ECLI:NL:RBLIM:2026:9514 Rechtbank Limburg , 09-09-2026 / C/03/354509 / KG ZA 26-297
Samenvatting
Rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond), vonnis kort geding 9 september 2026 (mr. Rulkens). Partijen: De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat‑Generaal Belastingdienst; advocaat mr. L.J. Overwater) versus [gedaagde 1], [gedaagde 2] (maatschap) en [gedaagde 3] B.V. (samen: [gedaagden]). Feiten: [gedaagde 2] en [gedaagde 3] B.V. vormen een fiscale eenheid omzetbelasting; [gedaagde 1] en [gedaagde 3] B.V. zijn maten van [gedaagde 2]; [gedaagde 1] is (indirect) bestuurder van [gedaagde 3] B.V. Binnen de ondernemingen wordt administratie‑ en belastingadvies gepleegd. De Belastingdienst kondigde boekenonderzoeken aan (periode 2020–2021) en verzocht om gegevens/inlichtingen (bijlage A). [gedaagden] vroeg uitstel en leverde op 25 augustus 2026 deels informatie; Belastingdienst achtte die informatie onvolledig. Procedureverloop: dagvaarding 18 aug. 2026, mondelinge behandeling 1 sept. 2026, nadere stukken en planning inleidend gesprek 10 sept. 2026.
Vordering Belastingdienst (na eisvermindering): veroordeling van [gedaagde 3] B.V., [gedaagde 2] en [gedaagde 1] tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan verstrekking van op grond van art. 47 AWR verzochte gegevens en aan boekenonderzoek, met opsomming van concrete gevraagde stukken, en hoofdelijk aansprakelijkstelling; oplegging van dwangsommen; veroordeling in proceskosten. Concrete gevraagde gegevens waaronder (voor [gedaagde 3] B.V.): auditfile salaris; ingevulde vragenlijst "ter beschikking gestelde auto’s"; leasecontracten; onderliggende stukken bij "overige voorziening" (specificatie, overeenkomst(en), becijfering per 31‑12‑2020 en 31‑12‑2021); specificatie overige vorderingen en schulden; overzicht personeelsvergoedingen 2021. Voor [gedaagde 2]: kopie maatschapsovereenkomst; crediteurenlijsten; leasecontracten; specificatie overige vorderingen en schulden. Voor de fiscale eenheid: aansluitingsberekening omzetbelasting. Vorderingen omvatten tevens verplichting tot beantwoording van (vervolg)vragen.
Beoordeling rechtbank: spoedeisend belang van Belastingdienst aangenomen wegens herhaalde verzoeken sinds dec. 2025 en het (blijvend) ontbreken van noodzakelijke informatie waardoor belastingheffing/nachaanzeggingen worden belemmerd. Wettelijk kader: artikelen 42, 47, 49, 50, 52, 52a en 53 AWR; vaste HR‑rechtspraak (o.a. HR 12 juli 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 en arresten 24 april 2015) over bevoegdheid rechter om in kort geding af te dwingen dat alle relevante boeken/gegevens worden verstrekt, inclusief regels over wilsafhankelijk materiaal (mag uitsluitend voor belastingheffing worden gebruikt; niet voor boetevorming of strafvervolging). De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk maakte dat door [gedaagden] nog niet alle beschikbare of redelijkerwijs verkrijgbare informatie is verstrekt. Het verweer dat civiel beslag (uit 2019) levering belemmert, werd verworpen: niet aannemelijk gemaakt dat gevraagde documenten onder dat beslag vallen. Eveneens verwierp de rechtbank dat de Belastingdienst eerst een fiscale informatiebeschikking had dienen te geven; civiel kort geding staat niet in de weg aan directe vordering.
Beslissing (kort weergegeven en concreet): toewijzing van de vorderingen. Verplichtingen binnen twee weken na betekening:
- [gedaagde 3] B.V. moet de genoemde stukken (o.a. auditfile salaris, vragenlijst auto's, leasecontracten, specificatie “overige voorziening”, specificatie vorderingen/schulden, overzicht personeelsvergoedingen 2021) leveren en volledige medewerking verlenen aan boekenonderzoek (inclusief inleidend gesprek en inzage in gehele administratie);
- [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (hoofdelijk) moeten kopie maatschapsovereenkomst, crediteurenlijsten, leasecontracten en specificatie overige vorderingen/schulden leveren en medewerking verlenen aan boekenonderzoek van de maatschap;
- alle gedaagden (hoofdelijk) moeten aansluitingsberekening omzetbelasting van de fiscale eenheid verstrekken en medewerking verlenen aan boekenonderzoek van de fiscale eenheid;
- verplichting tot duidelijke, stellig en zonder voorbehoud verstrekking en beantwoording van (vervolg)vragen binnen redelijke termijnen.
Dwangsom en beperkingen: voor ieder van hen afzonderlijk dwangsom €5.000 per dag of gedeelte daarvan bij niet‑nakoming, tot max. €500.000 per persoon (gerechtelijke beperking ten opzichte van door Belastingdienst verlangde hogere som). Restrictie: wilsafhankelijk materiaal mag uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van belastingheffing en niet voor fiscale boetes of strafvervolging.
Proceskosten en uitvoerbaarheid: [gedaagden] veroordeeld in proceskosten €2.260,18 (specificatie: dagvaarding €159,18; griffierecht €735; salaris advocaat €1.177; nakosten €189), vermeerderd met €98 en betekenkosten bij niet‑betaling; wettelijke rente bij gebreke van tijdige betaling; vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Vordering voor zover meer of anders afgewezen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vordering afgifte stukken belastingplichtige en medewerking boekenonderzoek. Artikelen 42, 47, 49, 50 en 52 AWR.
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/354509 / KG ZA 26-297
Vonnis in kort geding van 9 september 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN, DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST), te Den Haag, eisende partij, hierna te noemen: de Belastingdienst, advocaat: mr. L.J. Overwater,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] , 2. [gedaagde 2], te [plaats] , 3. **[gedaagde 3] B.V., ** te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk aan de duiden als [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] B.V.,
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2026 met producties 1 t/m 16,
- producties 1 t/m 13 zijdens [gedaagden] ,
- het vervangend processtuk zijdens [gedaagden] van 31 augustus 2026 (conclusie van antwoord),
- de akte overlegging producties 17 t/m 20 van de Belastingdienst,
- de mondelinge behandeling van 1 september 2026,
- de pleitnota van de Belastingdienst met bijlage,
- de pleitnota van [gedaagden]
2 De feiten
2.1. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] B.V. vormen gezamenlijk een Fiscale Eenheid voor de omzetbelasting.
2.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] B.V. zijn de maten van [gedaagde 2] .
2.3. [gedaagde 1] is (indirect) bestuurder van [gedaagde 3] B.V.
2.4. Binnen de ondernemingen wordt een administratie- en belastingadviespraktijk gevoerd.
2.5. Bij brieven van 11 december 2025 heeft de Belastingdienst de volgende boekenonderzoeken aangekondigd:
"
2.6. De Belastingdienst heeft tevens verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken en (kopieën van) boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen. In bijlage A bij de aankondigingsbrieven heeft de Belastingdienst gespecificeerd om welke informatie wordt verzocht.
2.7. Bij brief van 5 januari 2026 heeft [gedaagde 1] om uitstel verzocht van het onderzoek tot eind februari 2026. De Belastingdienst is daarmee akkoord gegaan en heeft [gedaagden] tot uiterlijk 25 februari 2026 de tijd gegeven om de gevraagde informatie te verstrekken.
2.8. [gedaagde 1] heeft daarop per brief van 6 februari 2026 kenbaar gemaakt pas medewerking aan informatieverstrekking te verlenen als aan verschillende door hem gestelde voorwaarden is voldaan. [gedaagde 1] heeft daarbij aan de Belastingdienst verzocht om verstrekking van de selectiebeslissing op grond van artikel 66a AWR, inzage in de AVG-logging en een informatiebeschikking op te leggen.
2.9. Bij brieven van 30 maart 2026 heeft de Belastingdienst op de verzoeken van [gedaagden] gereageerd.
2.10. Bij brief van 18 mei 2026 heeft de Belastingdienst meegedeeld dat [gedaagden] ten onrechte niet aan hun verplichtingen voldoen. In de brief is [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 juni 2026 de gevraagde informatie schriftelijk aan te leveren en een afspraak te maken voor een boekenonderzoek op locatie.
2.11. Bij e-mail van 18 mei 2026 heeft [gedaagde 1] zijn eerdere verzoeken en voorwaarden herhaald.
2.12. Bij e-mail van 22 mei 2026 heeft de Belastingdienst [gedaagde 1] medegedeeld dat geen informatiebeschikking wordt afgegeven, waarop [gedaagden] bij e-mail van dezelfde dag heeft gereageerd.
2.13. Bij e-mail van 4 juni 2026 is [gedaagden] nog een laatste kans gegeven om uiterlijk op 12 juni 2026 aan zijn informatieverplichtingen te voldoen.
2.14. Bij e-mail van 25 augustus 2026 heeft [gedaagden] diverse informatie aan de Belastingdienst verstrekt en zijn medewerking aan het boekenonderzoek toegezegd. Tussen partijen is naar aanleiding daarvan een inleidend gesprek ingepland op 10 september 2026.
3 Het geschil
3.1. De Belastingdienst vordert na eisvermindering dat het de voorzieningenrechter behage om [gedaagde 3] B.V te bevelen om: ( A) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de - door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR – verzochte gegevens en inlichtingen van [gedaagde 3] BV zoals omschreven in paragraaf 4.2.1 van de dagvaarding:
- Auditfile Salaris;
- Ingevulde Vragenlijst “Ter beschikking gestelde auto’s”;
- Leasecontracten;
- Onderliggende stukken met betrekking tot de “overige voorziening” (specificatie waarop deze voorziening betrekking heeft, overeenkomst(en) en de becijfering van de balanspost per 31 december 2020 en 31 december 2021);
- Specificatie van de overige vorderingen en overige schulden;
- Overzicht van de in 2021 verstrekte personeelsvergoedingen,
( B) binnen twee weken na de datum van het te dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens [gedaagde 3] BV, onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming en (ii) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van [gedaagde 3] BV;
het de voorzieningenrechter behage om [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk te bevelen om:
( C) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de - door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR – verzochte gegevens en inlichtingen van [gedaagde 2] , zoals omschreven in paragraaf 4.2.3 van de dagvaarding:
- Kopie van de maatschapsovereenkomst;
- Crediteurenlijsten, leasecontracten;
- Specificatie van de overige vorderingen en overige schulden,
( D) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens [gedaagde 2] , onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming, en (ij) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van [gedaagde 2] ;
het de voorzieningenrechter behage om [gedaagden] hoofdelijk te bevelen om:
( E) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de - door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR - verzochte gegevens en inlichtingen van de Fiscale Eenheid, zoals omschreven in paragraaf 4.2.5 van de dagvaarding:
1. Aansluitingsberekening omzetbelasting,
- F) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens de Fiscale Eenheid, onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming, en (ii) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van de Fiscale Eenheid;
- G) de in (A) t/m (F) omschreven gegevens en inlichtingen en/of verklaringen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze te verstrekken;
- H) binnen een als dan door de Belastingdienst te stellen termijn volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de schriftelijke en/of mondelinge beantwoording van (vervolg)vragen die nog kunnen rijzen naar aanleiding van de verstrekking van verzochte gegevens en inlichtingen, waaronder, maar niet uitsluitend, alle gegevens en inlichtingen zoals omschreven in (A) t/m (F);
- I) binnen twee weken na de datum van dit vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan de onder (A) t/m (H) omschreven bevelen te voldoen, zulks op straffe van verbeurte van een, aan ieder van hen afzonderlijk op te leggen dwangsom ter hoogte van € 10.000,-, althans ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden met de nakoming van deze verplichtingen in gebreke blijven, totdat een maximum van € 1.000.000,- is bereikt;
- J) met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;
- K) met veroordeling van gedaagden in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot;
- L) met verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
3.2. De Belastingdienst baseert zijn vorderingen op de informatieverplichtingen van de artikelen 42, 47, 49, 50 en 52 AWR.
3.3. [gedaagden] voert verweer.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de Belastingdienst daarbij een spoedeisend belang heeft. [gedaagden] betwist dat de Belastingdienst spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
4.2. De vorderingen zoals die door de Belastingdienst zijn ingesteld zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar haar aard spoedeisend. De Belastingdienst verzoekt [gedaagden] al sinds december 2025 bij herhaling om informatie te verstrekken en om medewerking te verlenen aan het aangekondigde boekenonderzoek. [gedaagden] heeft daar volgens de Belastingdienst tot aan de dag van de mondelinge behandeling niet volledig aan voldaan, ondanks de informatie die op 25 augustus 2026 door [gedaagden] is aangeleverd. Het gevolg is dat de Belastingdienst geen belasting kan heffen of kan navorderen, omdat daarvoor de gevraagde informatie vereist is. Het spoedeisend belang is gelet op het voorgaande gegeven.
4.3. De voorzieningenrechter komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak. In de kern ligt de vraag voor of [gedaagden] gehouden is tot volledige en onvoorwaardelijke informatieverstrekking en medewerking aan het boekenonderzoek gericht [gedaagde 3] B.V., [gedaagde 2] en de Fiscale Eenheid.
4.4. Vooropgesteld wordt dat het de wettelijke taak van de inspecteur is om ten laste van aan de Nederlandse belastingwet onderworpen belastingplichtigen belastingaanslagen vast te stellen en, indien daartoe aanleiding bestaat, navorderings- of naheffingsaanslagen vast te stellen.
4.5. Daarnaast rust op een ieder, en daarmee ook op [gedaagden] (hetgeen ook niet door hen wordt betwist) op grond van 47 en 53 AWR de wettelijke verplichting om desgevraagd inlichtingen te verschaffen voor de vaststelling van bestaan en omvang van fiscale verplichtingen in Nederland.
4.6. Ingevolge artikel 47 AWR is een ieder gehouden desgevraagd aan de Inspecteur van de Belastingdienst de gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing en (de inhoud van) boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die invloed kunnen uitoefen op de belastingheffing beschikbaar te stellen. Artikel 53 AWR voegt daar aan toe dat de in artikel 52 genoemde administratieplichtigen (waartoe [gedaagden] dienen te worden gerekend) onderworpen zijn aan de inlichtingenplicht van art. 47 AWR ten behoeve van de belastingheffing van derden alsook de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen.
4.7. Artikel 52a lid 1 AWR voorziet in de bevoegdheid van de Belastingdienst om – kort gezegd – in geval van niet-nakoming van de inlichtingenplicht dit verzuim in een voor beroep vatbare beschikking (door de wet aangeduid als informatiebeschikking) vast te leggen. Indien deze informatiebeschikking onherroepelijk wordt heeft dit nadelige gevolgen voor de bewijspositie van de belastingplichtige in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de aanslagen waarop de informatiebeschikking betrekking heeft. De leden 2 en 3 van dit artikel geven onder meer regels met betrekking tot de verlenging van de wettelijke termijn voor het opleggen c.q. vaststellen van aanslagen en het vervallen van de beschikking door het (alsnog) opleggen van aanslagen. Op grond van het vierde lid is de Belastingdienst bevoegd bij de burgerlijke rechter een procedure aanhangig te maken strekkende tot het verkrijgen van een veroordeling tot nakoming van de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen op straffe van een dwangsom.
4.8. Met het oog op de verplichtingen op grond van artikel 47 ARW heeft de Hoge Raad op 12 juli 2013
- in een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, echter onder de beperking dat wilsafhankelijk materiaal alleen mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing;
- voldoet de belastingplichtige niet aan voormeld bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Als partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en de bewijslast ter zake. Dat brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen, in de zin van aannemelijk maken, dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet afgestane, materiaal kon verschaffen;
- wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Als dit laatste toch gebeurt, dan moet de belasting- of strafrechter bepalen welke gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.
De strekking van de uitspraak van 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad herhaald in arresten van 24 april 2015
4.9. De vorderingen van de Belastingdienst zien onder andere op het verstrekken van concrete gegevens en inlichtingen zoals beschreven in paragrafen 4.2.1, 4.2.3 en 4.2.5 van de dagvaarding. [gedaagden] heeft op 25 augustus 2026 informatie aan de Belastingdienst verstrekt. De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat de door [gedaagden] verstrekte informatie verre van volledig is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Belastingdienst een bijlage overgelegd waarin is vermeld welke gegevens er concreet ontbreken. [gedaagden] heeft niet weersproken dat hij de in de betreffende bijlage vermelde gegevens tot op heden niet heeft overgelegd. Daarmee heeft de Belastingdienst naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagden] tot op heden niet alle beschikbare of met redelijkerwijs te vergen inspanning te verkrijgen informatie heeft verstrekt.
4.10. Het verweer van [gedaagden] dat hij niet in staat is bepaalde informatie aan te leveren vanwege een gelegd civiel beslag, wordt verworpen. Het betreffende beslag zou volgens de eigen stellingen van [gedaagden] in 2019 zijn gelegd. De informatie waarop de vorderingen van de Belastingdienst betrekking hebben, ziet op de periode 2020-2021. Hoewel [gedaagden] hier ter zitting expliciet naar is gevraagd, heeft hij niet kunnen aangeven welke concrete documenten die door de Belastingdienst van [gedaagden] worden gevraagd, onder het gestelde beslag zouden kunnen vallen. Daarmee is vooralsnog voldoende aannemelijk dat [gedaagden] de gevorderde gegevens en inlichtingen kan verstrekken.
4.11. De vorderingen die zien op concrete gegevens en inlichtingen kunnen zoals na eisvermindering gevorderd worden toegewezen.
4.12. Nadat [gedaagden] op grond van dit kort geding nadere informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt en er op 10 september 2026 een gesprek tussen partijen plaatsvindt, bestaat de mogelijkheid dat er bij de Belastingdienst (vervolg)vragen rijzen. Anders dan waarvan [gedaagden] lijkt uit te gaan strekt de informatieplicht ex artikel 47 lid 1 AWR zich in beginsel ook uit tot de door de Belastingdienst gewenste nadere informatie, nadat een belastingplichtige een vragenbrief reeds heeft beantwoord. Dat is in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. De vorderingen op dit punt worden toegewezen.
4.13. [gedaagden] heeft verder als verweer gevoerd dat het wijzen van een informatiebeschikking door de Belastingdienst in dit geval de aangewezen route is. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 52a lid 4 AWR de mogelijkheid om in een civielrechtelijk kort geding informatie van een belastingplichtige af te dwingen en daaraan een dwangsom te laten verbinden. In artikel 52a AWR is aan de Belastingdienst tevens de bevoegdheid gegeven om een fiscaalrechtelijke informatiebeschikking jegens de belastingplichtige uit te vaardigen. Uit de eerste zin van het vierde lid van artikel 52a AWR volgt dat de mogelijkheid van het geven van een informatiebeschikking niet in de weg staat aan het entameren van een kort geding. Dit is ook vaste rechtspraak en wordt overigens door [gedaagden] ook niet betwist. Niet valt in te zien op grond waarvan de Belastingdienst in dit geval desalniettemin gehouden zou zijn de route van de informatiebeschikking te volgen.
4.14. De op artikelen 42, 47, 49, 50 en 52 AWR gebaseerde vorderingen zijn in na te melden zin toewijsbaar, waarbij [gedaagden] ook zal worden veroordeeld tot het beantwoorden van mogelijke vervolgvragen. [gedaagden] zullen worden veroordeeld de informatie stellig, duidelijk en zonder voorbehoud te verstrekken.
4.15. Wilsafhankelijk materiaal dat door [gedaagden] ingevolge het te geven bevel is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van [gedaagden] Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.
4.16. Al hetgeen [gedaagden] voor het overige nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
4.17. De Belastingdienst vordert dat aan [gedaagden] dwangsommen worden opgelegd. De voorzieningenrechter acht het opleggen van dwangsommen in dit geval aangewezen. [gedaagden] heeft meer subsidiair verzocht de dwangsommen te matigen en te maximeren. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de dwangsom te matigen en limiteren zoals in het dictum vermeld.
4.18.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op:
4.19. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. beveelt [gedaagde 3] B.V. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis om volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de – door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR – verzochte gegevens en inlichtingen van [gedaagde 3] B.V. zoals omschreven in paragraaf 4.2.1 van de dagvaarding:
- Auditfile Salaris;
- Ingevulde Vragenlijst “Ter beschikking gestelde auto’s”;
- Leasecontracten;
- Onderliggende stukken met betrekking tot de “overige voorziening” (specificatie waarop deze voorziening betrekking heeft, overeenkomst(en) en de becijfering van de balanspost per 31 december 2020 en 31 december 2021);
- Specificatie van de overige vorderingen en overige schulden;
- Overzicht van de in 2021 verstrekte personeelsvergoedingen,
5.2. beveelt [gedaagde 3] B.V. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis om volledig en onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens [gedaagde 3] B.V., onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming en (ii) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van [gedaagde 3] B.V.,
5.3. beveelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis om volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de – door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR – verzochte gegevens en inlichtingen van [gedaagde 2] , zoals omschreven in paragraaf 4.2.3 van de dagvaarding:
- Kopie van de maatschapsovereenkomst;
- Crediteurenlijsten, leasecontracten;
- Specificatie van de overige vorderingen en overige schulden,
5.4. beveelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, om volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens [gedaagde 2] , onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming, en (ii) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van de Maatschap,
5.5. beveelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis om volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van de – door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR – verzochte gegevens en inlichtingen van de Fiscale Eenheid, zoals omschreven in paragraaf 4.2.5 van de dagvaarding:
1. Aansluitingsberekening omzetbelasting,
5.6. beveelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis om volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek jegens de Fiscale Eenheid, onder meer, maar niet uitsluitend, door: (i) mee te werken aan het inplannen en laten plaatsvinden van een inleidend gesprek met de Belastingdienst en een bezichtiging van de onderneming, en (ii) het verschaffen van het benodigde inzicht in (de opzet en werking van) alle boeken en bescheiden (lees: de gehele administratie) van de Fiscale Eenheid,
5.7. beveelt [gedaagden] hoofdelijk om de onder 5.1 t/m 5.6 vermelde gegevens en inlichtingen en/of verklaringen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze te verstrekken,
5.8. beveelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen een als dan door de Belastingdienst te stellen redelijke termijn volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de schriftelijke en/of mondelinge beantwoording van (vervolg)vragen die nog kunnen rijzen naar aanleiding van de verstrekking van verzochte gegevens en inlichtingen, waaronder, maar niet uitsluitend, alle gegevens en inlichtingen zoals omschreven onder 5.1 t/m 5.7,
5.9. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om: ─ binnen twee weken na dit vonnis aan de onder 5.1 t/m 5.7 omschreven bevelen te voldoen en; ─ binnen twee weken na de door de Belastingdienst gestelde redelijke termijn aan het onder 5.8 omschreven bevel tot beantwoording van (vervolg)vragen te voldoen;
en veroordeelt ieder van hen afzonderlijk om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. t/m 5.8 genoemde hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
5.10. verbindt aan de veroordelingen onder 5.1 t/m 5.9 de restrictie dat de verstrekte gegevens voor zover het gaat om wilsafhankelijk materiaal uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing en niet voor fiscale beboeting of strafvervolging,
5.11. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.260,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.12. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.13. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.14. wijst het meer of anders gevorderde af.