ECLI:NL:RBDHA:2026:26879 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22713
Samenvatting
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (zaaknummer NL26.22713) verklaart het beroep van [naam] (eiseres, V‑nummer: [nummer]), mede namens haar minderjarige kind [naam] (geboren [geboortedag]), gegrond tegen minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 23 december 2024.
Achtergrond: in een eerdere uitspraak (NL25.58473 van 30 december 2025) had de rechtbank de minister al een beslistermijn van zestien weken gesteld. De minister heeft binnen die termijn geen besluit genomen. Eiseres heeft daarom een nieuw beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat een nieuwe ingebrekestelling niet vereist is bij een opvolgend beroep tegen hetzelfde niet-tijdig beslissen, zodat het beroep ontvankelijk is.
Beoordeling en rechtsgrondslag: de rechtbank houdt rekening met veranderingen door het EU‑Asiel- en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) dat per 12 juni 2026 in werking is getreden en de Nederlandse uitvoeringswetgeving. Door het vervallen van de voornemenprocedure volgt uit de Procedureverordening dat na het gehoor over de asielmotieven sneller besloten kan worden. Traditioneel hanteerde de rechtbank het 8+8‑wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken voor besluitvorming). De rechtbank wijzigt dit beleid en voert een 8+4‑wekenmodel in: acht weken voor horen, daarna vier weken voor besluit. Voor zaken waarin de beslistermijn volgens dit model leidt tot overschrijding van de maximale termijn van 21 maanden (artikel 35, zevende lid, Procedureverordening) acht de rechtbank in het concrete geval een kortere termijn passend: de minister moet binnen acht weken na het verstrijken van de 21‑maandstermijn beslissen. De rechtbank stelt die uiterste beslisdatum vast op 18 november 2026 en motiveert dat deze termijn de minister in staat stelt zorgvuldig doch tijdig te besluiten (niet onnodig lang, niet onrealistisch kort).
Dwangsom en proceskosten: de rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB): €50 per dag bij overschrijding van de opgelegde beslistermijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank volgt de LOVB‑aanbeveling dat bij een opvolgend beroep geen hogere dwangsom wordt opgelegd. De minister wordt verder veroordeeld in proceskosten van eiseres, vastgesteld op €467.
Beslissing: het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig genomen besluit wordt vernietigd; de minister wordt opgedragen uiterlijk 18 november 2026 een besluit te nemen; de dwangsom en kosten worden opgelegd zoals hierboven vermeld. Uitspraak door mr. H. Hanssen‑Telman, griffier A.W. Landman. Partijen kunnen binnen vier weken in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22713
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
Mede namens haar minderjarige kind:
[naam],
Geboren op: [geboortedag]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard.
1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 23 december 2024.
1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiseres de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.
3. In de uitspraak van 30 december 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in gevallen zoals deze, waarin een beslistermijn volgens het ‘8+4 wekenmodel’ de bovengrens van 21 maanden
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister uiterlijk 18 november 2026 alsnog een besluit dient te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om uiterlijk 18 november 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen