ECLI:NL:RBDHA:2026:26861 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / 710962
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (Team Handel, voorzieningenrechter mr. H.J. Vetter), zaaknummer C/09/710962 / KG ZA 26/897, vonnis 15 september 2026.
Partijen Eisers: Metropolitaan Kapittel van Utrecht (het Kapittel) en Parochie van de H. Bartholomeus Schoonhoven, advocaat mr. P.V. Kleijn. Gedaagde: [gedaagde] te [woonplaats], advocaat mr. J. Verbeeke. [gedaagde] woont sinds 1996 in de bij het kerkcomplex behorende woning; eerst met zijn toenmalige echtgenote. Er bestonden een huurovereenkomst uit 1996 en een “huurovereenkomst van dienstwoning” van 4 oktober 2020 tussen (de Parochie en) [gedaagde].
Feiten en procesverloop (beknopt)
- De Parochie hield diensten tot 1 maart 2026. De Parochie besloot tot opheffing per 1 maart 2026; goedkeuring door de aartsbisschop op 28 februari 2026. Op grond van artikel 141 Statuut zouden de bezittingen aan het Kapittel vervallen; de notaris heeft dit in mei 2026 in het Kadaster laten registreren.
- Het Kapittel / de Parochie verklaarden opzegging van de overeenkomst: mededeling voorgenomen beëindiging 14 juli 2025; opzegging 3 februari 2026 (uiterlijk ontruiming 1 juni 2026); aanvullende opzegging door het Kapittel op 4 juni 2026, met verwijzing naar een door de Parochie verstrekte volmacht. [gedaagde] weigerde te vertrekken en betwistte dat het Kapittel bevoegd/eigenaar was.
Vorderingen eisers Eisers verlangden ontruiming van de woning, betaling van een contractuele boete (€50 per dag vanaf 4 september 2026) en proceskosten.
Beoordeling: ontvankelijkheid en bevoegdheid De voorzieningenrechter oordeelt dat het Kapittel eigenaar is geworden op grond van artikel 141 Statuut en de registerverklaring van de notaris; de aartsbisschop heeft het opheffingsbesluit goedgekeurd en de notaris heeft het Kadaster verzocht het complex op naam van het Kapittel te stellen. Zelfs indien dat niet zou gelden, is de Parochie mede-eiser en kan de vordering inhoudelijk worden beoordeeld. Daarnaast is toereikend onderbouwd dat de Parochie (na ontbinding) bevoegdheden heeft uitgeoefend en dat aan het Kapittel een volmacht is verstrekt door de relevante (vereffenende) bestuurders om namens de Parochie op te treden.
Spoedeisend belang Eisers hebben een spoedeisend belang aangetoond: de aanwezigheid van [gedaagde] belemmert verkoop van het kerkcomplex, lopende kosten drukken financieel en een makelaar adviseerde pas in de markt te treden bij duidelijkheid over vertrek. Dat rechtvaardigt een kort geding.
Kernpunt: eigenlijke dienstwoning of huurverhouding? De rechtbank stelt de juridische vraag of de woning een eigenlijke dienstwoning is. Criteria uit rechtspraak/literatuur: bewoning moet uit de overeenkomst voortvloeien als onderdeel van de arbeids/werkrelatie (geen vereiste dat wonen strikt noodzakelijk is, wel dat het bevorderlijk is). De voorzieningenrechter weegt:
- inhoud huurovereenkomst 4 okt. 2020 (artikelen 1–5 en 9): kosterswerkzaamheden zijn omschreven; vergoeding laag (vrijwilligersvergoeding gecompenseerd met huurkorting); parochie heeft structureel toegang tot delen (toilet, sacristie, parochiezaaltje); beëindiging van werkzaamheden is gekoppeld aan beëindiging van het gebruik van de woning;
- eerdere overeenkomst uit 1996 bevat vergelijkbare koppeling tussen werkzaamheden en bewoning;
- feitelijke omstandigheden: woning is bouwkundig verbonden aan kerk (deur), [gedaagde] verrichtte jarenlang kosterswerkzaamheden en bleef na echtscheiding alleen bewoner en koster; relatief lage huurprijs en gebruiksregelingen.
Conclusie: de woning is voorshands een eigenlijke dienstwoning; de terbeschikkingstelling vormt onderdeel van de vrijwilligersovereenkomst en is niet door huurrecht beschermd. Beëindiging van de kosterswerkzaamheden maakt het beëindigen van het gebruik mogelijk. Opzeggingen van 3 februari 2026 en 4 juni 2026 hebben plaatsgevonden; het Kapittel (als rechtsopvolger) of op basis van de door de vereffenaars verstrekte volmacht was bevoegd tot opzegging.
Belangenafweging en ontruimingsdatum Hoewel ontruiming ingrijpend is voor [gedaagde] (30 jaar bewoning, dochter), weegt het eigenaarsbelang van Kapittel bij vrije beschikking en spoedige verkoop, gelet op financiële lasten en financiële positie van kerk(en), zwaarder. De voorzieningenrechter geeft in verband met redelijkheid en billijkheid een ruime ontruimingstermijn: [gedaagde] moet de woning uiterlijk 31 december 2026 ontruimen. De rechter merkt op dat het voor de hand ligt dat [gedaagde] gebruikelijke vergoeding voor bewoning betaalt tot en met de laatste maand van gebruik.
Vordering tot boete De gevorderde contractuele boete op basis van artikel 7 van de overeenkomst wordt afgewezen. Motivering: [gedaagde] heeft lange dienst bewezen, heeft de woning onderhouden en betaald, er is geen aanwijzing van wanprestatie; geringe administratieve huurdiscrepantie wijst eerder op misverstand; het opleggen van boete zou in strijd zijn met redelijkheid en billijkheid.
Proceskosten, uitvoerbaarheid [gedaagde] wordt veroordeeld in proceskosten à €2.101 (griffierecht, salaris advocaat, nakosten), wettelijke rente bij niet-betaling en bij niet-tijdige voldoening extra executiekosten. Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Rest vorderingen worden afgewezen.
Eindsamenvatting: ontruiming toegewezen met termijn tot 31-12-2026; boete gevorderd door eisers afgewezen; gedaagde draagt proceskosten.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Kort geding, gevorderde ontruiming toegewezen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een eigenlijke dienstwoning, langere ontruimingstermijn, boete afgewezen.
Uitspraak
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710962 / KG ZA 26/897
Vonnis in kort geding van 15 september 2026
in de zaak van
1 METROPOLITAAN KAPITTEL VAN UTRECHT te Utrecht,
2. PAROCHIE VAN DE H. BARTHOLOMEUS SCHOONHOVEN te Schoonhoven eisers, advocaat: mr. P.V. Kleijn,
tegen:
Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘het Kapittel’, ‘de Parochie’ en ‘ [gedaagde] ’.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: -de dagvaarding met producties 1 tot en met 16; -de door eisers overgelegde aanvullende producties 16 tot en met 25; -de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7; -de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2. Op 1 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. Aan de [adres] staat een kerkcomplex, bestaande uit een kerkgebouw en een daaraan verbonden woning met tuin. In de tuin van de woning bevindt zich nog een bijgebouw, dat tot voor kort dienst deed als parochiezaaltje.
2.2. In het kerkgebouw werden tot 1 maart 2026 door de Parochie kerkdiensten gehouden.
2.3. [gedaagde] bewoont sinds 1996 de van het kerkcomplex onderdeel uitmakende woning. Aanvankelijk woonde hij daar samen met zijn (inmiddels) voormalige echtgenote. Tussen [gedaagde] , zijn echtgenote en de Parochie is toen een “huurovereenkomst Pastorie” gesloten. In die overeenkomst is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Artikel 2 De huurder zal aan verhuurder in aanvang een huurvergoeding verschuldigd zijn van f 700,00 per kalendermaand, welke vergoeding jaarlijks zal worden aangepast met de wettelijk toegestane procentuele huurverhogingen. Voorts zullen de huurders ten behoeve van de verhuurder werkzaamheden uitvoeren, betrekking hebbende op huurders hoedanigheid als bewoners van de pastorie, zoals deze in de bij deze overeenkomst behorende bijlage nader omschreven.
(…)
Artikel 21 Indien huurder de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2 van de overeenkomst naar het oordeel van de verhuurder niet naar behoren verricht kan de verhuurder de overeenkomst beëindigen door opzegging bij aangetekend schrijven, met bericht van ontvangst. Ook hierbij dient een opzegtermijn van zes maanden te worden in acht genomen, Huurder doet op grond van deze overeenkomst afstand van beroep op Huurbeschermingswet.”
2.4. Nadat [gedaagde] zijn intrek in de woning heeft genomen, heeft hij de woning verbouwd. Aanvankelijk bewoonden [gedaagde] en zijn gezin alleen de eerste en tweede verdieping van de woning, maar na de bouw van het parochiezaaltje in de tuin is – na een verbouwing – ook de begane grond door hen als woonruimte in gebruik genomen.
2.5. Na zijn echtscheiding is [gedaagde] op 4 oktober 2020 een nieuwe overeenkomst met de Parochie aangegaan. In deze “huurovereenkomst van dienstwoning” staat onder meer het volgende:
“Artikel 1 De bewoner zet voort de reeds met ingang van 1 augustus 2003 aan de Kerk verleende diensten bestaande uit kosterswerkzaamheden, zoals het verzorgen van de verwarming in het kerkgebouw en in de gemeentekamer, het ontvangen van boodschappen voor de gemeente en het doorgeven daarvan, het verlenen van service als er diensten, vergaderingen, koorrepetities of andere activiteiten zijn, het verrichten van hand- en spandiensten bij gelegenheden van feestdagen en open dagen, alsmede het bevorderen van het commercieel gebruik van het kerkgebouw en het bijvoorbeeld verhuren voor trouw en rouw, een en ander in overleg nader te regelen. Bewoner zal elke 5e zondag van de maand vrijgesteld zijn en daarbij per jaar naar keuze 6 zondagen vrij kunnen nemen, in overleg vast te stellen.
Artikel 2 De bewoner heeft het toezicht over de gebouwen, treft de nodige maatregelen indien het vriest en al datgene dat nodig is voor de instandhouding van de dienstwoning, het kerkgebouw en het daarbij behorende.
Artikel 3 Voor de werkzaamheden die de bewoner ten behoeve van de Kerk of in het kader van dezen overeenkomst verricht ontvangt hij een vrijwilligersvergoeding: deze vrijwilligersvergoeding bedroeg 660 euro per jaar, welk bedrag inmiddels niet actueel meer is en wordt vervangen, met ingang van deze nieuwe schriftelijke vastlegging, door een bedrag groot 1700 euro (zeventien honderd euro) per jaar welk bedrag groot 1700 euro wordt verrekend in maandelijkse termijnen van elk 1/12e deel met de huurprijs. Voor rekening van de Kerk komen alle eigenaar lasten zoals eigenaar-deel van de onroerendzaakbelasting, waterschapslasten e.d. (…)
Artikel 4 Aangezien in het kerkgebouw geen toilet aanwezig is, zal de Kerk in overleg met de bewoner te allen tijde gebruik kunnen maken van het toilet dat zich bevindt op de benedenverdieping van de dienstwoning.
Artikel 5 Met uitzondering van het gebruik van de in artikel 4 bedoelde ruimte (toilet), de inpandige sacristie en het in de tuin gebouwde parochiezaaltje inclusief het overpad en de hierna genoemde beperkingen, waarvoor de Kerk 600 euro per jaar in mindering op de huurprijs geeft, heeft bewoner het exclusieve recht van bewoning van de dienstwoning. De huurprijs bedroeg oorspronkelijk 4680 - 600 is 4080 euro per jaar. Na indexering bedraagt de huurprijs thans resp. 6290 -600 is 5690 euro per jaar. De in lid 2 bedongen huurprijs is in maandelijkse termijnen te voldoen. Indexering van de huurprijs wordt elk jaar in de maand november vastgesteld op basis van de door de Rijksoverheid in juli van dat jaar gepubliceerde huurverhoging en schriftelijk meegedeeld door de Kerk aan bewoner, waarna verwerking plaatsvindt met ingang van de maand januari van het daarop volgende kalenderjaar.
(…)
Artikel 7 Ingeval van niet-nakoming van een of meerdere verplichtingen, welke voor de bewoners uit deze overeenkomst voortvloeien, zullen zij aan de Kerk een boete schuldig zijn van 50 euro, voor elke dag of gedeelte daarvan gedurende welke overtreding of niet-nakoming plaatsvindt, respectievelijk voortduurt, onverminderd de plicht tot schadevergoeding en onverminderd de overige rechten van de Kerk ingevolgde deze overeenkomst en/of de Wet. De bewoner zal in gebreke zijn door het enkele feit der overtreding of niet-nakoming zonder dat enige aanmaning of sommatie wordt vereist.
(…)
Artikel 9. Bij het beëindigen van de werkzaamheden voor de Kerk en/of bij schending van onderhavige overeenkomst kan deze overeenkomst beëindigd worden door opzegging door één van de partijen. Opzegging dient te geschieden per aangetekende brief met bericht van ontvangst of deurwaardersexploot. De opzeggingstermijn bedraagt tenminste 3 kalendermaanden. Telkens na een periode van 5 jaar zullen, behoudens tussentijdse opzegging, Kerk en bewoner met elkaar ontwikkelingen en ervaringen bespreken en daaruit eventueel conclusies trekken.”
2.6. Bij brief van 14 juli 2025 heeft het Kapittel [gedaagde] op de hoogte gesteld van het voornemen om vanwege de sluiting van de Parochie het gebruik van de woning te beëindigen en de overeenkomst van 4 oktober 2020 op te zeggen.
2.7. Op 3 februari 2026 heeft het Kapittel de overeenkomst van 4 oktober 2020 daadwerkelijk opgezegd. [gedaagde] is er daarbij op gewezen dat hij de woning uiterlijk op 1 juni 2026 moet hebben ontruimd.
2.8. Op 28 februari 2026 heeft de aartsbisschop van Utrecht van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland (OKKN) goedkeuring verleend aan het besluit van het bestuur van de Parochie om de Parochie per 1 maart 2026 op te heffen. In het besluit is vermeld dat het bezit van de parochie op grond van artikel 141 van het Statuut voor de Oud-Katholieke Kerk van Nederland (hierna: het Statuut) per de opheffingsdatum vervalt aan het Kapittel.
2.9. Bij registerverklaring van 13 mei 2026 heeft de notaris het kadaster verzocht om de goedkeuring van het opheffingsbesluit en het verval van het bezit van de Parochie aan het Kapittel in de openbare registers in te schrijven en het kerkcomplex op naam van het Kapittel te stellen.
2.10. Bij brief van 14 mei 2026 heeft [gedaagde] het Kapittel bericht dat hij niet instemt met de opzegging van de overeenkomst van 4 oktober 2020 en daarom de woning ook niet zal ontruimen en verlaten. Hij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat het Kapittel de overeenkomst in zijn ogen niet kan opzeggen omdat het Kapittel geen partij is bij die overeenkomst en uit niets blijkt dat het Kapittel als rechtsopvolger van het Parochie heeft te gelden.
2.11. Het bestuur van de Parochie heeft op eind mei/ begin juni 2026 namens de Parochie een volmacht verstrekt aan (de gemachtigden van) het Kapittel om de Parochie te vertegenwoordigen bij de afwikkeling c.q. de overgang van haar vermogen naar het Kapittel en in dat kader namens haar alle door het Kapittel benodigd geachte feitelijke handelingen en rechtshandelingen te verrichten, waaronder ten aanzien van de nog bestaande overeenkomsten van de Parochie.
2.12. Op 4 juni 2026 heeft het Kapittel de overeenkomst van 4 oktober 2020, voor zover nodig, opnieuw opgezegd (tegen 4 september 2026) en daarbij verwezen naar het verstrekte volmacht. Ook met deze opzegging heeft [gedaagde] niet ingestemd.
3 Het geschil
3.1. Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeelt om (i) de woning te ontruimen en in goede en schone staat aan het Kapittel ter beschikking te stellen, (ii) aan de Parochie een contractuele boete te betalen van € 50,- per dag over de periode van 4 september 2026 tot aan de dag van ontruiming (te vermeerderen met de wettelijke rente) en (iii) de proceskosten (te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente) van eisers te betalen.
3.2. Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan. De opheffing van de Parochie heeft tot gevolg dat het kerkcomplex niet meer door de Parochie wordt gebruikt en dat de kosterswerkzaamheden van [gedaagde] zijn beëindigd. Na de hiermee verband houdende opzegging van de overeenkomst van 4 oktober 2026, heeft [gedaagde] de dienstwoning niet ontruimd. Hij verblijft op dit moment dus in de woning, terwijl hij daar geen recht op heeft. Omdat het Kapittel, die door de opheffing van de Parochie eigenaar is geworden, het kerkcomplex wil verkopen en die verkoop door het voortdurende gebruik van de woning door [gedaagde] wordt belemmerd, zien eisers zich genoodzaakt om de ontruiming in rechte te vorderen. Door de weigering de woning te ontruimen, heeft [gedaagde] bovendien een boete verbeurd.
3.3. [gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
4.1. Volgens [gedaagde] kan het Kapittel niet in de ingestelde vorderingen worden ontvangen, omdat niet het Kapittel maar de Parochie eigenaar is van het kerkcomplex waarvan de woning deel uitmaakt. Hij wijst er in dit verband op dat er geen levering van het kerkcomplex heeft plaatsgevonden en trekt ook de in bevoegdheid van het bestuur van de Parochie om het kerkcomplex te vervreemden in twijfel.
4.2. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van [gedaagde] niet. In februari 2025 is door het bestuur van de Parochie besloten tot opheffing van de Parochie per 1 maart 2026. Dit besluit is op 28 februari 2026 door de aartsbisschop goedgekeurd. De opheffing van de Parochie heeft tot gevolg dat het vermogen van de Parochie op grond van artikel 141 van het Statuut op het Kapittel is overgegaan. Uit de registerverklaring van 18 mei 2026 blijkt dat de notaris op grond van die regeling in het Statuut heeft geconcludeerd dat het Kapittel van rechtswege eigenaar is geworden van het kerkcomplex. Hij verzocht immers het Kadaster het kerkcomplex op naam te stellen van het Kapittel, wat ook is gebeurd. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de redenering van de notaris correct is. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat zij in verband met deze procedure nog navraag hebben gedaan bij de notaris en dat hij heeft bevestigd dat dit geëigende gang van zaken is. Dat, zoals [gedaagde] betoogt, in dit geval sprake is van vervreemding van het kerkcomplex waarvoor op basis van artikel 236 lid 2 sub a van het Statuut een schriftelijke machtiging is vereist, hebben eisers gemotiveerd betwist. Bovendien zou de goedkeuring van het opheffingsbesluit, waarin de overgang van de bezittingen expliciet wordt vermeld, door de aartsbisschop heel goed als zo’n machtiging kunnen worden aangemerkt.
4.3. Maar zelfs [gedaagde] een punt heeft en het Kapittel toch nog geen eigendom heeft verworven omdat daarvoor een zakenrechtelijke rechtshandeling noodzakelijk is, moet worden vastgesteld dat ook de Parochie eiser is in deze procedure. Dus ook als zou moeten worden aangenomen dat het Kapittel (nog) geen eigenaar is geworden van het kerkcomplex, kan inhoudelijk op de ingestelde vordering worden beslist, omdat deze door ieder van eisers is ingesteld. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat de Parochie niet-ontvankelijk is, omdat een schriftelijke volmacht van de aardbisschop voor het voeren van deze procedure ontbreekt. Uit de aanwezigheid van de aardsbisschop tijdens de zitting aan de zijde van eisers kan genoegzaam worden afgeleid dat hij ermee instemt dat de Parochie (samen met het Kapittel) deze procedure voert.
4.4. Eisers hebben ter onderbouwing van het spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming onder meer aangevoerd dat de opheffing van de Parochie en de daarmee verband houdende beoogde verkoop van het kerkcomplex wordt belemmerd door de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning. Zij hebben er in dit verband op gewezen dat de makelaar heeft geadviseerd om het kerkcomplex pas in de markt te zetten als er duidelijkheid is over het vertrek van [gedaagde] , omdat een potentiële koper daar geïnteresseerd in zal zijn. Zolang niet tot verkoop kan worden overgegaan lopen de vaste lasten door, terwijl daar (nagenoeg) geen inkomsten tegenover staan. Bovendien is de verkoopopbrengst, die aanmerkelijk lager zullen zijn als de woning nog door [gedaagde] wordt bewoond, nodig om in te zetten voor kerkelijke belangen, aldus eisers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers daarmee voldoende toegelicht waarom zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen en waarom niet van hen gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Het door [gedaagde] geschetste tijdsverloop sinds het voorgenomen besluit tot opheffing van de Parochie, maakt dat niet anders. Daarbij is van belang dat, zoals eisers onbetwist hebben aangevoerd, het bestuur van de Parochie, waarvan [gedaagde] onderdeel uitmaakte, zich lang heeft verzet tegen de opheffing en heeft nagelaten om de voor de vereffening van de Parochie benodigde handelingen te verrichten.
4.5. De belangrijkste vraag die voorligt is of sprake is van een eigenlijke of oneigenlijke dienstwoning. Alleen als sprake is van een eigenlijke dienstwoning kan de beëindiging van de kosterswerkzaamheden ertoe leiden dat ook het recht op het gebruik van de woning eindigt.
4.6. Voor een eigenlijke dienstwoning wordt in rechtspraak en literatuur kenmerkend geacht dat de bewoner de woning op grond van een overeenkomst – doorgaans een arbeidsovereenkomst, maar dat kan ook een andere overeenkomst zijn – moet bewonen in verband met de aard van de door hem te verrichten werkzaamheden en het bewonen van de woning aldus behoort tot de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Daarbij wordt voor de kwalificatie als eigenlijke dienstwoning niet vereist dat het gebruik van de woning noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden; voldoende wordt geacht dat het bevorderlijk is voor een goede uitoefening daarvan. Als van een eigenlijke dienstwoning sprake is ontbreken de kenmerken van een huurovereenkomst en kan geen beroep worden gedaan op huurbescherming.
4.7. Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van een eigenlijke of oneigenlijke dienstwoning geldt de overeenkomst van 4 oktober 2020, de meest recente overeenkomst tussen partijen, als uitgangspunt. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij met recht de vernietiging van die overeenkomst heeft ingeroepen. Dat [gedaagde] het niet eens was met het sluiten van de overeenkomst en ook niet met de inhoud daarvan, rechtvaardigt niet de conclusie dat de overeenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Over bijzondere omstandigheden die wijzen op een dergelijk misbruik heeft de voorzieningenrechter niets gehoord van [gedaagde] .
4.8. Eisers stellen dat uit de overeenkomst van 4 oktober 2020 volgt dat de overeengekomen kosterswerkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met de bewoning van de woning. Zij wijzen er op dat de kosterswerkzaamheden zien op het beheer van het kerkcomplex en op de activiteiten in het kerkgebouw. Volgens eisers is voor die werkzaamheden nabijheid, beschikbaarheid en voortdurende betrokkenheid essentieel. [gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat het voor de uitvoering van de werkzaamheden niet noodzakelijk was dat hij de woning bewoonde. Dat blijkt volgens hem al uit het feit dat de woning voordat hij en zijn gezin daarin hun intrek namen al jaren leeg stond, terwijl de werkzaamheden ook toen werden verricht.
4.9. Dat het voor de uitoefening van de overeengekomen kosterswerkzaamheden niet noodzakelijk is om in de woning te wonen, neemt niet weg dat het gelet op de aard van de werkzaamheden nuttig is als de koster in de nabijheid van het kerkgebouw woont. Onder andere voor het houden van toezicht en het verlenen van services tijdens de diensten en andere bijeenkomsten is bewoning van de woning (zeer) bevorderlijk. Daar komt bij dat in de overeenkomst van 4 oktober 2020 is afgesproken dat de Parochie de overeenkomst kan beëindigingen als de werkzaamheden voor de kerk eindigen. Dit vormt een duidelijke aanwijzing dat er een verband bestaat tussen de bewoning van de woning en de kosterswerkzaamheden. Dat [gedaagde] dit in ieder geval in 2020 ook zelf zo zag, kan daarnaast worden afgeleid uit de omstandigheid dat hij degene is die na de echtscheiding in de woning is blijven wonen en als enige de kosterswerkzaamheden heeft voortgezet. Bovendien zijn partijen een relatief lage huurprijs overeengekomen (€ 474,16 per maand). Ook dat duidt erop dat het bewonen van de woning verband houdt met het kosterschap en onderdeel is van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Voor zover al bij de uitleg van de overeenkomst van 4 oktober 2020 de overeenkomst uit 1996 moet worden betrokken, zoals [gedaagde] betoogt, werpt dit geen ander licht op de zaak. Terecht hebben eisers erop gewezen dat in die overeenkomst expliciet is opgenomen dat de uit te voeren kosterswerkzaamheden betrekking hebben op de hoedanigheid van [gedaagde] en zijn voormalige echtgenote als bewoners van de woning (in de overeenkomst van 1996 pastorie genoemd). En ook in die overeenkomst is een afspraak opgenomen waarin de beëindiging van de overeenkomst is gerelateerd aan de werkzaamheden. Tot slot neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de woning bouwkundig verbonden is met het kerkgebouw: op de begane grond is de woning via een deur in het kerkgebouw te bereiken. Dat maakt het voor de hand liggend dat de woning wordt bewoond door iemand die nauw betrokken is bij het reilen en zeilen van de Parochie en het kerkgebouw, zoals de koster. Dit geldt te meer nu [gedaagde] en de Parochie in 2020 zijn overeengekomen dat de Parochie in overleg met [gedaagde] het toilet op de benedenverdieping van de woning te allen tijde kan gebruiken.
4.10. Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de woning een eigenlijke dienstwoning is. De terbeschikkingstelling van de woning vormt een onderdeel van de vrijwilligersovereenkomst en wordt niet geregeerd door het huurrecht. [gedaagde] komt dan ook geen beroep op huurbescherming toe.
4.11. Het voorgaande betekent dat de overeenkomst vanwege de beëindiging van de kosterswerkzaamheden op de in de overeenkomst van 4 oktober 2020 overeengekomen wijze kon worden opgezegd. Het Kapittel heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt bij brieven van 3 februari 2026 en 4 juni 2026. Er is twist over de vraag of het Kapittel daartoe bevoegd was. Twee redeneringen zijn denkbaar. De eerste is dat het Kapittel, als rechtsopvolger van de Parochie (als opvolger in alle rechten en plichten), ook is getreden in de positie van de Parochie uit hoofde van de overeenkomst van 2020. In deze benadering was het Kapittel in ieder geval op 4 juni 2026 bevoegd tot opzegging over te gaan. De andere redenering kan zijn dat de Parochie na de ontbinding is blijven voortbestaan voor (verdere) vereffening, in de lijn van het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW (bij gebreke van een duidelijke regeling in het Statuut). In deze redenering zou de opzegging (mogelijk) alleen kunnen door de Parochie of een door de Parochie daartoe gevolmachtigde. Een dergelijke volmacht is aan het Kapittel verstrekt op 4 juni 2026. Die volmacht is verstrekt door de heren [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] was weliswaar niet langer pastoor, maar was wel bestuurder gebleven; de benoemingstermijn van [naam 2] was per 1 februari 2026 verstreken maar aannemelijk is dat het verstrijken daarvan niet betekende dat hij zonder andersluidende verklaring van de benoemingsbevoegde niet langer gerechtigd was zijn taak als bestuurder te vervullen. Beide bestuurders waren na de ontbinding vereffenaars, en konden in die functie een volmacht aan het Kapittel verstrekken. Ook in deze redenering is er sprake van bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst door het Kapittel.
4.12. De afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel. De gevolgen van de ontruiming zijn zonder meer groot voor [gedaagde] (en zijn dochter). Door de ontruiming komt hij na dertig jaar op straat te staan. Dit is gelet op aan de Parochie bewezen diensten wrang. Tegelijkertijd had (zeker) op basis van de overeenkomst van 4 oktober 2020 voor [gedaagde] duidelijk moeten zijn dat beëindiging van zijn werkzaamheden als koster zou leiden tot beëindiging van het gebruik van de woning. Bovendien is hij op 14 juli 2025 al van de voorgenomen beëindiging op de hoogte gesteld. Tegenover het belang van [gedaagde] staat het belang van de eigenaar van het kerkcomplex, of dat op dit moment nu het Kapittel of de Parochie is, om vrij te beschikken over zijn eigendom; in dit geval door het op korte termijn verkopen van het kerkcomplex. Relevant daarbij is dat het aanhouden van het kerkcomplex kosten met zich brengt, zonder dat daar voldoende inkomsten tegenover staan. Die kosten drukken op de financiële middelen van het Kapittel, terwijl – zo is niet betwist – de door het afnemend aantal parochianen en parochies al financieel onder druk staat. Verkoop in ontruimde staat op afzienbare termijn is daarom in het belang van het Kapittel.
4.13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het belang van eisers zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . Wel ziet de voorzieningenrechter in de gevolgen die de ontruiming voor [gedaagde] en zijn inwonende dochter heeft aanleiding om aan hem een langere ontruimingstermijn te gunnen. [gedaagde] zal worden veroordeeld om de woning uiterlijk op 31 december 2026 te ontruimen en te verlaten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat eisers tijdens de zitting te kennen hebben gegeven dat voor hen vooral van belang is dat er met het oog op de verkoop van het kerkcomplex duidelijkheid komt over de vertrekdatum van [gedaagde] . Die duidelijkheid wordt met de in dit vonnis bepaalde ontruimingsdatum verkregen, terwijl [gedaagde] door de verruiming van de ontruimingstermijn langer de tijd krijgt om vervangende woonruimte te vinden. Hoewel dat niet is gevorderd, ligt het voor de hand van [gedaagde] de gebruikelijke vergoeding voor het gebruik van de woning betaalt tot en met de laatste maand waarin hij van de woning gebruik maakt.
4.14. Met een beroep op artikel 7 van de overeenkomst van 4 oktober 2020 stellen eisers dat [gedaagde] een boete heeft verbeurt, omdat hij de woning na de beëindiging van de overeenkomst per 1 maart 2026 niet tijdig heeft ontruimd. Coulance halve vorderen zij betaling van deze boete per 4 september 2026.
4.15. Voor zover al kan worden aangenomen dat eisers een spoedeisend belang hebben bij die vordering, wijst de voorzieningenrechter deze vordering af. Daartoe wordt het volgende overwogen. [gedaagde] woont al dertig jaar in de woning en heeft in al die jaren – tot de opheffing van de Parochie – zich als koster ingezet voor de Parochie. Ook is hij enige tijd bestuurder van de Parochie geweest. Hoewel hij die laatste taak misschien niet helemaal met verve heeft vervuld, lijkt de Parochie op zijn kosterschap weinig tot niets aan te merken te hebben gehad. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagde] zich niet als een goed gebruiker van de woning heeft gedragen. Integendeel, hij heeft – zo is niet betwist – de woning op eigen kosten bewoonbaar gemaakt, onderhouden en verbeterd en hij is zijn betalingsverplichtingen nagekomen. Weliswaar hebben eisers tijdens de zitting gewezen op de discrepantie tussen de overeengekomen huur en de in 2026 betaalde huur, maar gelet op het verschil tussen beide bedragen (€ 13,17) is aannemelijk dat dit eerder berust op een misverstand dan op bewuste wanbetaling. Overigens is [gedaagde] hier kennelijk ook nooit op aangesproken. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat eisers naast ontruiming van de woning ook betaling van een boete van [gedaagde] verlangen.
4.16. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat €1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101
4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1. veroordeelt [gedaagde] om de woning gelegen aan de [adres] uiterlijk op 31 december 2026 te ontruimen en ontruimd te houden met alle daarin vanwege hem aanwezige personen en/of goederen en de woning in goede en schone staat aan het Kapittel ter beschikking te stellen onder afgifte van de sleutels;
5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3. veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
EI