Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2025:10377

ECLI:NL:RBGEL:2025:10377 Rechtbank Gelderland , 13-06-2025 / AWB 23/5765
Bestuursrecht > Belastingrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem), zaaknummer ARN 23/5765, heeft het beroep van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst (kantoor Utrecht) overweegd en verklaart het beroep ongegrond.

Partijen en inzet

  • Belanghebbende (woonachtig te [plaats 1]) had bezwaar gemaakt tegen de op aangifte betaalde overdrachtsbelasting van €32.000 ten aanzien van de verkrijging van de woning aan [adres 1] te [plaats 1] (verkregen op 29 december 2022).
  • De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. Geschilpunt is of belanghebbende recht heeft op de startersvrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel p Wbr), in het bijzonder of hij bij verkrijging de bedoeling had de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

Feiten van belang

  • Belanghebbende bezit meerdere onroerende zaken: een woonhuis aan [adres 2] te [plaats 2] (verkregen 2018), twee bouwkavels te [plaats 3] (verkregen 2022) en de woning aan [adres 1] (verkregen 29‑12‑2022).
  • BRP‑inschrijving toont verblijf aan [adres 2] van 1‑1‑2019 tot 1‑1‑2023; met ingang van 1‑1‑2023 ingeschreven op [adres 1]. Post bleef echter op [adres 2] binnenkomen.
  • Bezoeken van de inspecteur (22‑5‑2023) en een Belastingdienst‑taxateur (4‑7‑2023) constateerden negen bedden in de woning en het ontbreken van basale woonmeubelen (bank, tafel, televisie). Belanghebbende verklaarde vanaf medio 2023 te verbouwen en soms in de woning te hebben verbleven; hij bood ter zitting aan verbouwingsfacturen te overleggen.

Rechtsoverwegingen

  • De wet en wetsgeschiedenis vergen dat bij verkrijging de intentie bestaat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken en dat die intentie ook feitelijk blijkt. De feitelijke omstandigheden zijn doorslaggevend; inschrijving in de BRP is niet beslissend.
  • De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij direct na verkrijging de woning te [plaats 1] feitelijk als hoofdverblijf ging gebruiken. Argumenten: het interieur en het grote aantal bedden wijzen niet op een eenpersoonshuishouding; er is geen bewijs dat persoonlijke spullen zijn verhuisd van [adres 2] naar [adres 1]; belanghebbende bleef de woning op [adres 2] gebruiken en post bleef daarheen gestuurd worden.
  • De verwijzing naar een arrest van Gerechtshof Den Haag (12‑12‑2024) helpt niet omdat belanghebbende zijn stelling niet heeft onderbouwd en zijn situatie (directe beschikking over de woning) niet vergelijkbaar is. Het bewijsaanbod van facturen werd door de rechtbank als tardief gewezen omdat die stukken tijdig vóór de zitting overlegd hadden kunnen worden; procesorde weegt hier zwaarder.

Conclusie en gevolgen

  • Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ging gebruiken, is de startersvrijstelling niet van toepassing. De op aangifte betaalde overdrachtsbelasting is terecht en naar juiste hoogte voldaan.
  • Het beroep wordt ongegrond verklaard; het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. Uitspraak door mr. J. Wessels (rechter), griffier mr. R. Roosma. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden binnen zes weken.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2025:7515
Bestuursrecht > Belastingrecht
03-11-2025 87% soortgelijk
Belanghebbende (wonend te [plaats]) maakte bezwaar tegen afdracht van overdrachtsbelasting na aankoop van een woning aan [adres] te [plaats]. Op 8 juni 2023 sloten belanghebbende en zijn partner [naam] een koopovereenkomst voor...
ECLI:NL:RBNHO:2025:9879
Bestuursrecht > Belastingrecht
26-08-2025 87% soortgelijk
Rechtbank Noord‑Holland (zitting Haarlem), zaken HAA 24/8164 en HAA 24/8166 (uitspr. 26-08-2025). Eisers: [eiseres] en [eiser] (gehuwd; ieder eigenaar van onverdeeld half) — gemachtigde D. van Laren; verweerder: de inspecteur van de...
ECLI:NL:GHAMS:2026:2009
Bestuursrecht > Belastingrecht
22-07-2026 87% soortgelijk
Gerechtshof Amsterdam (kenmerk 25/2035) heeft bij uitspraak van 2 juli 2026 in de tweede meervoudige belastingkamer het hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank...
ECLI:NL:RBNHO:2024:13875
Bestuursrecht > Belastingrecht
21-01-2025 86% soortgelijk
Rechtbank Noord-Holland (zitting Haarlem), meervoudige kamer, zaken HAA 23/2452 en HAA 23/2454, 12 december 2024. Partijen - Eisers: [eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats]. - Verweerder: de inspecteur van de...
ECLI:NL:RBNHO:2025:10677
Bestuursrecht > Belastingrecht
17-09-2025 86% soortgelijk
Rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem), meervoudige kamer, zaaknr. 24/707, uitspraak 2 september 2025. Partijen: [eiser], wonende te [woonplaats] (eiser) tegen de inspecteur van de Belastingdienst (verweerder). De zaak werd gelijktijdig behandeld met zaak...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

OVDRBL Deze uitspraak is op verzoek gepubliceerd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/5765

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 juli 2023.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte met [kenmerk] naar een te betalen bedrag van € 32.000 ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak aan [adres 1] te [plaats 1] .

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Feiten

1. Belanghebbende is eigenaar van een aantal onroerende zaken: een woonhuis, aan [adres 2] te [plaats 2] (verkregen in 2018), 2 bouwkavels voor het realiseren van grondgebonden woningen met tuin te [plaats 3] (verkregen in 2022) en de woning aan [adres 1] te [plaats 1] (verkregen op 29 december 2022).

2. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat belanghebbende van 1 januari 2019 tot 1 januari 2023 stond ingeschreven op het [adres 2] te [plaats 2] . Met ingang van 1 januari 2023 stond belanghebbende ingeschreven op het [adres 1] te [plaats 1] .

3. Op 22 mei 2023 heeft de inspecteur de woning te [plaats 1] bezocht. Op 4 juli 2023 heeft de taxateur van de Belastingdienst de woning bezocht. Tijdens deze bezoeken is geconstateerd dat er 9 bedden in de woning aanwezig zijn. In de woonkamer bevond zich geen bank, tafel en/of televisie.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de voldoening op aangifte van overdrachtsbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van de woning te [plaats 1] en, meer in het bijzonder, of hij ten tijde van de verkrijging de bedoeling had de woning te gaan gebruiken anders dan tijdelijk als hoofdverblijf. Niet in geschil is dat voldaan wordt aan de overige vereisten voor toepassing van de startersvrijstelling.

6. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de startersvrijstelling, de op aangifte voldane overdrachtsbelasting is terecht en naar de juiste hoogte betaald. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft belanghebbende recht op de startersvrijstelling?

7. Belanghebbende voert aan dat hij recht heeft op de startersvrijstelling ter zake de verkrijging van de woning in [plaats 1] . Belanghebbende stelt dat hij, na verkrijging, in de woning te [plaats 1] is gaan wonen en van plan is om er te blijven wonen. Verder heeft belanghebbende ter zitting gesteld dat hij de woning vanaf medio 2023 is gaan verbouwen. Ter zitting heeft belanghebbende het bewijsaanbod gedaan om de facturen voor de verbouwing over te leggen. Ook stelt belanghebbende dat toepassing van de startersvrijstelling niet wordt verhinderd door de woning te gaan gebruiken pas nadat de verbouwing is gereedgekomen. Belanghebbende verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 december 2024.

8. De inspecteur voert aan dat belanghebbende geen recht heeft op de startersvrijstelling, aangezien hij de woning te [plaats 1] niet als hoofdverblijf heeft gebruikt. In het geval geoordeeld mocht worden dat belanghebbende de woning te [plaats 1] wel als hoofdverblijf heeft gebruikt, dan is dat slechts tijdelijk van aard geweest, aldus de inspecteur. Dit staat toepassing van de startersvrijstelling in de weg.

9. Overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van (in dit geval) een woning. De startersvrijstelling worden toegepast, als aan de voorgeschreven vereisten is voldaan. Een van deze vereisten is dat de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de verkrijger op het tijdstip van de verkrijging de intentie moet hebben de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken en, daarnaast, de woning ook daadwerkelijk feitelijk anders dan tijdelijk moet gaan bewonen.

10. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de startersvrijstelling. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij, na verkrijging ervan, regelmatig in de woning in [plaats 1] verbleef, maar ook in weekenden gebruik bleef maken van zijn woning in [plaats 2] . Verder heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij tijdens de verbouwing van de woning in de periode tussen medio 2023 en begin 2025 soms in de woning verbleef. De rechtbank acht belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de intentie heeft gehad om, direct na de verkrijging ervan, feitelijk in de woning te [plaats 1] te gaan wonen. Zo was de inrichting van de woning te [plaats 1] niet gericht op een eenpersoonshuishouding, vanwege het vele aantal bedden en het ontbreken van basale meubels zoals zitbanken en eettafels. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende zijn persoonlijke eigendommen heeft verhuisd van de woning te [plaats 2] naar de woning te [plaats 1] . Op grond hiervan acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende de woning te [plaats 2] , ook na verkrijging van de woning te [plaats 1] is blijven gebruiken als hoofdverblijf. Ook is belanghebbende post blijven ontvangen op het adres van de woning te [plaats 2] . Dat belanghebbende stond ingeschreven op het adres van de woning te [plaats 1] , maakt het oordeel niet anders, want de feitelijke situatie is doorslaggevend voor het oordeel van de rechtbank of belanghebbende ten tijde van de verkrijging de bedoeling had om te gaan wonen in de woning te [plaats 1] . Belanghebbende heeft zich weliswaar met ingang van 1 januari 2023 ingeschreven in de woning te [plaats 1] , maar uit dit samenstel van feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende feitelijk de bedoeling heeft gehad om deze woning als zijn hoofdverblijf te gaan betrekken

11. Ook de verwijzing van belanghebbende op de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2024 kan belanghebbende niet baten. In die zaak oordeelde het hof dat niet doorslaggevend is wanneer een belanghebbende de gekochte woning gaat bewonen, als de bedoeling om daar uiteindelijk duurzaam te gaan wonen, maar aannemelijk is gemaakt. Belanghebbende heeft in deze zaak weliswaar gesteld dat hij die bedoeling heeft gehad, maar hij heeft die stelling op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien blijkt zijn bedoeling ook niet uit de feiten, in zoverre dat belanghebbende ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op enig moment in de woning in [plaats 1] heeft gewoond. Belanghebbende heeft echter meteen de beschikking gekregen over de woning te [plaats 1] , zodat reeds daarom zijn situatie niet vergelijkbaar is met die welke heeft geleid tot de hierboven genoemde uitspraak.

12. De rechtbank acht het door belanghebbende ter zitting gedane bewijsaanbod om de facturen over te leggen tardief. Belanghebbende had voor de zitting voldoende tijd om deze bewijsstukken over te leggen. Het belang van een goede procesorde weegt daarom in dit geval zwaarder.

13. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning te [plaats 1] na de verkrijging als hoofdverblijf is gaan gebruiken, behoeft de vraag of dit gebruik tijdelijk van aard is geweest, geen beantwoording. Evenmin hoeft de vraag beantwoord te worden of en zo ja welke deel van de onroerende zaak zakelijk is gebruikt. Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vrijstelling overdrachtsbelasting niet van toepassing is. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr). ECLI:NL:GHDHA:2024:2606 . Zie Kamerstukken II 2020/2021, 35 576, nr. 6, blz. 21 en 22. ECLI:NL:GHDHA:2024:2606 .