ECLI:NL:RBDHA:2026:26871 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.13806
Samenvatting
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (bestuursrecht), zaaknummer NL26.13806 — uitspraak van de enkelvoudige kamer tussen vijf gezamenlijke eisers (namen geanonimiseerd, elk met een V‑nummer) gezamenlijk gemachtigd door mr. S. Cetinkaya‑Ahmad, en de minister van Asiel en Migratie.
Feiten en procedure
- Eisers hebben een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister heeft niet tijdig op die aanvraag beslist.
- In een eerdere beroepsprocedure had de rechtbank de minister al opgedragen binnen acht weken alsnog een beslissing te nemen. De minister heeft ook daaraan niet voldaan.
- Partijen zijn gevraagd of een zitting nodig was; niemand heeft om zitting verzocht. De rechtbank behandelde het beroep zonder zitting en sloot het onderzoek.
Beoordeling en motivering
- De rechtbank verklaart het opvolgend beroep ontvankelijk en gegrond. De stelling van eisers dat de minister niet tijdig heeft beslist wordt bevestigd.
- De rechtbank constateert dat het dossier mogelijk nog niet compleet is (de minister moet nog ingediende stukken beoordelen, herstelverzuim sturen of wacht op antwoord op zo’n herstelverzuim). Normaalrechtspraak zou dan een beslistermijn van acht weken rechtvaardigen. Gelet op de eerdere door de rechtbank opgelegde beslistermijn en het tijdsverloop sindsdien, acht de rechtbank echter een kortere termijn proportioneel en doeltreffend. Daarom legt zij een beslistermijn van vier weken op. Die termijn vangt aan de dag ná de bekendmaking van deze uitspraak.
- De rechtbank volgt onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, aanbeveling van 21 mei 2026) voor uniformering van de rechterlijke dwangsom.
Beslissing (concreet)
- Het beroep wordt gegrond verklaard; het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd (als zou het een besluit zijn).
- De minister wordt opgedragen binnen vier weken na publicatie alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
- Bij overtreding van die termijn moet de minister een rechterlijke dwangsom betalen van €50 per dag, met een maximum van €15.000.
- De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €200 en tot betaling van proceskosten aan eisers van in totaal €467 (berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt × €934 × wegingsfactor 0,5).
- De rechtbank legt geen aanvullende (bijv. bestuursrechtelijke) dwangsom op, uitsluitend de genoemde rechterlijke dwangsom.
Formeel en vervolg
- Uitspraak door mr. H. Hanssen‑Telman (rechter), griffier A.W. Landman; geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
- Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; termijn voor indiening hogerberoepschrift: vier weken na verzending van de uitspraak. Indien spoed bestaat kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT regulier
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13806
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer],
[naam], V-nummer: [nummer]
[naam], V-nummer: [nummer],
[naam], V-nummer: [nummer],
[naam], V-nummer: [nummer],
[naam]
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1.1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
1. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft dit niet gedaan.
2. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
3. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
2. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
3. Het LOVB
4. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.