ECLI:NL:RBDHA:2026:26860 Rechtbank Den Haag , 21-08-2026 / NL26.19042
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht), enkelvoudige kamer, zaaknummer NL26.19042, uitspraak 21 augustus 2026, mr. J.J. Catsburg (rechter), mr. T.G. Bijvank (griffier).
Partijen
- Eiseres: [eiseres] (V-nummer: [V-nummer]), bijgestaan door mr. A.G. Kleijweg. Eiseres is sinds 29 november 2022 houder van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) en werkzaam als specialiteitenkok bij restaurant [restaurant] te [plaats] (referent).
- Verweerder: de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde W.M.A. van Hoof. UWV was als deskundige adviseur bij de zitting vertegenwoordigd ([A] en [B]).
Feiten en procedure
- Referent diende op 20 november 2024 een aanvraag in tot verlenging van de gvva van eiseres. De minister wees de aanvraag bij besluit van 25 april 2025 af; bezwaar van eiseres bleef ongegrond bij besluit van 30 maart 2026. Eiseres tekende beroep. Zitting en verzoek om voorlopige voorziening werden behandeld op 21 juli 2026.
Kern van het geschil
- De minister baseerde de weigering op een UWV-advies dat er voldoende prioriteitgenietend arbeidsaanbod bestaat voor de functie (zelfstandig werkend kok) en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen had verricht. Eiseres voerde meerdere gronden aan: strijd met gelijkheidsbeginsel (overgangsrecht), schending vertrouwensbeginsel, onjuiste en onvoldoende onderbouwde UWV-beoordeling (prioriteitgenietend aanbod en wervingsinspanningen), verzoek om prejudiciële vraag over begrip “prioriteitgenietend aanbod” en schending van artikel 8 EVRM.
Rechtsoverwegingen en motivering
-
Overgangsregeling en gelijkheidsbeginsel: de rechtbank oordeelt dat het overgangsrecht (eerbiedigende werking voor verleende vergunningen en lopende aanvragen vóór 1‑1‑2022) niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Beperking tot reeds verleende vergunningen en lopende aanvragen is naar haar oordeel doelmatig en niet onredelijk ter bescherming van bestaande verwachtingen; uitbreiding naar latere verlengingsaanvragen zou het doel van de wetswijziging schaden.
-
Vertrouwensbeginsel: eiseres slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de overheid toezeggingen of concrete gedragingen heeft verricht waarop redelijk vertrouwen in ongewijzigd beleid mocht worden gebaseerd. Dat haar eerdere aanvraag was ingewilligd houdt geen garantie in voor verlenging nu de Regeling Aziatische horeca is vervallen en sectorvertegenwoordigers op 17 mei 2023 zijn geïnformeerd over het wegvallen van specifieke functie-eisen.
-
Toetsing UWV-advies door minister: de minister mocht aan zijn besluit het deskundigenadvies van het UWV ten grondslag leggen. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat de redenering onbegrijpelijk is. Het UWV raadpleegde het Register Referentiefuncties Horeca en concludeerde dat de functie moet worden beoordeeld als zelfstandig werkend kok I (mbo-niveau 3, geen werkervaring vereist). Referent stelde in vacature een eis van minimaal twee jaar werkervaring zonder onderbouwing; dat acht het UWV onterecht uitsluitend.
-
Prioriteitgenietend aanbod: het UWV vond voldoende aanbod in eigen bestanden (359 ingeschreven voor basiskok, 373 souschef, 593 zelfstandig werkend kok). De rechtbank accepteert dat deze gegevens een reële basis vormen om te werven en stelt dat “voldoende” aanbod niet vereist dat het aantal ingeschrevenen wordt afgezet tegen het aantal vacatures of dat beschikbaarheid in het concrete geval wordt aangetoond.
-
Voldoende wervingsinspanningen: volgens paragraaf 8.1.c Ruwav diende referent de vacature in verschillende media bekend te maken, EURES/andere EER-zoekacties te verrichten en resultaten te rapporteren. UWV meent dat referent door de irreële werkervaringseis kandidaten op voorhand heeft uitgesloten en daarmee onvoldoende heeft geworven. De rechtbank vindt deze motivering begrijpelijk en toereikend; eisers betoog over de niet-openbare werkinstructie slaagt niet.
-
Prejudiciële vraag en EVRM-art. 8: verwijzing naar het Hof van Justitie wordt geweigerd (omzettingstermijn Richtlijn 2024/1233 nog niet verstreken; onvoldoende onderbouwing van onverenigbaarheid). Het artikel‑8‑beroep faalt wegens onvoldoende concretisering van het privéleven en het effect van de weigering daarop.
Slotbeschikking en gevolgen
- Het beroep wordt ongegrond verklaard; het bestreden besluit van de minister blijft in stand. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding. Praktisch gevolg: afwijzing verlenging gvva (verwijzing naar terugkeer naar Thailand/werkverbod zoals in het bestuurlijke besluit). Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
GVVA - Overgangsrecht Regeling Aziatische horeca niet in strijd met gelijkheidsbeginsel – beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet – geen reden voor twijfel aan de zorgvuldigheid van UWV-advies – prioriteitgenietend aanbod - beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19042
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor verlenging van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) voor eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2. Eiseres is sinds 29 november 2022 in het bezit van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva). Zij werkt als specialiteitenkok in restaurant [restaurant] in [plaats] (referent). Referent heeft op 20 november 2024 een aanvraag voor verlenging van de gvva voor eiseres ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft de aanvraag voor verlenging van de gvva voor eiseres getoetst aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Om na te gaan of aan die voorwaarden wordt voldaan, heeft de minister advies gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Uit het advies van het UWV blijkt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Wav. Er is namelijk voldoende prioriteitgenietend aanbod voor de functie van zelfstandig werkend kok. Ook heeft de werkgever van eiseres onvoldoende gezocht naar kandidaten. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres moet terugkeren naar Thailand. Zij mag niet meer werken.
4. Vanwege een personeelsprobleem in de Aziatische horeca is op 1 oktober 2014 het Convenant Aziatische Horeca
4.1. Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen.
5. Eiseres voert aan dat het overgangsrecht ten onrechte alleen geldt voor vreemdelingen die nog in 2022 zijn ingereisd. Eiseres zit immers in dezelfde situatie en zou daarom ook onder het overgangsrecht moeten vallen.
5.1. De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat eiseres stelt dat het overgangsrecht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat het overgangsrecht in zoverre buiten toepassing moet blijven dat eiseres onder de eerbiedigende werking daarvan valt.
5.2. Het overgangsrecht is geregeld in artikel II van de Regeling van 18 oktober 2021 (de Regeling) en houdt kort gezegd in dat de oude regeling van toepassing blijft op verleende vergunningen en (verlengings)aanvragen die vóór 1 januari 2022 zijn gedaan. In de periode van 1 januari 2022 tot 1 juli 2024 is het UWV aanvragen van na 1 januari 2022 nog op een punt blijven beoordelen aan de oude regeling, namelijk aan de specifieke functie-eisen. Dit kan aangemerkt worden als begunstigend buitenwettelijk beleid.
5.3. De Regeling is een algemeen verbindend voorschrift dat exceptief kan worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel.
5.4. De rechtbank is van oordeel dat het overgangsrecht niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In de Regeling is gekozen voor eerbiedigende werking voor verleende vergunningen en lopende (verlengings)aanvragen. Daarmee respecteert het overgangsrecht verwachtingen die onder de oude regeling zijn ontstaan. De keuze om de eerbiedigende werking te beperken tot verleende vergunningen en lopende (verlengings)aanvragen is daarbij niet onredelijk omdat het uitbreiden van de eerbiedigende werking tot alle komende verlengingsaanvragen afbreuk zou doen aan het doel dat met de wijziging van de Regeling wordt nagestreefd. Voor verlengingsaanvragen die na de inwerkingtreding zijn ingediend is het duidelijk dat de nieuwe regels gelden en behoeft er niet gekozen te worden voor eerbiedigende werking om verwachtingen die onder de oude regeling zijn ontstaan te respecteren. De keuze om de nieuwe regeling van toepassing te laten zijn op aanvragen die na de inwerkingtreding worden ingediend is daarom niet onredelijk. Het overgangsrecht is daarom niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
5.5. Over het begunstigende buitenwettelijke beleid van het UWV zijn geen gronden aangevoerd, zodat de rechtbank dat beleid niet in zijn beoordeling betrekt.
5.6. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiseres vindt dat zij erop mocht vertrouwen dat gedurende haar verblijf de regelgeving niet zou worden veranderd. Eiseres was al in Nederland aan het werk, toen de Regeling werd ingetrokken en het pga-begrip plotseling werd gewijzigd.
6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 december 2022 volgt dat degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, aannemelijk moet maken dat aan de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat het bestuursorgaan zijn bevoegdheid op een bepaalde manier zou uitoefenen.
6.2. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte het UWV-advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseres is het UWV ten onrechte tot de conclusie gekomen dat er prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In 2025 en 2026 werd namelijk een groot deel van de aanvragen voor gvva’s ingewilligd, waaruit blijkt dat er geen prioriteitgenietend aanbod is. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat er geen prioriteitgenietend aanbod op de markt voor Aziatische koks aanwezig is. Verder wordt ten onrechte de bewijslast bij eiseres neergelegd om aan te tonen dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Het UWV is daarnaast ten onrechte tot de conclusie gekomen dat referent onvoldoende inspanningen heeft verricht om prioriteitgenietend aanbod te werven. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat referent voldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Het beleid van het UWV ten aanzien van de beoordeling van de voldoende wervingsinspanningen is daarnaast niet inzichtelijk. Ook verlangt het UWV ten onrechte dat referent wervingsinspanningen verricht, nu het een feit van algemene bekendheid is dat er geen prioriteitgenietend aanbod is.
7.1. Voordat de minister een besluit neemt over de verlening, verlenging of intrekking van een gvva, moet hij daarover advies vragen aan het UWV.
7.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de inhoud ervan begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. In wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV, of voor twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7.3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het UWV bij zijn beoordeling mocht uitgaan van de functie van zelfstandig werkend kok, zonder specifieke functie-eisen. Zoals de rechtbank onder 4.1. heeft vastgesteld, neemt het UWV niet langer beleidsmatig aan dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden. Uit het advies blijkt dat het UWV het Register Referentiefuncties Horeca heeft geraadpleegd, waaruit volgt dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I een mbo-niveau 3-werk- en denkniveau is vereist, zonder werkervaring. Het UWV stelt vast dat referent in de vacatures heeft vermeld dat hij een kandidaat zoekt die minimaal twee jaar werkervaring heeft opgedaan, maar volgens het UWV heeft referent niet onderbouwd waarom uitsluitend een werknemer die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring de functie kan vervullen. De conclusie van het UWV dat daarom voor de beoordeling van het prioriteitgenietend aanbod moet worden gekeken naar de functie van zelfstandig werkend kok I, zonder vereiste werkervaring, vindt de rechtbank daarom inzichtelijk en begrijpelijk.
7.4. De minister weigert de aanvraag voor een gvva als voor de betreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod aanwezig is.
7.5. Het standpunt van eiseres dat een groot deel van de aanvragen voor gvva’s voor koks in de Aziatische horeca in 2025 en 2026 is ingewilligd en dat daaruit blijkt dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, volgt de rechtbank niet. Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat hij aan de hand van de werkzoekendenbestanden onderzoekt of er prioriteitgenietend aanbod is. Als het UWV tot de conclusie komt dat er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, kan de werkgever vervolgens tegenbewijs leveren door zijn vacature tijdig te melden en zich voldoende in te spannen om prioriteitgenietend aanbod te werven. Als de werkgever daarin slaagt, wordt voor die specifieke functie bij die werkgever aangenomen dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. De rechtbank leidt hieruit af dat het feit dat andere aanvragen voor gvva’s voor koks in Aziatische horeca worden ingewilligd, niet betekent dat er geen prioriteitgenietend aanbod is. Voor de beantwoording van de vraag of er prioriteitgenietend aanbod is gaat het immers alleen om de vraag of er aanbod is, en niet over de vraag of dat aanbod in het concrete geval geschikt en beschikbaar is.
7.6. Eiseres stelt verder dat er geen (reëel) prioriteitgenietend aanbod aanwezig is omdat er veel meer vacatures zijn dan aanbod. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Eiseres onderbouwt haar standpunt cijfermatig. Zij heeft een overzicht van de aantallen openstaande vacatures voor de functie van zelfstandig werkend kok in 2024 en 2025 overgelegd. Ook heeft eiseres cijfers over de aantallen werkzoekenden die staan ingeschreven voor die functie overgelegd. Hieruit blijkt volgens eiseres dat het aantal vacatures voor de functie van zelfstandig werkend kok veel groter is dan het aantal ingeschreven werkzoekenden. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat het UWV niet alleen moet vaststellen of er werkzoekenden voor de functie van zelfstandig werkend kok zijn, maar ook moet onderzoeken of dat aanbod voldoende is, gelet op de vraag naar zelfstandig werkend koks. De rechtbank stelt vast dat uit de toelichting bij de herziening van de Wav in 2013 volgt dat het UWV moet onderzoeken of er ‘voldoende’ werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Het UWV hoeft niet te onderzoeken of die werkzoekenden ook beschikbaar zijn.
7.7. Eiseres stelt dat de minister niet inzichtelijk maakt wanneer sprake is van voldoende wervingsinspanningen in de zin van de Ruwav en dat het besluit daarom op dat punt niet beoordeeld kan worden. Op dat punt heeft eiseres erop gewezen dat het UWV een niet openbare werkinstructie gebruikt, die inmiddels naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid openbaar is gemaakt.
7.8. Uit paragraaf 8.1.c. van Bijlage 1 bij de Ruwav volgt wanneer een werkgever voldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Zo volgt uit de paragraaf dat de werkgever onder meer in verschillende media de vacature bekend moeten maken. Ook kan gedacht worden aan het benaderen door de werkgever van (internationale) uitzend- en detacheringsbureaus en bureaus voor werving en selectie. De werkgever heeft in ieder geval onvoldoende wervingsinspanningen verricht als hij niet via het EURES-systeem of op andere wijze in andere landen van de EER naar arbeidskrachten heeft gezocht. Verder volgt uit de paragraaf dat de werkgever verslag moet leggen van de resultaten van de werving. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat er in de Ruwav voor gekozen is om het begrip ‘voldoende’ niet verder in te vullen, omdat de arbeidsmarkt fluctueert en per sector verschillend is. Afhankelijk van de arbeidsmarkt of de sector zal van een werkgever meer of minder worden verwacht. De rechtbank vindt die uitleg begrijpelijk. Een zekere vaagheid van een begrip is onvermijdelijk, omdat dat begrip in verschillende omstandigheden moet worden toegepast. In dit geval geldt de regeling voor alle arbeidsmarktsectoren waarin sprake is van prioriteitgenietend aanbod, waarbij aannemelijk is dat die markt fluctueert. De concrete toepassing van de norm moet dan gemotiveerd worden in een besluit.
7.9. Zoals het UWV op de zitting heeft toegelicht, kan een werkgever tegenbewijs leveren tegen het oordeel dat er prioriteitgenietend aanbod is voor zijn vacature door deze tijdig te melden en voldoende wervingsinspanningen aan te tonen. Als de werkgever daarin slaagt, neemt het UWV voor die specifieke functie bij die werkgever aan dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Het UWV stelt vast dat referent vacatures heeft geplaatst, maar stelt dat referent daarbij een irreële functie-eis heeft gesteld. Er is geworven voor een zelfstandig werkend kok met een salaris dat hoort bij zelfstandig werkend kok I, terwijl de werkervaringseis hoort bij de functie van zelfstandig werkend kok II. Referent heeft in de vacatures namelijk gevraagd om een kandidaat die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring. Het UWV stelt onder verwijzing naar het Register Referentiefuncties Horeca dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I geen werkervaring vereist is. Ook heeft referent niet onderbouwd waarom uitsluitend een werknemer die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring die functie kan vervullen. Het UWV stelt dat referent hierdoor een groep werkzoekenden op voorhand heeft uitgesloten, waardoor hij niet alle mogelijkheden heeft benut om prioriteitgenietend aanbod te werven. De rechtbank vindt die conclusie inzichtelijk en begrijpelijk. Het besluit is op dat punt dus voldoende gemotiveerd. Eiseres heeft verder niet gesteld dat die motivering tekortschiet in het licht van de werkinstructie die het UWV gebruikt.
7.10. Het standpunt van eiseres dat de minister ten onrechte van referent verlangt dat hij wervingsinspanningen verricht omdat algemeen bekend is dat er geen prioriteitgenietend aanbod is, volgt de rechtbank eveneens niet. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, kon het UWV namelijk tot de conclusie komen dat er prioriteitgenietend aanbod is.
7.11. Gelet op het bovenstaande heeft het UWV tot de conclusie kunnen komen dat er prioriteitgenietend aanbod is en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Omdat de minister heeft voldaan aan zijn vergewisplicht, heeft hij het advies van het UWV aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.
7.12. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiseres heeft de rechtbank verder verzocht om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over het begrip prioriteitgenietend aanbod. Volgens eiseres is het onduidelijk wanneer sprake is van voldoende prioriteitgenietend aanbod. Eiseres vraagt zich af of de uitleg die de minister daaraan geeft verenigbaar is met artikel 11 van Richtlijn 2024/1233.
8.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen. De omzettingstermijn van Richtlijn 24/1233 was ten tijde van het bestreden besluit namelijk nog niet verstreken. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd waarom de (uitvoering van de) Wav in strijd zou zijn met artikel 11 van deze Richtlijn of met een van de andere bepalingen uit deze Richtlijn.
9. Eiseres vindt verder dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres verblijft hier sinds 2022 en heeft hier een leven opgebouwd. Door de aanvraag te weigeren zet de minister een streep door dat privéleven.
9.1. De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waar het privéleven van eiseres uit bestaat en op welke wijze het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.