Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:26882

ECLI:NL:RBDHA:2026:26882 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / AWB 26/15456
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam), zaaknummer AWB 26/15456. Verzoeker: [Naam verzoeker] (gemachtigde mr. H. Loth). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. C.J. Ohrtmann). Voorzieningenrechter: mr. F.A. Groeneveld. Uitspraak d.d. 15 september 2026.

Procesverloop en feiten

  • Verzoeker, naar eigen zeggen Comorees, diende een eerste asielaanvraag in op 29 april 2026. Hij verklaarde lid te zijn van de oppositiepartij Huri, als chauffeur mensen naar partijbijeenkomsten te hebben vervoerd en in december 2025 voor het laatst te zijn gezien; naar aanleiding daarvan zou hij door autoriteiten worden gezocht en is hij gevlucht naar Tanzania en vervolgens verder.
  • Die eerste aanvraag werd bij besluit van 13 mei 2026 kennelijk ongegrond afgewezen; dat besluit werd bij uitspraak van deze rechtbank (zittingsplaats Haarlem) van 27 juli 2026 en bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak bestendigd.
  • Op 24 augustus 2026 diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in. Bij besluit van 25 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van art. 8 aanhef en onder f sub 2 Vreemdelingenwet 2000 en art. 10 lid 4 sub a van Verordening (EU) 2024/1348 geoordeeld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op die opvolgende aanvraag, omdat de ingebrachte nieuwe documenten onvoldoende zouden zijn en de aanvraag te laat en kennelijk gericht op het frustreren van uitzetting zou zijn.
  • Verzoeker maakte bezwaar (12 september 2026) en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het bestreden besluit (14 september 2026). Verweerder was voornemens verzoeker op zeer korte termijn (16 september 2026) uit te zetten, zodat de voorzieningenrechter onverwijlde spoed aannam en schriftelijk en per e-mail vonniste zonder zitting.

Ingediende stukken en standpunten

  • Verzoeker overlegde onder meer kopieën van een aanhoudingsbevel (een ‘arrestatiebevel’) en een lidmaatschapsbewijs van Huri. Hij stelde dat deze (ook als kopieën) relevant zijn, dat verweerder ze ten onrechte terzijde had geschoven, dat authenticiteitsvragen niet uitsluiten dat aan de stukken gewicht kan worden toegekend en dat verweerder had moeten beoordelen in samenhang met zijn verklaringen. Verzoeker betoogde voorts dat hem ten onrechte de schorsende werking van bezwaar is onthouden en dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
  • Verweerder stelde dat de overgelegde stukken kopieën zijn die niet op echtheid onderzocht kunnen worden, dat sommige documenten al in de eerdere procedure waren betrokken en dat de inhoud van de stukken (volgens verweerder) slechts wijst op opsporing wegens veelplegers-/commune delicten en de kans op bescherming niet wezenlijk vergroot. Verweerder voerde daarnaast aan dat verzoeker de documenten verwijtbaar laat heeft ingebracht en de opvolgende aanvraag kennelijk is gedaan om uitzetting te frustreren.

Overwegingen voorzieningenrechter

  • De voorzieningenrechter constateerde onduidelijkheid over welke stukken precies zijn ingediend, wanneer die zijn ingediend en welke stukken door verweerder zijn onderzocht en betrokken bij het bestreden besluit. Partijen hebben meerdere malen gereageerd, maar het dossier bleef onduidelijk; die onduidelijkheid lag zowel bij verweerder als bij verzoeker.
  • Gezien de korte termijn tot de voorgenomen uitzetting kon de voorzieningenrechter in deze spoedsituatie niet op voorhand oordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft; daarvoor zou meer tijd en helderheid over het dossier vereist zijn. Daarom volstond hij met een belangenafweging.
  • Bij die belangenafweging weegt zwaar dat uitzetting naar het land van herkomst voor verzoeker nagenoeg onomkeerbare gevolgen kan hebben en mogelijk een refoulementrisico inhoudt. Het belang van verweerder bij een snelle uitzetting werd minder zwaar geacht; het enkele feit dat een vlucht is geboekt weegt onvoldoende tegen het risico voor verzoeker. Ook is de voorlopige voorziening tijdelijk van aard en bepaalt verweerder zelf mede de duur van de procedure.

Uitspraak en gevolg

  • De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schors de werking van het bestreden besluit. Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat verweerder op de opvolgende asielaanvraag heeft beslist.
  • Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- (één punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht).
  • Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl op 15 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:17558
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
25-09-2025 89% soortgelijk
Zaaknummer NL25.46218 — Kort overzicht van de uitspraak van de voorzieningenrechter, Rechtbank Den Haag (mr. A.M. den Dulk; griffier mr. S.J. Valk) van 24 september 2025. Partijen - Verzoeker: [verzoeker], V-nummer [V-nummer],...
ECLI:NL:RBDHA:2025:17219
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
18-09-2025 88% soortgelijk
Zaak en procespartijen Verzoeker ([verzoeker], gemachtigde mr. M. Rasul) vordert bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht, zaaknr. AWB 25/18359) een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister...
ECLI:NL:RBDHA:2025:17212
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
18-09-2025 88% soortgelijk
Zaakgegevens en partijen Zaaknummer AWB 25/18359, Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht). Verzoeker: [verzoeker] (V-nummer: [V-nummer]), bijgestaan door mr. M. Rasul. Verweerder: de minister van Asiel en Migratie, gemachtigd door drs. M.F. Aly....
ECLI:NL:RBDHA:2026:19306
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
13-07-2026 87% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam), bestuursrecht, zaaknummer NL26.33752. Partijen: [verzoeker] (geb. [geboortedag] 1989, Algerijnse nationaliteit), gemachtigde mr. J.E. Groenenberg, versus de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde mr. D. Post. Feiten en...
ECLI:NL:RVS:2026:4630
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
06-08-2026 87% soortgelijk
Zaak en partijen Zaaknummer 202505217/2/V2; uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voorzieningenrechter, 5 augustus 2026. Verzoeker (genoemd als [verzoeker]) is in hoger beroep tegen de minister van Asiel...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Landelijk piket. Vovo toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/15456

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen [Naam verzoeker] , verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 8, aanhef en onder f, sub 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaald dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag van 24 augustus 2026.

Verzoeker heeft op 12 september 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij op 14 september 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde de werking van het bestreden besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 15 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens verzoeker in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

Verzoeker heeft op 15 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.

De voorzieningenrechter heeft partijen telefonisch en per e-mail vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op elkaars standpunten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter partijen in het bijzonder gevraagd een nadere toelichting te geven en duidelijkheid te verschaffen over de bij het bestreden besluit betrokken documenten.

Verweerder en verzoeker hebben hierop reacties ingediend.

Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.

De voorzieningenrechter heeft partijen per e-mail bericht dat het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken aangezien verweerder voornemens is verzoeker op zeer korte termijn, namelijk op 16 september 2026, uit te zetten naar zijn land van herkomst Comoren.

Eerste asielaanvraag

3. Verzoeker stelt de Comorese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Op [datum] is hij Nederland ingereisd. Verzoeker heeft eerder, op 29 april 2026, een asielaanvraag ingediend. Daar heeft hij het navolgende aan ten grondslag gelegd. In [datum] is hij lid geworden van de Huri oppositiepartij. Verzoeker reed als chauffeur mensen naar bijeenkomsten van de partij. In december 2025 heeft verzoeker voor het laatst een bijeenkomst bijgewoond. Naar aanleiding daarvan werd hij gezocht door de autoriteiten aan de hand van foto’s. Om die reden is hij vertrokken naar Tanzania. Ook daar hoorde verzoeker dat hij gezocht werd. Daarom is hij ook uit Tanzania vertrokken.

4. Bij besluit van 13 mei 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen dit besluit is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 27 juli 2026 (NL26.28135 en NL26.28136) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd, zodat de afwijzing van verzoekers eerste asielaanvraag in rechte vaststaat.

Bestreden besluit

5. Verzoeker heeft vervolgens op 24 augustus 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verzoeker stelt dat hij thans over nieuwe documenten beschikt ter onderbouwing van zijn asielrelaas.

6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker weliswaar nieuwe documenten heeft ingebracht, maar dat deze onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen dan in het besluit tot afwijzing van de eerste asielaanvraag. Verzoeker heeft allereerst een kopie van een aanhoudingsbevel overgelegd. Dit stuk is echter al betrokken bij de eerdere procedure. Dit stuk kan niet op authenticiteit worden onderzocht, en bovendien is over dit document eerder reeds geoordeeld dat de inhoud niet strookt met de verklaringen van verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van een lidmaatschapsbewijs van de oppositiepartij overgelegd. Dit stuk kan ook niet op authenticiteit worden onderzocht. Daarnaast geldt dat verzoeker tijdens zijn eerste asielprocedure heeft verklaard dat een dergelijk lidmaatschapsbewijs niet bestaat. De overgelegde documenten maken de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn asielaanvraag verwijtbaar te laat heeft ingediend en louter heeft ingediend met het oogmerk om zijn feitelijke uitzetting uit Nederland te frustreren. Uit zijn verklaringen volgt namelijk dat verzoeker al langere tijd beschikte over de nieuwe documenten maar tot acht dagen voor zijn feitelijke uitzetting heeft gewacht om zijn asielwens kenbaar te maken. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder bij het bestreden besluit op grond van artikel 8, aanhef en onder f, sub 2, van de Vw en artikel 10, vierde lid, onder a, van de Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening) bepaald dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op zijn opvolgende asielaanvraag.

Standpunt verzoeker

7. Verzoeker betoogt dat verweerder de door hem ingebrachte documenten ten onrechte als niet-relevante nieuwe elementen terzijde heeft geschoven. De enkele omstandigheid dat dit geen originele documenten zijn, maakt volgens verzoeker nog niet dat hier geen gewicht aan kan worden toegekend. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de overgelegde documenten in samenhang met zijn verklaringen te beoordelen. Bovendien is niet gebleken dat de overgelegde documenten niet kunnen worden onderzocht nu deze niet aan Bureau Documenten zijn voorgelegd. Daarnaast betoogt verzoeker, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat verweerder hem ten onrechte schorsende werking heeft onthouden en dat de belangenafweging in zijn voordeel uit dient te vallen.

Voorlopig oordeel voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld – kortgezegd – dat het door verzoeker ingebrachte aanhoudingsbevel (althans de kopie daarvan) en het lidmaatschapsbewijs (althans de kopie daarvan) de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter maken. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoeker in zijn bezwaarschrift tegen het bestreden besluit verwijst naar een ‘gerechtelijk document’. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk of hiermee wordt gedoeld op het aanhoudingsbevel met de dagtekening [datum] of op een ander document. De voorzieningenrechter heeft verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld om nader te verduidelijken welke documenten hij heeft overgelegd in het kader van de asielaanvraag. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter verweerder verzocht hem te informeren of het ‘gerechtelijke document’ waar verzoeker naar verwijst, is betrokken bij het bestreden besluit en zo niet, wat hiervan de gevolgen zijn.

9. De voorzieningenrechter heeft van verweerder per e-mail een nadere toelichting ontvangen waarin verweerder stelt dat “het stuk” eerst hangende het verzoek is ingebracht door verzoeker en dat “het stuk (een kopie van een arrestatiebevel)” niet maakt dat het bestreden besluit onrechtmatig is en dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het stuk waar verzoeker naar verwijst is volgens verweerder immers een kopie en kan derhalve niet op echtheid worden onderzocht, dateert van [datum] en had daarmee eerder ingebracht kunnen worden en uit de inhoud volgt slechts dat verzoeker wordt gezocht door de autoriteiten in verband met commune delict(en).

10. Hoewel de voorzieningenrechter partijen herhaaldelijk in de gelegenheid heeft gesteld om toelichtingen te geven over de in het kader van de opvolgende asielaanvraag ingediende documenten en partijen ook daadwerkelijk meerdere keren een schriftelijke reactie hebben ingediend, is het de voorzieningenrechter desondanks niet duidelijk geworden wat nu de exacte feitelijke omvang van het geding is, in die zin dat niet duidelijk is geworden welke stukken nu zijn ingediend ten behoeve van de opvolgende asielaanvraag, op welk momenten die stukken zijn ingediend, en welke stukken verweerder nu precies wel of juist niet heeft onderzocht (tijdens het gehoor) en beoordeeld en bij het bestreden besluit heeft betrokken. De laatste schriftelijke reactie van verweerder is kenmerkend voor de onduidelijkheid die op dit moment in deze zaak bestaat. Die reactie lijkt namelijk te zien op het aanhoudingsbevel van [datum] , waarop in het bestreden besluit al is ingegaan, maar waarvan verweerder nu stelt dat hij dat document niet in het dossier heeft aangetroffen. In ieder geval ziet die reactie niet op het ‘gerechtelijke document’ waar verzoeker in zijn bezwaarschrift en zijn nadere schriftelijke reactie van 15 september 2026 naar heeft verwezen en waarover de voorzieningenrechter verweerder om een toelichting had gevraagd.

11. De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat deze onduidelijkheid te wijten is aan zowel verweerder als verzoeker.

12. Bij deze onduidelijke feitelijke stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat het bestek van deze voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van het vreemdelingenpiket zich niet leent voor het inhoudelijke oordeel of het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. Daarvoor is de termijn waarbinnen verweerder voornemens is verzoeker uit te zetten naar zijn land van herkomst te kort. Dit maakt dat de voorzieningenrechter zal volstaan met een belangenafweging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient die belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Hij wordt immers met uitzetting naar zijn land van herkomst bedreigd. De gevolgen hier van zijn nagenoeg onomkeerbaar zijn en zijn uitzetting brengt mogelijk een refoulementrisico met zich. Daartegenover staat het belang van verweerder bij een snelle uitzetting. Dit belang acht de voorzieningenrechter minder zwaarwegend dan dat van verzoeker. Het enkele feit dat verweerder een vlucht voor verzoeker heeft geboekt weegt niet tegen het belang van verzoeker op. Een toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening heeft bovendien slechts een tijdelijk karakter en zal louter leiden tot een tijdelijk rechtmatig verblijf van verzoeker in afwachting van een beslissing op zijn opvolgende asielaanvraag. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder zelf in de hand heeft hoe lang die periode duurt.

Conclusie

13. De voorzieningenrechter wijst het gevraagde verzoek om een voorlopige voorziening gezien het voorgaande toe, hetgeen inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst. Voor zover nodig treft de voorzieningenrechter verder de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat door verweerder is beslist op zijn opvolgende asielaanvraag.

14. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat verweerder op de opvolgende asielaanvraag van verzoeker heeft beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op 15 september 2026.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.