Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2026:9315

ECLI:NL:RBLIM:2026:9315 Rechtbank Limburg , 03-09-2026 / C/03/354122 / KG ZA 26-278
Civiel recht > Goederenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

[eiser] (advocaat mr. J.M. McKernan) vordert in kort geding afgifte van de Pomeranian genaamd [de hond] van [gedaagde] (advocaat mr. D.V.C.J. Laumen). Partijen hadden vanaf 2021 een affectieve relatie; op 15 juni 2022 werd de hond gekocht (koopprijs €2.800,-). Partijen woonden van april 2024 tot april 2025 samen. Sinds eind juli 2025 verbleef [de hond] bij [eiser]. Na beëindiging van de relatie ontstond discussie over de hond; in een eerder kort geding van 3 maart 2026 wees de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde] af omdat in kort geding de wettelijke bewijsvermoedens niet konden worden weerlegd. Tegen dat vonnis werd geen hoger beroep ingesteld. [gedaagde] startte intussen een bodemprocedure (zitting gepland 1 december 2026).

Feitelijk stelt [eiser] dat op 3 juli 2026 bij een confrontatie hij is mishandeld en [de hond] uit zijn auto is weggenomen, waarna de hond bij [gedaagde] bleef. Hij vordert nu afgifte op grond van artikel 3:125 BW: degene die bezit had en dit bezit is ontnomen kan tegen derden dezelfde vorderingen instellen als de rechthebbende. [gedaagde] betwist (onder meer) het verhaal over 3 juli, beroept zich op verschoningsrecht ten aanzien van strafrechtelijke procedures en stelt dat de eigendomsvraag in de bodemprocedure moet worden beslecht; zij voert tevens aan dat zij feitelijk houder/bezitter is en op grond van artikelen 3:108, 3:109 en 3:119 BW uit het bezit het vermoeden volgt dat zij voor zichzelf houdt en daardoor eigenares is.

De voorzieningenrechter overwoog dat het oordeel en de feiten uit het eerdere vonnis (3 maart 2026) vooralsnog van toepassing zijn: voorshands moet worden aangenomen dat [eiser] tot het incident op 3 juli 2026 de feitelijke macht over en het bezit van [de hond] uitoefende. In kort geding is geen plaats voor uitgebreide bewijslevering om de eigendomsvraag definitief te beslechten; daarom dienen de wettelijke vermoedens en het beschermingsbeginsel voor de ontnomen bezitter (art. 3:125 lid 1 BW) richtinggevend te zijn. Het beroep van [gedaagde] op een beter recht (art. 3:125 lid 2 BW) kon zonder nadere bewijslevering niet slagen.

Gelet daarop werd de vordering van [eiser] tot afgifte van [de hond] toegewezen: [gedaagde] is veroordeeld de hond levend en in goede conditie binnen 48 uur na betekening af te geven. De rechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Omdat [gedaagde] geen vrijwillige teruggave toezegt en de hond sinds 3 juli 2026 bij haar verblijft, werd de veroordeling versterkt met een dwangsom van €500 per dag of dagdeel, ingaand na de termijn van 48 uur, met een maximumbedrag van €5.000 (artikel 611b Rv). De door [eiser] verzochte machtiging om, zo nodig met inzet van politie (de zogenaamde sterke arm), zelf ten uitvoer te leggen werd afgewezen omdat uitvoering bij dwang al geregeld is in artikel 491 jo. 444 Rv. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€925) werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie; proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Samengevat: wegens het voorshands bestaande bezit van [eiser] tot het incident en het ontbreken van ruimte voor bewijslevering in kort geding kreeg [eiser] onmiddellijke afgifte toegewezen met dwangsom en uitvoerbaarheid bij voorraad; overige vorderingen (machtiging sterke arm, incassokosten) werden niet toegewezen.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:2059
Civiel recht > Verbintenissenrecht
03-03-2026 92% soortgelijk
Rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht), zaaknr. C/03/349457 / KG ZA 26-48 — vonnis in kort geding van 3 maart 2026 (voorzieningenrechter mr. Etman). Partijen - [eisende partij], wonende te [plaats 1], bijgestaan door...
ECLI:NL:RBMNE:2026:1675
Civiel recht
20-04-2026 90% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, vonnis (kort geding) 22 april 2026 (zaaknr. C/16/608498 / KG ZA 26-128). Partijen: [eisende partij] (eiser), wonende te [woonplaats], bijgestaan door mr. S. van Beers; tegen [gedaagde partij]...
ECLI:NL:RBROT:2026:9368
Civiel recht
30-07-2026 89% soortgelijk
RECHTBANK Rotterdam (Team handel en haven), vonnis in kort geding van 2 juli 2026, zaak C/10/720141 / KG ZA 26-492. Partijen - Eiseres: [eiseres] (hierna: de vrouw), bijgestaan door mr. S.A.E. van...
ECLI:NL:RBZWB:2025:9674
Civiel recht > Personen- en familierecht
13-01-2026 89% soortgelijk
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, Team Familie‑ en Jeugdrecht (Breda), zaaknr. C/02/440857 / KG ZA 25‑534, vonnis 8 december 2025 (mr. Oomes). Partijen - Eiser in conventie / verweerder in reconventie: [de man], woonplaats [woonplaats],...
ECLI:NL:RBLIM:2025:8350
Civiel recht > Verbintenissenrecht
26-08-2025 89% soortgelijk
Op 6 mei 2025 heeft de Rechtbank Limburg in Roermond een vonnis uitgesproken in een kort geding tussen [eiser] en [gedaagde], die een affectieve relatie hadden van 2015 tot 2023. Het geschil...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Afgifte hond, eerder oordeel kort geding nog van toepassing, artt. 3:109 jo 3:125 BW, oordeel met inachtneming wettelijke vermoedens, geen nader onderzoek of bewijslevering in kort geding. Toewijzen afgifte hond onder verbeurte van een dwangsom, afwijzen machtiging inroepen sterke arm, afwijzen buitengerechtelijke kosten, compensatie proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/354122 / KG ZA 26-278

Vonnis in kort geding van 3 september 2026

in de zaak van

[eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.M. McKernan,

tegen

[gedaagde] , wonende te [plaats 2] , gemeente Sittard-Geleen, gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. D.V.C.J. Laumen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met de producties 1 tot en met 7
  • de brief zijdens [eiser] waarbij productie 8 is overgelegd
  • de brief zijdens [gedaagde] waarbij productie 1 is overgelegd
  • de brief zijdens [eiser] waarbij productie 9 is overgelegd
  • de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan zittingsaantekeningen zijn gemaakt.

Mr. Laumen heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd en maken daarvan deel uit.

2 De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde] hebben vanaf 2021 een affectieve relatie gehad.

2.2. Tijdens hun relatie hebben [eiser] en/of [gedaagde] op 15 juni 2022 een hond (ras: Pomeranian, zijnde een dwergkeeshond) genaamd [de hond] gekocht bij Pomeranian NL (productie 1 [eiser] ). Blijkens de koopovereenkomst kostte [de hond] € 2.800,00.

2.3. In april 2024 zijn partijen gaan samenwonen. In april 2025 hebben partijen hun affectieve relatie beëindigd waarmee tevens een einde is gekomen aan het samenwonen.

2.4. Na het verbreken van de relatie hebben partijen een regeling afgesproken omtrent [de hond] . Aanvankelijk zorgden partijen na het beëindigen van de relatie om beurten voor [de hond] . Sinds 25 juli 2025 verblijft [de hond] bij [eiser] .

2.5. [gedaagde] heeft in een eerdere kortgedingprocedure (met zaaknummer C/03/349457 / KG ZA 26-48) afgifte van [de hond] gevorderd (productie 2 [eiser] ). Bij vonnis van 3 maart 2026 (productie 4 [eiser] ) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde] afgewezen, waarbij (onder andere) het volgende is overwogen:

“(...) 2. De feiten

(...) 2.2. (...) [gedaagde] heeft voor de aankoop € 2.685,00 giraal voldaan [voetnoot 2: productie 2 bij dagvaarding]. Het resterende bedrag is contant betaald. Op 7 juli 2022 is [de hond] opgehaald bij Pomeriaan NL. (...)

2.4. Aanvankelijk zorgden partijen na het beëindigen van de relatie om beurten voor [de hond] . [de hond] verblijft sinds 27 juli 2025 bij [eiser] . (...)

4 De beoordeling

(...) 4.4.Tussen partijen staat vast dat [de hond] sinds juli 2025 bij [eiser] verblijft en hij sindsdien de feitelijke macht over [de hond] uitoefent en [de hond] verzorgt [voetnoot 3: zie rov. 2.4.].

4.5. Op grond van artikel 3:109 BW wordt vermoed dat [eiser] [de hond] voor zichzelf houdt en daarmee de bezitter van [de hond] is. Volgens artikel 3:119 BW leidt dat bezit tot het vermoeden dat hij rechthebbende (eigenaar) is. Dat wettelijk vermoeden is weerlegbaar. Daarvoor moet [gedaagde] bewijs leveren, waardoor deze vermoedens worden ontkracht.

4.6. Volgens artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen. Volgens artikel 3:118 lid 3 BW wordt de goede trouw vermoed aanwezig te zijn, en moet [gedaagde] het ontbreken van goede trouw bewijzen. (…)

Oordeel

4.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen [gedaagde] aangevoerd heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende is om binnen het bestek van dit kort geding de wettelijke bewijsvermoedens te weerleggen. Nu partijen ieder een andere lezing hebben van de feiten en omstandigheden rondom de koop, de levering, de registratie van [de hond] en de afspraken over [de hond] toen partijen uit elkaar zijn gegaan dient daarover nadere bewijslevering plaats te vinden. Hiervoor is echter in kort geding geen plaats.

4.10. De slotsom is dat de vorderingen onder 1 tot en met 4 zullen worden afgewezen, omdat in dit kort geding niet in voldoende mate aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de eigenaar is van [de hond] . (…)”

2.6. De voorzieningenrechter heeft de gevorderde voorzieningen vervolgens afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.7. [gedaagde] is bij dagvaarding van 29 mei 2026 een bodemprocedure (met zaaknummer C/03/353227) gestart, waarin [gedaagde] - kort gezegd - afgifte van [de hond] vordert. Er is een mondelinge behandeling is gepland op 1 december 2026.

3 Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. [gedaagde] veroordeelt tot afgifte van de hond aan [eiser] , van het ras Pomeranian, genaamd [de hond] , levend en in goede conditie, binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of dagdeel II. dat [gedaagde] na betekening van het vonnis niet aan deze veroordeling voldoet; III. [eiser] machtigt om de afgifte uit sub 1 zo nodig ten uitvoer te (doen) leggen met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie; IV. [gedaagde] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten ad € 925,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening; V. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure en advocaatkosten, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. VI. althans een in goede justitie te nemen beslissing.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang uit de aard van de zaak volgt. [eiser] heeft immers gesteld dat [de hond] (die momenteel bij [gedaagde] verblijft) tegen zijn zin en zonder zijn toestemming aan zijn bezit is onttrokken terwijl de vordering ertoe strekt dat ongedaan te maken.

Afgifte hond [de hond]

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een hond geen zaak is, maar dat de regels over zaken in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wel van toepassing zijn (artikel 3:2a lid 2 BW).

4.3. [eiser] heeft - kort gezegd - het volgende gesteld.

In de avond van 3 juli 2026 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [eiser] enerzijds en (familieleden/vrienden van) [gedaagde] anderzijds, waarbij [eiser] is mishandeld en [de hond] uit de auto van [eiser] is weggenomen. Daarmee heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met hetgeen de voorzieningenrechter eerder heeft beslist en neemt zij het recht in eigen handen. In afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure en gelet op het vonnis in het eerdere kort geding, dient [eiser] vooralsnog te worden beschouwd als rechtmatige houder en bezitter van [de hond] . In die hoedanigheid en gezien het bepaalde in artikel 3:125 BW kan [eiser] afgifte van [de hond] vorderen. [gedaagde] komt immers niet een beter recht in de zin van lid 2 van dat artikel toe, althans staat dat niet aan de vordering van [eiser] in de weg nu zijn bezit met geweld en bedreiging is weggenomen.

4.4. [gedaagde] heeft - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Het is niet relevant wat er in de avond van 3 juli 2026 is gebeurd. [gedaagde] heeft niet zelf [de hond] aan de macht van [eiser] onttrokken en zij betwist door het inzetten van geweld te hebben geprobeerd [de hond] te verkrijgen. [gedaagde] beroept zich op haar verschoningsrecht wat betreft de gebeurtenissen op 3 juli jl., gelet op de lopende aangifte(s) en een andere strafrechtelijke procedure tussen partijen. De discussie over de eigendom van [de hond] moet in een bodemprocedure worden beslecht, zodat er geen aanleiding is voor een voorlopige voorziening. Het verzoek tot afgifte van [de hond] hangt onlosmakelijk samen met de eigendomsvraag. Niet staat vast dat [eiser] eigenaar is van [de hond] , zodat hij ook geen afgifte van [de hond] kan vorderen. De reden dat [de hond] bij hem was ten tijde van het vorige kort geding was dat [eiser] op 27 juli 2025 heeft besloten om - in strijd met de afspraken - [de hond] niet meer naar [gedaagde] terug te brengen.

[gedaagde] is enig eigenaar van [de hond] . [eiser] is op dit moment houder noch bezitter van [de hond] , terwijl hij zijn vordering tot afgifte daarop baseert. [gedaagde] oefent de feitelijke macht over [de hond] uit en verzorgt haar. Gelet op artikelen 3:108 jo 3:109 jo 3:119 BW wordt zij vermoed te houden voor zichzelf en leidt dit bezit ook tot het vermoeden dat zij eigenaar van [de hond] is.

4.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hetgeen in het kortgedingvonnis van 3 maart 2026 is overwogen en geoordeeld, nog steeds van toepassing is, in die zin dat er op basis van het bepaalde in artikel 3:109 BW voorshands van moet worden uitgegaan dat [eiser] - totdat [de hond] tegen zijn zin en zonder zijn toestemming aan zijn macht is onttrokken - vermoed werd bezitter van [de hond] te zijn. In artikel 3:125 lid 1 BW staat dat degene die het bezit van een goed heeft verkregen en het daarna verliest, tegen derden dezelfde rechtsvorderingen kan instellen tot terugverkrijging van het goed als de rechthebbende op het goed. Uitgaande van het voorshands aan te nemen feit dat [eiser] de bezitter was van [de hond] tot het incident op 3 juli 2026, betekent dit dat voor nu moet worden aangenomen dat hem ten opzichte van [gedaagde] een vordering tot afgifte van [de hond] toekomt.

4.6. Ter zitting is zijdens [gedaagde] naar aanleiding van het beroep door [eiser] op voornoemd artikel verklaard dat de geschillen tussen partijen niet met het incident op 3 juli jl. zijn begonnen: [de hond] was bij [gedaagde] , terwijl [eiser] haar op 27 juli 2025 niet (volgens afspraak) heeft teruggebracht, zodat het door [eiser] is begonnen. De voorzieningenrechter snapt dat [gedaagde] dit aanvoert, maar het kan niet tot een andere conclusie leiden. Gesteld noch gebleken is dat voorafgaand aan 27 juli 2025 tussen partijen een geschil bestond over het eigendom van [de hond] . Aan de feitelijke gang van zaken tot dat moment kan - in ieder geval zonder nader onderzoek, waarvoor in een kort geding geen ruimte is - daarom geen exclusieve eigendomspretentie van een van beide partijen worden ontleend. Vervolgens ontstaat het geschil en wordt de zaak in kort geding voorgelegd, waar (voor het eerst) blijkt dat beide partijen stellen de enige eigenaar van [de hond] te zijn. Als partijen het daarover niet eens kunnen worden, zal de voorzieningenrechter moeten oordelen met inachtneming van de wettelijke vermoedens. En omdat de verdeling van [de hond] niet in kort geding aan de orde kan komen, zijn voor wat betreft de beslissing in kort geding maar twee opties: [de hond] blijft ofwel voorlopig bij [eiser] ofwel voorlopig bij [gedaagde] . Waar [eiser] de eerste is die [de hond] , voor de voorzieningenrechter nu kenbaar, heeft gehouden in combinatie met de stelling dat hij enig eigenaar is, moet er in kort geding van worden uitgegaan dat de wettelijke vermoedens in zijn voordeel werken. Dit alles doet er niet aan af dat de gang van zaken ook voorafgaand aan 27 juli 2025 in de bodemzaak een rol zou kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of [de hond] van [eiser] of [gedaagde] of van hen beiden is.

4.7. Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat zij in de zin van artikel 3:125 lid 2 BW een beter recht heeft dan [eiser] , hetgeen [eiser] gemotiveerd heeft betwist, geldt dit in dit kort geding zonder nadere bewijslevering niet is vast te stellen. Voor bewijslevering is echter geen plaats in een kortgedingprocedure.

4.8. Uit het vooroverwogene volgt dat de door [eiser] bij petitum sub I gevorderde afgifte van [de hond] zal worden toegewezen. Nu evenmin de afgiftetermijn van 48 uur na betekening is weersproken, zal deze eveneens worden toegewezen.

Dwangsom en machtiging afgifte [de hond] met behulp van sterke arm

4.9. Gelet op het feit dat [gedaagde] geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om [de hond] terug te geven en zij van oordeel is dat de (uitkomst van de) bodemprocedure dient te worden afgewacht, acht [eiser] het niet aannemelijk dat [gedaagde] vrijwillig zal overgaan tot afgifte van [de hond] . Hierbij is volgens hem van belang de wijze waarop [gedaagde] [de hond] aan zijn machtssfeer heeft onttrokken, namelijk door middel van bedreiging en geweld. Gelet hierop vordert [eiser] een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] [de hond] niet (tijdig) afgeeft. Om diezelfde reden verzoekt [eiser] om de afgifte (zo nodig) ten uitvoer te (laten) leggen met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie. [eiser] acht dit noodzakelijk omdat [gedaagde] het inzetten van geweld kennelijk niet schuwt.

4.10. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat er geen reden bestaat om een dwangsom op te leggen: [gedaagde] heeft [de hond] immers niet met geweld en bedreiging (zoals door [eiser] gesteld) uit de machtssfeer van [eiser] onttrokken. Daarbij komt dat er geen maximum aan dwangsommen is opgenomen en dat de hoogte van de dwangsom niet (voldoende) is onderbouwd, aldus [gedaagde] .

Dwangsom

4.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het kader van de beoordeling van de gevorderde dwangsom niet relevant is of [gedaagde] [de hond] al dan niet met geweld en/of bedreiging aan de machtssfeer van [eiser] heeft onttrokken. Vaststaat immers dat [de hond] vanaf 3 juli 2026 bij haar verblijft en dat zij [de hond] niet vrijwillig aan [eiser] wil afgeven. Dat is voldoende reden om de tegen [gedaagde] uit te spreken veroordeling te versterken met een dwangsom.

4.12. Artikelen 611a tot en met 611i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevatten regels ten aanzien van de dwangsom. Ingevolge artikel 611b Rv stelt de rechter een dwangsom vast waarvan verwacht wordt dat er een maximale dwingende werking van uitgaat. In zoverre faalt het verweer van [gedaagde] dat [eiser] de hoogte van de gevorderde dwangsom niet (voldoende) heeft onderbouwd, nu de vaststelling van de hoogte is voorbehouden aan de rechter.

4.13. Ingevolge artikel 611b Rv kan de rechter ook een maximum vaststellen, waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de gevorderde dwangsom van € 500,00 toe te wijzen, met dien verstande dat dit pas ingaat indien [gedaagde] [de hond] niet binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] heeft afgegeven, en onder vaststelling van een maximumbedrag van € 5.000,00.

Machtiging

4.14. De gevorderde machtiging van [eiser] om de afgifte, met inroeping van de sterke arm van politie en justitie, uit te (doen) voeren, zal worden afgewezen omdat daarin al is voorzien door middel van het bepaalde in artikel 491 jo. 444 Rv. Bij een eventuele (aanhoudende) weigering van [gedaagde] om [de hond] af te geven, kan dat op basis van deze wettelijke bepalingen gebeuren, zo nodig met behulp van politie en justitie.

Buitengerechtelijke kosten

4.15. [eiser] maakt aanspraak op een vergoeding van de door hem gemaakt buitengerechtelijke kosten en voert daartoe het volgende aan.

[eiser] en zijn advocaat hebben [gedaagde] buiten rechte verzocht c.q. gesommeerd [de hond] terug te brengen. [gedaagde] heeft hier geen gehoor aan gegeven. Om die reden heeft [eiser] aanspraak op een vergoeding van de kosten ter voldoening buiten rechte. [eiser] vordert een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00 op grond van artikel 3.3 van het Rapport BGK-integraal 2013.

4.16. [gedaagde] heeft deze kosten betwist. Volgens haar is niet concreet gesteld en onderbouwd welke buitengerechtelijke werkzaamheden door [eiser] dan wel zijn advocaat zijn verricht. Het verweer van [gedaagde] slaagt, in die zin dat niet is gebleken van andere werkzaamheden dan een sommatie, zodat dit deel van het door [eiser] gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.17. De rechtbank ziet in de affectieve relatie die partijen hebben gehad aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de hond aan [eiser] , van het ras Pomeranian, genaamd [de hond] , levend en in goede conditie, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] daarna aan deze veroordeling voldoet, met een maximumbedrag van € 5.000,00,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.