.V. en De Winkeliersvereniging Stadshagen (gezamenlijk: eisers) hebben beroep en verzoek om voorlopige voorziening ingesteld tegen het verkeersbesluit van het college van burgemeester en...
ECLI:NL:RBROT:2026:344
Bestuursrecht
19-01-2026 80% soortgelijk
Zaaknummer ROT 25/9369 — kort geding/voorzieningenrechter, uitspraak 16 januari 2026. Partijen - Verzoeker: [verzoeker], handelend onder de naam [handelsnaam], gevestigd te Rotterdam. - Verweerder: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam...
ECLI:NL:RBROT:2025:10798
Bestuursrecht > Omgevingsrecht
11-09-2025 79% soortgelijk
Zaaknummers en partijen - Rechtbank Rotterdam, voorzieningenrechter, zaaknummers ROT 25/5644 en 25/6284. - Verzoeker: [naam verzoeker] uit [plaats], bijgestaan door gemachtigde [persoon A] in zaak ROT 25/5644. - Verweerder: het college van...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Het college van b&w Utrecht heeft op 13 april een verkeersbesluit genomen over de toegankelijkheid van de Catharijnesingel. De Catharijnesingel wordt ter hoogte van de Stationsstraat en de Spoorstraat in Utrecht gesloten verklaard (de knip). De knip zorgt ervoor dat gemotoriseerd verkeer niet langer van noord naar zuid en vice versa kan doorrijden op de Catharijnesingel. Dit geldt echter niet voor ontheffinghouders. De knip heeft tot gevolg dat de parkeergarages P1, P2 en P5 alleen nog vanuit het noorden bereikbaar zijn en de parkeergarages P3, P4 en P5 alleen nog vanuit het zuiden. Vier partijen (Hoog Catharijne, Stichting Centrum Management Utrecht, SHV Holding en Hotel Karel V) hebben beroep ingesteld tegen het verkeersbesluit. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat de geslotenverklaring niet gerealiseerd zal worden totdat er uitspraak is gedaan op hun beroepen. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken afgewezen, omdat zij van oordeel is dat deze partijen geen spoedeisend belang hebben bij een voorlopige voorziening. Zij hebben voornamelijk financiële belangen aangevoerd. Een financieel belang levert doorgaans geen spoedeisend belang op, behalve als een partij aannemelijk maakt dat zij door het besluit in een financiële noodsituatie komt te verkeren. De vier partijen hebben niet onderbouwd dat de continuïteit van hun bedrijfsvoering in gevaar komt door de knip en dat zij het beroep dus niet kunnen afwachten. De knip is bovendien ook niet onomkeerbaar. Als de beroepen gegrond worden verklaard, kan de knip gemakkelijk worden verwijderd. Als er geen spoedeisend belang aanwezig is, zoals hier, kan de voorzieningenrechter toch een voorlopige voorziening treffen als het besluit evident onrechtmatig is. Dat is hier niet het geval. Daarom treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/3382, 26/3387, 26/5493 en 26/5772

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Centrum management Utrecht (CmU), uit Utrecht, (gemachtigde: J.E. Hagenouw) **Hoog Catharijne B.V. (Hoog Catharijne), uit Utrecht, ** (gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit), SHV Holding N.V. (SHV), uit Utrecht, (gemachtigde: mr. A.M. Nijboer) Exploitatiemaatschappij Grand Hotel Karel V BV. (Karel V) uit Utrecht, (gemachtigden: mr. A.P. Cornelissen en mr. J. de Haas) samen: verzoekers

en

**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht ** (gemachtigde: mr. M.J.O. Copier).

Procesverloop

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaan over de geslotenverklaring van de Catharijnesingel in Utrecht en de daarmee samenhangende plaatsing van verkeersborden (de knip). De knip is gesitueerd tussen de Stationsstraat en de Spoorstraat in Utrecht. De knip zorgt ervoor dat verkeer niet langer van noord naar zuid en vice versa kan doorrijden op de Catharijnesingel. Dit geldt niet voor ontheffinghouders. De knip heeft tot gevolg dat de parkeergarages P1, P2 en P5 alleen nog vanuit het noorden bereikbaar zijn en de parkeergarages P3, P4 en P5 alleen nog vanuit het zuiden. De parkeergarages zijn eigendom van Hoog Catharijne.

1.1. Het college heeft op 20 november 2024 drie verkeersbesluiten genomen om de knip te realiseren. In de drie besluiten is de geslotenverklaring van de Catharijnesingel geregeld en de plaatsing van de verschillende verkeersborden, zowel aan de noordkant (Daalsesingel) als aan de zuidkant (Catharijnesingel ter hoogte van de Marga Klompébrug).

1.2. Verzoekers zijn het niet eens met deze verkeersbesluiten en hebben bezwaar gemaakt. Het college heeft in het bestreden besluit van 13 april 2026 weliswaar de bezwaren gegrond verklaard, maar het primaire besluit tot geslotenverklaring gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

1.3. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat de geslotenverklaring niet gerealiseerd zal worden totdat er uitspraak is gedaan op de beroepen van verzoekers.

1.4. Hoog Catharijne heeft de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen, omdat het college de uitspraak van de voorzieningenrechter niet wil afwachten. De voorzieningenrechter heeft geen ordemaatregel getroffen, omdat de werkzaamheden volgens het college niet eerder starten dan half juli 2026. De zitting van de voorzieningenrechter vindt voor die tijd plaats en ook de uitspraak zal voor die datum worden uitgesproken, zodat een ordemaatregel niet nodig is.

1.5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers en de gemachtigde van het college. Verder was voor CmU aanwezig: centrummanager [A] , voor Hoog Catharijne: [B] , voor SHV: [C] en voor Karel V: [D] . [E] was als deskundige aanwezig voor Hoog Catharijne en CmU. Voor het college waren op de zitting aanwezig [F] , mr. [G] , [H] en [I] .

Beoordeling voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de uitspraak op het beroep).

3. Tussen partijen is in geschil of verzoekers een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben. Zij licht hierna toe hoe zij tot deze conclusie is gekomen.

Financieel belang

4. Volgens vaste rechtspraak vormt een financieel belang op zichzelf in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Maar er kan aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen als aannemelijk is dat verzoekers anders in een financiële noodsituatie zullen komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering van verzoekers in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen.

5. Hoog Catharijne heeft gesteld dat de knip grote financiële gevolgen voor haar heeft. Zij heeft ter onderbouwing daarvan in bezwaar een rapport overgelegd van adviesbureau [adviesbureau] , dat in december 2024 onderzoek heeft gedaan in de parkeergarages P1 tot en met P5. Door middel van enquêtes is onderzocht wat de economische impact van de voorgenomen knip voor het winkelcentrum is. De conclusie van dit rapport is dat de knip effect heeft voor de winkel- en horecaomzet in winkelcentrum Hoog Catharijne en leidt tot een omzetverlies van enkele miljoenen. Ook heeft de knip effect op de parkeerinkomsten van Hoog Catharijne. Hoog Catharijne heeft op de zitting toegelicht dat een omzetverlies voor de winkeliers in het winkelcentrum, zich vertaalt in lagere huurpenningen voor haar, omdat de huur van de winkelpanden afhankelijk is van de gemaakte omzet.

5.1. De voorzieningenrechter heeft bij het college het rapport van [adviesbureau] opgevraagd. Dit rapport is overgelegd. De concrete bedragen en een deel van de percentages is weggelakt, omdat het om gevoelige bedrijfsinformatie gaat. De conclusie van het rapport is dat [adviesbureau] verwacht dat de winkels in Hoog Catharijne een omzetverlies van 2% zullen lijden als gevolg van de knip. Welk concreet bedrag hierbij hoort, is vanwege de weglakkingen verder niet duidelijk.

5.2. Dat is in zoverre niet relevant, omdat een omzetverlies bij uitstek een financieel belang is, dat – zoals hiervoor is vermeld – in beginsel geen spoedeisend belang oplevert om een voorlopige voorziening te treffen. Als Hoog Catharijne door dit omzetverlies in een financiële noodsituatie zou komen te verkeren, zou dit anders kunnen zijn, maar dat heeft zij niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt.

6. Ook CmU stelt dat zij vreest voor omzetverlies voor de 1700 winkeliers in de binnenstad die zij vertegenwoordigt. CmU vreest vooral voor een vermindering van de omzet voor de zelfstandige winkeliers aan de zuidkant van het centrum. Mensen die met de auto uit het noorden van de stad komen, kunnen niet meer dichtbij die winkels parkeren. Zij moeten óf verder lopen vanaf de parkeergarages P1, P2 of P5 óf omrijden om één van de andere parkeergarages te kunnen bereiken. CmU verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het hiervoor genoemde rapport van [adviesbureau] . Als voor de winkeliers in Hoog Catharijne al een omzetverlies te verwachten valt van 2% dan kan het omzetverlies van de winkeliers aan de zuidkant van de binnenstad volgens CmU oplopen tot 10%. Dit is het gevolg van de ongunstige ligging van die winkels ten opzichte van knip. CmU vreest voor leegstand in de binnenstad. Zij wijst erop dat winkeliers en horeca in de binnenstad het al zwaar te verduren hebben, vanwege een algemene stijging van de kosten en vanwege de toch al kleine marges.

6.1. De voorzieningenrechter ziet ook hierin geen spoedeisend belang. CmU heeft geen onderbouwing gegeven voor de aannames die zij doet en de vrees die zij uitspreekt. Of en hoe de winkeliers in het zuiden van de binnenstad geraakt zullen worden door de knip heeft CmU niet inzichtelijk gemaakt. Het rapport van [adviesbureau] is daarvoor niet voldoende, omdat het niet gaat over de winkeliers in de binnenstad. CmU heeft de vrees uitgesproken dat individuele winkeliers en horecaondernemers het hoofd niet boven water zullen kunnen houden, maar zij heeft geen (begin) van bewijs aangeleverd dat de knip deze grote gevolgen zal hebben voor de winkeliers in de binnenstad.

Bereikbaarheid 7. Hoog Catharijne heeft de verminderde bereikbaarheid van het winkelcentrum genoemd als een zelfstandig belang waarmee rekening gehouden moet worden. Als klanten niet in de parkeergarage dichtbij de winkels van hun keuze kunnen parkeren, bijvoorbeeld de supermarkt, zullen zij kiezen voor andere plaatsen om hun boodschappen te doen. Hoog Catharijne wijst op de problemen in het verleden rond de bereikbaarheid van het winkelcentrum en de binnenstad van Utrecht. Hoog Catharijne en de gemeente Utrecht hebben hierover afspraken gemaakt en Hoog Catharijne heeft naar aanleiding daarvan grote investeringen gedaan. Zij vreest dat de bereikbaarheid opnieuw een probleem zal worden, wat voor haar grote gevolgen heeft.

7.1. Anders dan Hoog Catharijne stelt, levert de wijziging van de bereikbaarheid van het winkelcentrum op zichzelf geen spoedeisend belang op voor het treffen van een voorlopige voorziening. De vraag is wat een wijziging van de bereikbaarheid concreet voor Hoog Catharijne betekent. Hoog Catharijne stelt dat zij vreest voor een verlies van klanten, wat leidt tot omzetverlies. Daarmee vertaalt de verminderde bereikbaarheid zich dus primair in een financieel belang, namelijk omzetverlies. Zoals hiervoor is overwogen is het omzetverlies dat Hoog Catharijne vreest niet aan te merken als een spoedeisend belang, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij hierdoor in een financiële noodsituatie terechtkomt. Ook de vrees dat klanten die wegblijven vanwege de verminderde bereikbaarheid voor altijd weg zullen blijven is geen zelfstandig belang. Het wegblijven van klanten heeft geen zelfstandige betekenis voor Hoog Catharijne maar leidt opnieuw tot inkomstenverlies. Dat is een financieel belang.

8. Karel V heeft aangevoerd dat een verminderde bereikbaarheid van haar hotel zal leiden tot imagoschade. Zij noemt als voorbeeld dat klanten zullen moeten omrijden en dat file op de enige aanrijdroute naar het hotel ertoe zal kunnen leiden dat bijvoorbeeld congressen en vergaderingen te laat zullen beginnen. Klanten zullen Karel V daarom gaan mijden, is de voorspelling van Karel V. De voorzieningenrechter vindt dat Karel V met deze toelichting de imagoschade als zelfstandig belang niet voldoende heeft onderbouwd. Wat zij zegt komt er namelijk in de kern op neer dat klanten Karel V links zullen laten liggen ten gunste van beter bereikbare locaties, wat gevolgen heeft voor haar omzet. Minder klanten betekent namelijk minder omzet. Dat is dus een financieel belang en niet zozeer een imagokwestie. Karel V heeft niet concreet gemaakt dat zij verlies zal leiden door de knip, om hoeveel geld het gaat en of zij dit financieel kan dragen zonder in een financiële noodsituatie terecht te komen.

8.1. Karel V heeft ook aangevoerd dat zij als vijfsterrenhotel verplicht is om in parkeermogelijkheden voor haar klanten te voorzien. Haar parkeerplaats moet dan wel goed bereikbaar blijven, zo stelt zij. De voorzieningenrechter ziet hierin ook geen spoedeisend belang. Karel V heeft niet toegelicht waarom een mogelijk verminderde toegankelijkheid van haar parkeerplaats gedurende de beroepsprocedure voor haar zo’n spoedeisend belang oplevert dat ingrijpen van de voorzieningenrechter nu nodig is.

Bedrijfsvoering

9. SHV heeft erop gewezen dat de knip ongewenste gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering. Een deel van haar klanten en werknemers zal door de knip sowieso moeten omrijden. De eigen parkeerplaats is met ingang van de knip namelijk niet meer vanuit het noorden bereikbaar. Dit heeft tot gevolg dat werknemers en klanten er mogelijk voor zullen kiezen om niet meer te parkeren op de eigen parkeerplaats van SHV maar in de parkeergarages aan de noordkant, P1, P2 en P5. De parkeerplaats van SHV blijft dan onbenut. SHV vreest dat werknemers en klanten de parkeerkosten zullen gaan declareren. Ook vreest zij dat voor werknemers, die nu uit het noorden komen, de werk-privébalans verstoord zal raken als zij langere tijd onderweg zijn om op hun werk te komen, waardoor SHV als werkgever minder aantrekkelijk wordt.

9.1. De voorzieningenrechter volgt SHV niet in dit standpunt. Wat SHV naar voren brengt over de mogelijkheid dat werknemers en klanten niet meer op haar eigen terrein zullen parkeren, rechtvaardigt niet dat de voorzieningenrechter ingrijpt. Het is namelijk aan SHV zelf om wel of niet de kosten voor betaald parkeren in de parkeergarages op zich te nemen. Mocht zij die kosten willen betalen, dan is dat dus aan haar. Los daarvan is niet aannemelijk geworden dat SHV deze kosten niet zou kunnen dragen voor de duur van de beroepsprocedure. Dat haar eigen parkeermogelijkheden niet volledig benut zouden worden, is ook geen belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. SHV heeft verder onvoldoende toegelicht hoeveel werknemers te maken krijgen met omrijdtijd, hoeveel omrijdtijd daarmee gemoeid is en welke gevolgen zij hier mogelijk op korte termijn aan zullen verbinden om de balans tussen werk en privé te bewaken. SHV heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op korte termijn werknemers zal verliezen als gevolg van de knip of dat zij geen mensen meer in dienst zal kunnen nemen.

10. Karel V heeft eveneens gewezen op de gevolgen van de knip voor het eigen personeel. Veel werknemers zijn aangewezen op vervoer per auto, omdat hun werktijden niet aansluiten op het openbaar vervoer. Karel V wijst als voorbeeld naar de nachtportier en de werknemers die verantwoordelijk zijn voor het ontbijt. Deze werknemers zullen, als zij uit het noorden afkomstig zijn, moeten omrijden. Het enkele feit dat Karel V in haar bedrijfsvoering wordt geraakt, is volgens haar al voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Zij wijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2026.

10.1. Dat Karel V in haar bedrijfsvoering geraakt zal kunnen worden, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf nog geen spoedeisend belang op. Anders dan Karel V stelt, is dat ook niet het geval in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Voor spoedeisend belang is nodig dat de gevolgen van de knip voor Karel V op korte termijn zo ingrijpend zijn dat dit een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter overweegt dat Karel V haar stellingen niet heeft onderbouwd met concrete feiten. Zo is niet bekend hoeveel personeelsleden moeten omrijden, waar zij precies vandaan komen, welke alternatieve vervoersmogelijkheden zij hebben en voor hoeveel omrijdtijd wordt gevreesd. Ook is niet toegelicht welke negatieve gevolgen Karel V denkt te gaan ondervinden, omdat een deel van haar personeel zal moeten omrijden. De voorzieningenrechter ziet hierin dus ook geen spoedeisend belang.

Onomkeerbare gevolgen

11. Als het onmogelijk is om de eventuele gevolgen van (de uitvoering van) een besluit nog te herstellen, bestaat er ook aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

12. Verzoekers vrezen dat de knip onomkeerbare gevolgen zal hebben. Weliswaar is er geen sprake van een fysieke barrière, maar het gaat volgens hen om een afsluiting die op termijn niet meer teruggedraaid zal kunnen worden. Hierbij is volgens verzoekers relevant dat er grote samenhang bestaat met andere door het college te nemen verkeersbesluiten, waaronder de knip op het Ledig Erf aan de zuidkant van de stad en het afslaggebod op de Vondellaan naar de Bleekstraat. Als de knip eenmaal gerealiseerd is, volgen de andere verkeersbesluiten. Na vaststelling van eventuele onrechtmatigheid van het besluit van 13 april 2026 is de knip niet meer goed terug te draaien, omdat zij ingebed is in een groter geheel, zo stellen verzoekers.

13. De voorzieningenrechter ziet niet in dat de samenhang met andere verkeersbesluiten maakt dat de knip onomkeerbaar zou zijn. Van belang is dat de genoemde verkeersbesluiten nog niet genomen zijn en dat ook niet zeker is dat deze gerealiseerd zullen zijn voordat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen van verzoekers. In zoverre is het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment dus sowieso prematuur. Verzoekers hebben de door hen gestelde onomkeerbaarheid van de knip ook niet verder toegelicht. Dat de knip op de Catharijnesingel niet teruggedraaid kan worden als er verkeersmaatregelen worden genomen elders in de stad, is niet nader onderbouwd. Het college heeft bovendien weersproken dat de knip vanwege samenhang met andere verkeersbesluiten in feite onomkeerbaar is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college hierin niet te volgen.

13.1. CmU heeft in verband met de onomkeerbaarheid van de knip nog gesteld dat verschillende winkeliers vanwege de knip failliet zullen gaan, wat onomkeerbaar is. CmU heeft de gevolgen van de knip voor de winkeliers in de binnenstad – zoals hiervoor ook is overwogen – echter verder niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbijgaat.

Uitvoering van de knip

14. Op de zitting heeft het college verklaard dat de knip in de maand september 2026 feitelijk zal worden gerealiseerd. Er zal voorafgaand aan de feitelijke uitvoering van het verkeersbesluit aandacht worden besteed aan informatievoorziening en voldoende bewegwijzering. Hoog Catharijne vreest dat de gewenning aan de knip zal moeten gaan plaatsvinden in het laatste kwartaal van het jaar. Zij vindt dit onacceptabel, omdat dit voor haar de drukste periode van het jaar is en zij chaos vreest.

15. De voorzieningenrechter verwijst naar wat zij hierboven heeft verwoord over het financiële belang van Hoog Catharijne. Hoog Catharijne heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in financiële nood zal komen te verkeren als de knip wordt gerealiseerd. Dat ligt niet anders voor een realisatie van de knip in de drukke laatste maanden van het jaar.

Geen evidente onrechtmatigheid

16. Omdat voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, ondanks het ontbreken van spoedeisend belang, een voorlopige voorziening te treffen.

Afronding

De voorzieningenrechter onderkent dat de knip impact zal kunnen hebben voor verzoekers, bezoekers van Utrecht en de Utrechtse winkels, bedrijven en hotels en voor buurtbewoners. Het gaat om een groot verkeersbesluit dat brede uitstraling heeft. De noord-zuid route in de stad Utrecht is niet langer voor iedereen beschikbaar en dat heeft gevolgen. Er zullen mensen zijn die te maken krijgen met omrijdtijd en niet is uitgesloten dat dit voor hen nadelige gevolgen heeft. Dat maakt op zichzelf echter nog niet dat een voorlopige voorziening getroffen moet worden totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep van verzoekers. Geen van de verzoekers heeft in voldoende mate toegelicht dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt door de knip of dat er anderszins gevolgen optreden die zij niet kan dragen voor de duur van de beroepsfase. Aan een verdere belangenafweging komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe. Wat betreft de belangen van de buurtbewoners, overweegt de voorzieningenrechter dat geen van deze bewoners beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 13 april 2026 of om een voorlopige voorziening heeft verzocht. Dit heeft tot gevolg dat het belang van de bewoners in deze procedure niet wordt meegewogen.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Het besluit van het college van 13 april 2026 wordt dus niet geschorst en het college kan de knip feitelijk gaan realiseren.

18. Omdat de verzoeken om een voorlopige voorziening worden afgewezen, hebben verzoekers geen recht op een vergoeding van hun proceskosten. Het griffierecht hoeft ook niet te worden terugbetaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:753 . ECLI:NL:RBAMS:2026:418 . MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 506.