ECLI:NL:RBMNE:2023:7835 Rechtbank Midden-Nederland , 24-10-2023 / 1628915022
Samenvatting
Op 24 oktober 2023 sprak de Meervoudige Kamer van de Rechtbank Midden-Nederland vonnis in de zaak tegen [verdachte] (geb. 2002). Het onderzoek vond plaats op 10 oktober 2023 achter gesloten deuren omdat [verdachte] minderjarig was ten tijde van het ten laste gelegde (incident op 28 mei 2020 te Houten). Officier van justitie mr. A. Drogt vorderde straf; verdediging voerde mr. R.G. van der Laan; mr. P. van der Geest trad op voor de benadeelde partij [slachtoffer]. De kamer bestond uit mr. S.M. Schothorst (voorzitter/kinderrechter), mr. L.E. Verschoor‑Bergsma en mr. H.C. Piet.
Feiten en tenlastelegging De primaire tenlastelegging betrof verkrachting (art. 242 Sr) van [slachtoffer] op 28 mei 2020, gedreven door geweld/andere feitelijkheden; subsidiair werd ontucht met een minderjarige (art. 245 Sr) gevorderd. Het OM stelde dat [verdachte] samen met een ander had verkracht; de verdediging erkende dat [verdachte] seks had gehad met [slachtoffer], maar ontkende dwang en anale seks en bestreed medeplegen.
Bewijs en waardering Belangrijke bewijsmiddelen waren de verklaring van [slachtoffer], verklaringen van getuige [getuige], proces‑verbaal van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], en de eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting. [verdachte] verklaarde onder meer dat hij orale en vaginale seks had, en de borsten van [slachtoffer] had aangeraakt, maar ontkende anale seks en stelde dat de seks vrijwillig was. [slachtoffer] legde een consistent relaas af over dwang: zij zei meerdere malen “nee/stop”, werd door [verdachte] vastgepakt, met het hoofd naar zijn penis geduwd voor orale seks en daarna gedraaid voor vaginale penetratie; zij gaf aan emotioneel te zijn en nadelige gevolgen te ervaren (PTSS‑achtige klachten).
De rechtbank beoordeelde de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar: consistent in tijd en volgorde, gedetailleerd, en authentiek (onder meer doordat zij onderscheid maakte tussen dwang door medeverdachte en door [verdachte]). De verdediging wees op verschillen tussen informatief gesprek en aangifte en op NFI/forensisch medisch onderzoek; de rechtbank zag die verschillen als niet‑essentieel en vond de NFI‑resultaten onvoldoende om de verklaring als geheel te verwerpen — wel ondersteunen die resultaten het ontbreken van bewijs voor anale seks.
Als steunbewijs wees de kamer op de waarnemingen van emotionele toestand door [getuige] en politie (verbalisanten), die kort na het incident plaatsvonden. De rechtbank verwierp de betoogde kritiek dat dergelijke observaties vanwege auditu of tijdsverloop niet gebruikt mochten worden; de waarnemingen volgden direct na het telefoontje van [slachtoffer] en binnen een uur arriveerde de politie.
Juridische beoordeling: dwang en medeplegen Toetsing aan art. 242 Sr vereist opzet en dat het slachtoffer door geweld of andere feitelijkheden tot het ondergaan van binnendringen werd gedwongen. De rechtbank vond dat cumulatief voldaan: het onverwacht uittrekken van de penis, het vasthouden en dwingen van het hoofd richting penis, het vasthouden tijdens bewegingen en het doorgaan ondanks uitgesproken protesten van [slachtoffer] vormden dwang. Ook speelde mee dat [slachtoffer] kwetsbaar was omdat zij kort tevoren door medeverdachte was ontmaagd en hierover teleurgesteld had gesproken, waardoor [verdachte] zijn feitelijk overwicht misbruikte. De rechtbank verwierp de stelling dat [slachtoffer] initiatief had genomen en oordeelde dat sprake was van verkrachting.
Weliswaar werd [verdachte] partieel vrijgesproken van de tenlastegelegde anale seks wegens onvoldoende bewijs. Ook werd hij vrijgesproken van medeplegen omdat niet was gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte.
Bewezenverklaring en kwalificatie De rechtbank verklaarde primair bewezen dat [verdachte] op 28 mei 2020 door geweld/andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot handelingen waaronder orale en vaginale penetratie en betasten van borsten, billen en vagina; kwalificatie: verkrachting.
Strafoplegging De officier vorderde jeugddetentie 12 maanden (6 voorwaardelijk). De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde werkstraf en voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur. De verdediging verzocht om een taakstraf. De rechtbank hield rekening met ernst van het delict, kwetsbaarheid van het slachtoffer, persoonlijke omstandigheden van [verdachte] (geen eerdere soortgelijke veroordelingen; positief ontwikkelingsbeeld uit raadsonderzoek; nadelig effect van tijdbeslag) en met het feitelijke langere tijdsverloop van de procedure. Gelet op het verbod om verkrachting enkel met een taakstraf te bestraffen, legde de rechtbank, afwijkend van de Raad, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van één maand op en een werkstraf van 180 uur (vervangend 90 dagen jeugddetentie bij niet‑nakoming).
Schadevergoeding [slachtoffer] vorderde €12.500 immateriële schade; de rechtbank kende €5.000 toe (conform art. 6:106 BW) en veroordeelde [verdachte] tot betaling van dat bedrag plus wettelijke rente vanaf 28 mei 2020. De vordering werd niet hoofdelijk opgelegd met medeverdachte omdat de rechtbank niet aannam dat [verdachte] samen met medeverdachte heeft gehandeld. Als zekerheid legde de rechtbank een betaalverplichting aan de Staat op; bij gebrek aan betaling wordt geen gijzeling toegepast. Kosten ten laste van [verdachte] zijn nihil tot op heden.
Besluit: primair bewezenverklaring verkrachting, partiële vrijspraak ten aanzien van anale seks en medeplegen, veroordeling tot 1 maand jeugddetentie en 180 uur werkstraf, en schadevergoeding €5.000 aan [slachtoffer].
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
De minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. De rechtbank legt aan de verdachte op een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand en een taakstraf in de vorm van werkstraf van 180 uren. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/289150-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2023
in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] , hierna: [verdachte] .
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2023. De zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden, omdat [verdachte] minderjarig was ten tijde van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Drogt en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. R.G. van der Laan, advocaat te Leiden, en wat, mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij [slachtoffer] , naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, in het kort, op neer dat [verdachte] :
op 28 mei 2020 in Houten samen met een ander [slachtoffer] heeft verkracht;
op 28 mei 2020 in Houten samen met een ander met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
3 VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is betrouwbaar, omdat [slachtoffer] consistent en authentiek heeft verklaard. De aangifte wordt daarnaast ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , die allen hebben waargenomen dat [slachtoffer] geëmotioneerd was. De officier van justitie heeft verzocht om [verdachte] partieel vrij te spreken van het medeplegen van de verkrachting, omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] erkent dat hij seks met [slachtoffer] heeft gehad, maar ontkent dat de seks onder dwang heeft plaatsgevonden. Ook ontkent [verdachte] dat hij anale seks met [slachtoffer] heeft gehad. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat [slachtoffer] op essentiële onderdelen wisselend en inconsistent heeft verklaard. Daarnaast passen de resultaten uit de NFI-rapportage en het forensisch medisch onderzoek niet bij de verklaring van [slachtoffer] . De resultaten ondersteunen daarentegen wel de verklaring van [verdachte] dat er geen anale seks heeft plaatsgevonden.
Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de verklaring van [slachtoffer] geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum. De raadsman heeft aangevoerd dat de getuigenverklaringen niet als steunbewijs kunnen dienen. Allereerst heeft de raadsman erop gewezen dat het om
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen ontbreekt, omdat de seks vrijwillig heeft plaatsgevonden.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Het klopt dat ik op 28 mei 2020 in Houten de borsten van [slachtoffer] heb aangeraakt en heb beetgepakt. Ook heeft [slachtoffer] mij gepijpt en heb ik vaginale seks met haar gehad. Ik wist dat [slachtoffer] kort daarvoor door [medeverdachte] was ontmaagd. [slachtoffer] heeft tegen mij gezegd dat zij teleurgesteld was over de manier waarop zij ontmaagd was.
V: Vraag verbalisant A: Antwoord aangever
V: Vertel eens alles over wat er gebeurd is op 28 mei 2020?
A: Toen kwam die tweede jongen (
TWEEDE INCIDENT MET JONGEN 2:
V: Wat bedoel jij daarmee?
A: Dat hij aan mijn borsten, billen en vagina gaat zitten.
V: Wanneer belde [slachtoffer] jou over wat er gebeurd was ?
A: Volgens mij was dat omstreeks 22.15 uur op een donderdagavond (
Op 28 mei 2020 kregen wij de melding om te gaan naar de [adres 2] te [plaats] . [slachtoffer] zou omstreeks 22:15 uur op een eiland bij de [locatie] zijn verkracht door twee onbekende jongens.
Omstreeks 23:05 uur waren wij ter plaatse bij de woning. Wij zagen dat in de woning [slachtoffer] , geboren 18 juni 2004 te Utrecht, aanwezig was. [slachtoffer] bleek het slachtoffer te zijn van de verkrachting.
Bewijsoverweging
De vraag die de rechtbank bij de beoordeling van de ten laste gelegde verkrachting moet beantwoorden, is of onder de gegeven omstandigheden sprake is geweest van ‘dwang’ in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Het staat immers niet ter discussie dat [verdachte] seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van dwang, en dat de ten laste gelegde verkrachting dus wettig en overtuigend bewezen is. Dit wordt hierna uitgelegd.
Voor een bewezenverklaring van dwang is vereist dat [verdachte] opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer] het seksueel binnendringen van haar lichaam tegen haar wil heeft ondergaan en dat die dwang heeft plaatsgevonden door middel van geweld of een andere feitelijkheid, dan wel bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van dwang, omdat de seks vrijwillig zou zijn geweest.
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Steunbewijs kan ertoe leiden dat toch een bewezenverklaring kan volgen. Of er sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (slachtoffer)
De rechtbank let bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring op volledigheid, accuraatheid en consistentie. De rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. Zij heeft een uur na het incident met de politie gesproken en de volgende dag een verklaring afgelegd. Ongeveer een maand later heeft ze opnieuw een uitgebreide verklaring afgelegd bij de aangifte. De rechtbank constateert dat de verklaring van [slachtoffer] consistent is, zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als over de volgorde daarvan. Ook haar verklaring over de omstandigheden voor en na de handelingen met verdachte is consistent. Haar verklaring is op onderdelen gedetailleerd, bijvoorbeeld over de wijze waarop de orale seks heeft plaatsgevonden. Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat ze twijfelt of bij medeverdachte [medeverdachte] sprake was van dwang, omdat ze geen nee heeft gezegd tegen [medeverdachte] . Dit ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de authenticiteit van de verklaring van [slachtoffer] .
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaring van [slachtoffer] niet betrouwbaar is. In dat kader wijst de verdediging op verschillen in haar verklaring bij het informatieve gesprek en de aangifte. De rechtbank volgt de verdediging niet in dit betoog. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat het hier niet gaat om essentiële punten van de verklaring, maar om details van de zeer uitgebreide verklaring van [slachtoffer] . De verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet inconsistent. Zo is de verklaring in het informatieve gesprek over het doorslikken van sperma van [verdachte] consistent met de verklaring bij de aangifte waar [slachtoffer] heeft gezegd dat [verdachte] sperma in haar mond heeft gespoten. Voor zover er verschillen zijn tussen de verklaringen bij het informatieve gesprek en de aangifte, zijn die mogelijk het gevolg van de vraagstelling. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het daarom te ver om hier de conclusie aan te verbinden dat de verklaringen inconsistent zijn. [slachtoffer] heeft bijvoorbeeld bij de aangifte op een vraag van de politie geantwoord dat verdachte voorafgaand aan de orale seks aan haar billen heeft gezeten en haar heeft gevingerd. Hier is bij het informatieve gesprek niet naar gevraagd. Hetzelfde geldt voor de verklaring bij het informatieve gesprek dat [getuige] langs liep toen zij seks had met [verdachte] . Bij het informatieve gesprek is gevraagd waar [getuige] was tijdens de seks, maar niet bij de aangifte.
[slachtoffer] heeft wel wisselend verklaard over anale seks: in het informatieve gesprek zegt zij dat de seks (ook) anaal was en dat [verdachte] eerst in haar kont kwam, wat veel pijn deed. Bij de aangifte heeft ze niet verklaard dat er anale seks was. Zoals hierna zal worden overwogen, zal de rechtbank [verdachte] partieel vrijspreken van de tenlastegelegde anale seks. Dat maakt echter niet dat de verklaring van [slachtoffer] als geheel onbetrouwbaar is.
De verklaring van [slachtoffer] vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal. [verdachte] heeft erkend dat hij orale en vaginale seks heeft gehad met [slachtoffer] , nadat zij seks had gehad met [medeverdachte] . De politie en getuige [getuige] hebben uit eigen waarneming verklaard dat [slachtoffer] hevig geëmotioneerd was na het incident: ze wilde meteen met haar goede vriendin [getuige] bellen om te vertellen dat ze was verkracht en moest vervolgens erg huilen. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is voor het gebruik van waarneming van emoties als steunbewijs niet vereist dat die emoties direct na een incident worden waargenomen. Bovendien is het tijdsverloop tussen het incident en de waarnemingen in dit geval verwaarloosbaar: [slachtoffer] heeft [getuige] meteen gebeld (waarbij [slachtoffer] tijdens het telefoongesprek al emotioneel werd) en de politie was binnen een uur na het incident bij haar. Tot slot is de stelling van de verdediging dat de emoties van [slachtoffer] ook kunnen zijn veroorzaakt doordat ze net ontmaagd was en daarna vrijwillige seks had gehad met [verdachte] niet aannemelijk, aangezien zij gelijk tegen [getuige] en de politie heeft gezegd dat ze verkracht is door [verdachte] .
[verdachte] trof [slachtoffer] aan op een kwetsbaar moment. Ze was net in de bosjes ontmaagd door een onbekende jongen (medeverdachte [medeverdachte] ) en vertelde [verdachte] dat ze daar teleurgesteld over was. [verdachte] overweldigde [slachtoffer] vervolgens door aan haar te gaan zitten en zijn penis uit zijn broek te halen. [verdachte] heeft toen het hoofd van [slachtoffer] vastgepakt en naar zijn penis geduwd, zodat ze haar mond open moest doen om hem te pijpen. Daarna heeft hij haar omgedraaid en zijn penis in haar vagina gestopt. Hij ging door met de seks, terwijl [slachtoffer] ‘stop’ en ‘nee’ zei. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden tezamen genomen sprake is van dwang, waardoor [slachtoffer] zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten en zij tegen haar wil het seksueel binnendringen heeft ondergaan.
Voor een bewezenverklaring van het feit inclusief de dwang is op zich niet relevant wie het initiatief tot de seksuele handelingen nam. In ieder geval vindt de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat [slachtoffer] het initiatief nam ongeloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat zij het initiatief heeft genomen voor seks met [verdachte] nadat zij juist aan [verdachte] had verteld dat zij spijt had van de seks met medeverdachte [medeverdachte] .
De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van de tenlastegelegde anale seks, omdat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat [verdachte] met zijn penis in de anus van aangeefster is geweest. De rechtbank zal [verdachte] verder vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat niet is gebleken dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] .
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
op 28 mei 2020 te Houten, door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte
- de borsten, billen en vagina van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en beetgepakt en
- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en gehouden en
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en gehouden;
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- onverhoeds zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en
- vervolgens het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft geduwd richting zijn penis en
- vervolgens zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht/gehouden en daarbij heen en weergaande bewegingen heeft gemaakt en daarbij het hoofd van die [slachtoffer] heen en weer heeft geduwd en
- die [slachtoffer] in een ongelijkwaardige relatie met hem, verdachte, heeft gehouden, gelet op de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en
- het (aldus) - door het feitelijk overwicht - doen opleveren, van een zodanige psychische druk dat zij geen weerstand kon bieden.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF
8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
8.2 Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om te volstaan met het opleggen van een taakstraf. De raadsman heeft onder verwijzing naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, vanwege het tijdsverloop en de negatieve gevolgen die jeugddetentie voor [verdachte] zullen hebben.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder [verdachte] het strafbare feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Hij heeft haar gedwongen om hem oraal te bevredigen en vaginale seks met hem te hebben. Ook heeft hij aan haar borsten, billen en vagina gezeten. Ondanks dat het slachtoffer meermaals nee en stop heeft gezegd, is [verdachte] doorgegaan. Bij dit alles heeft [verdachte] misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Het slachtoffer had aan hem verteld dat zij net was ontmaagd door medeverdachte [medeverdachte] en dat zij teleurgesteld was over de manier waarop dit was gebeurd. Dit heeft [verdachte] er niet van weerhouden zijn seksuele behoeftes boven de belangen van het slachtoffer te stellen. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij enkel oog voor zijn eigen lustgevoelens heeft gehad. Door zijn handelen heeft [verdachte] een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] gemaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven daarvan nog langdurig psychisch nadelige gevolgen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de gevolgen van deze avond voor [slachtoffer] groot zijn. Ze heeft verklaard dat ze last heeft gekregen van herbelevingen, slaapproblemen en paniekaanvallen. Ze heeft nog steeds last van angstgevoelens en vindt het lastig om een intieme relatie aan te gaan.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister (
[A] , raadsonderzoeker van de Raad heeft een rapport over [verdachte] opgesteld op 5 september 2023, omdat [verdachte] [leeftijd] jaar was ten tijde van het ten laste gelegde. Uit het rapport blijkt dat [verdachte] zich goed ontwikkelt en dat er weinig zorgen over [verdachte] bestaan. Het feit dat de behandeling van deze zaak meer dan drie jaar op zich heeft laten wachten, heeft door de onzekerheid en stress van een mogelijke veroordeling een behoorlijke weerslag gehad op het leven van [verdachte] . Desondanks heeft [verdachte] wel zijn focus op school en werk kunnen leggen en bouwt hij aan zijn toekomst. [verdachte] heeft werk en positieve vrijetijdsbesteding. Er zijn geen signalen voor recidive van zedenfeiten sinds het ten laste gelegde feit. Daarnaast zijn er geen psychosociale problemen en lijkt er geen sprake van impulsiviteit, gebrekkige oplossingsvaardigheden of antisociaal gedrag. Ook bestaan er geen zorgen over de seksuele ontwikkeling van [verdachte] .
De Raad adviseert om aan [verdachte] een werkstraf in de vorm van een taakstraf op te leggen, met daarbij een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur. Hierbij acht de Raad het niet nodig om bijzondere voorwaarden en jeugdreclasseringstoezicht aan de voorwaardelijke jeugddetentie te verbinden. De Raad vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet in het belang van de ontwikkeling van [verdachte] , omdat hierdoor beschermende factoren worden doorbroken en het recidiverisico juist wordt verhoogd.
De rechtbank stelt vast dat het te lang heeft geduurd voordat deze zaak is behandeld. Hoewel de redelijke termijn waarbinnen de berechting behoort te geschieden niet is overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om bij de strafoplegging in het voordeel van [verdachte] rekening te houden met het tijdsverloop.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor verkrachting geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden. Daarnaast geldt dat artikel 77ma van het Wetboek van Strafrecht de rechterlijke straftoemetingsvrijheid beperkt in zoverre dat een verkrachting niet enkel met een taakstraf bestraft kan worden. Hoewel een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor [verdachte] negatieve gevolgen kan hebben, kan naar het oordeel van de rechtbank vanwege het taakstrafverbod en de aard en ernst van het feit niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal daarom, in afwijking van het advies van de Raad en anders dan door de raadsman verzocht, aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Bij het bepalen van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . De rechtbank acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand passend, zodat het voor [verdachte] mogelijk is om zijn baan te behouden en de beschermende factoren niet worden doorbroken. Daarnaast zal de rechtbank aan [verdachte] een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand passend en geboden, met daarbij een taakstraf in de vorm van werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen jeugddetentie als [verdachte] de werkstraf niet (naar behoren) verricht.
9 BENADEELDE PARTIJ
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit.
9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel, hoofdelijk met medeverdachte [medeverdachte] , toe te wijzen met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de immateriële schade te matigen als het primair ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. De vordering is onvoldoende onderbouwd en in de vordering wordt verwezen naar zaken die niet vergelijkbaar zijn met de zaak van [verdachte] . Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de hoogte van de schadevergoeding gematigd moet worden bij een partiële vrijspraak ten aanzien van het medeplegen, omdat het gevorderde bedrag mede betrekking heeft op de rol van de medeverdachte.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel. Wel heeft zij in haar eigen verklaring concreet weergegeven wat de gevolgen voor haar zijn geweest. Dat zij deze gevolgen heeft ervaren, is door de verdediging niet betwist. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan in de huidige zaak met zich brengen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
Gelet op de aard en de ernst en de nadelige gevolgen, die de benadeelde partij blijkens haar vordering heeft ondervonden, acht de rechtbank in ieder geval een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk. Daarbij heeft zij (mede) gelet op de beslissingen in soortgelijke zaken.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu [verdachte] het strafbare feit niet samen met een mededader heeft gepleegd, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk op te leggen.
De rechtbank zal aldus de vordering voor een totaalbedrag van € 5.000,00 toewijzen, geheel bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.
[verdachte] zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
11 BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar;
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie voor de duur van één maand;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen jeugddetentie;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.000,00, geheel bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van de algehele voldoening;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma, kinderrechter en mr. H.C. Piet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2023,
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Houten, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte
- de borst(en), bil(len) en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of beetgepakt en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden;
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] mee heeft genomen naar een afgelegen plaats/plek op het eiland en/of
- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: “ga pijpen” en/of “mijn riend maakt het wel af” , althans woorden van dergelijke (dwingende) aard en/of strekking en/of
- (onverhoeds) zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en/of
- (vervolgens) het hoofd/gezicht die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht richting zijn penis en/of
- (vervolgens) zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht/gehouden en/of (daarbij) (een) heen en weergaande beweging(en) heeft gemaakt en/of (daarbij) het hoofd van die [slachtoffer] heen en weer heeft geduwd en/of
- die [slachtoffer] in een ongelijkwaardige en/of afhankelijke relatie met hem, verdachte, heeft gebracht/gehouden, gelet op de kwetsbaarheid en/of de (zeer) jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of
- het (aldus) - ook door het leeftijdsverschil en/of het feitelijk overwicht - doen opleveren, althans doen ontstaan, van een zodanige psychische druk dat zij geen weerstand kon bieden, in ieder geval het doen ontstaan van een situatie waarin zij geen ‘nee’ kon of durfde te zeggen; ( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Houten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal
- de borst(en), bil(len) en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of beetgepakt en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden; ( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )