ECLI:NL:RBLIM:2026:9255 Rechtbank Limburg , 03-09-2026 / 12297880 \ CV EXPL 26-3586
Samenvatting
Partijen andropen: [verhuurder] (woonplaats [plaats 1], België), gemachtigd door mr. M.C.G. Nijssen, versus [huurder] handelend onder de naam [handelsnaam] (woonplaats [plaats 2]), gemachtigd door mr. M.J. Mookhram. Kantonrechter te Maastricht (zaaknr. 12297880 \ CV EXPL 26-3586), vonnis in kort geding van 3 september 2026, mevr. mr. Otto als voorzieningenrechter.
Feiten: Partijen sloten een huurovereenkomst voor het pand aan [adres] te [plaats 2] (kapsalon en bovenwoning) voor twee jaar, ingaande 1 juni 2024. [verhuurder] stelde de huurovereenkomst per aangetekend schrijven van 16 februari 2026 opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden en vorderde ontruiming omdat de huurovereenkomst volgens hem op 31 mei 2026 van rechtswege was geëindigd. [huurder] betwistte dit: zij stelde dat partijen overeenstemming hadden bereikt over verlenging en kondigde een bodemprocedure aan waarin zij onder meer omzetting naar een huurovereenkomst met wettelijke termijn van vijf jaar zal vorderen. In reconventie vorderde [huurder] primair een verbod op feitelijke ontruiming zolang de bodemprocedure loopt; subsidiair verlangde zij splitsing van het huurcontract in twee huurovereenkomsten (bedrijfsruimte en woonruimte) en meer subsidiair een ontruimingstermijn van 6–12 maanden indien ontruiming zou worden toegewezen.
Procedureverloop: dagvaarding met producties 0–12; reconventionele eis ingediend 26 augustus 2026 (producties 1–5); mondelinge behandeling 27 augustus 2026 met pleitaantekeningen.
Schikking en beslissing: Tijdens zitting bereikten partijen een overeenkomst: [huurder] mag gebruik blijven maken van het gehuurde tot 1 september 2027 tegen betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de vroegere maandhuur; verder zullen de proceskosten worden gecompenseerd door ieder partij haar eigen kosten te laten dragen. Op basis van die overeenkomst heeft de kantonrechter de vorderingen dienovereenkomstig afgehandeld.
Rechtsreden kort samengevat:
- De feitelijke overeenkomst tussen partijen tijdens de zitting brengt mee dat de vorderingen in reconventie (onder meer verbod op ontruiming en splitsing van de huurovereenkomst) worden afgewezen; er is immers uitdrukkelijke praktische regeling getroffen voor voortzetting gebruik en betaling.
- De door [verhuurder] gevorderde machtiging om zonodig zelf de ontruiming te effectueren is afgewezen als overbodig. De kantonrechter verwijst daarbij naar de regeling van executie in artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv, zodat een bijzondere machtiging niet nodig is.
- Omdat partijen een regeling sloten, legt de rechter die regeling vast en spreekt uitvoering uit.
Uitspraak (belangrijkste onderdelen):
- [huurder] wordt veroordeeld om uiterlijk op 31 augustus 2027 [verhuurder] in vrij bezit te stellen van het pand aan [adres] te [plaats 2], geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten en behoorlijk schoongemaakt, met inachtneming van de afspraken in artikelen 11.1 en 11.2 van de huurovereenkomst.
- Die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.
- Het meer of anders gevorderde in conventie en de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
- Proceskosten: compensatie door middel van kostenverdeling dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het vonnis is gewezen door mr. Otto en openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Huurrecht: partijen komen ter zitting een ontruimingsdatum overeen en vragen om deze vast te leggen in een vonins.
Uitspraak
Civiel recht Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12297880 \ CV EXPL 26-3586
Vonnis in kort geding van 3 september 2026
in de zaak van
tegen
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding met producties 0 tot en met 12;
- het bericht van mr. Mookhram van 26 augustus 2026 met daarin de eis in reconventie met als bijlagen producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt en waarbij namens beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten en het geschil
2.1. Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot het pand aan de [adres] in [plaats 2] , bestaande uit een kapsalon en een bovenwoning. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van twee jaar, ingaande op 1 juni 2024.
2.2. Tussen partijen is in geschil of deze huurovereenkomst op 31 mei 2026 van rechtswege is geëindigd, nadat [verhuurder] de overeenkomst met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden per aangetekend schrijven van 16 februari 2026 heeft opgezegd. [verhuurder] stelt dat dat het geval is en dat [huurder] nu dus zonder recht of titel in het pand verblijft en vordert daarom [huurder] te veroordelen tot ontruiming van het pand.
2.3. [huurder] voert verweer en voert – kort gezegd – aan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een verlenging van de oorspronkelijke huurovereenkomst en dat zij in een nog aanhangig te maken bodemprocedure aanspraak zal maken op omzetting van de huurovereenkomst naar een huurovereenkomst met een wettelijke termijn van vijf jaar. Zij vordert in reconventie in deze procedure primair om [verhuurder] te verbieden om tot de feitelijke ontruiming van het pand over te gaan, hangende een definitieve beslissing in de bodemprocedure. Subsidiair maakt zij in deze procedure aanspraak op de splitsing van de huurovereenkomst, in twee afzonderlijke huurovereenkomsten voor de bedrijfsruimte en voor de woonruimte. Tot slot verzoekt zij meer subsidiair om een ontruimingstermijn van minimaal zes tot twaalf maanden, indien de kantonrechter de ontruiming in deze procedure toewijst.
3 De beoordeling in conventie en reconventie
3.1. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen na onderling overleg overeengekomen dat [huurder] nog tot 1 september 2027 gebruik mag blijven maken van het gehuurde, tegen betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding gelijk aan de voorheen verschuldigde maandelijkse huur, en dat de kosten van deze procedure zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij haar eigen kosten zal dragen. De kantonrechter zal daarom dienovereenkomstig beslissen.
3.2. De door [verhuurder] gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
3.3. Hoewel partijen daarover niets concreet hebben meegedeeld aan de kantonrechter impliceert de door partijen gemaakte afspraak dat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
4 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
4.1. veroordeelt [huurder] om [verhuurder] uiterlijk op 31 augustus 2027 in het vrije bezit te stellen van het pand aan de [adres] te [plaats 2] , en wel door het pand geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan [verhuurder] op te leveren, met inachtneming van de afspraken zoals bedoeld in artikelen 11.1 en 11.2 van de huurovereenkomst,
4.2. verklaart de in 4.1 opgenomen veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
4.3. wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.4. wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
4.5. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,