ECLI:NL:RBDHA:2026:26835 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.52339
Samenvatting
Partijen en procesverloop Eiser ([eiser], V-nummer: [V-nummer], gemachtigde mr. S. Oukil) verzet zich tegen een door de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde L. Verhaegh) op 6 september 2026 opgelegde vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) op grond van artikel 6, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister meldde het besluit aan de rechtbank op grond van art. 94 Vw; die kennisgeving geldt als beroep en als verzoek om schadevergoeding. Eiser arriveerde op Schiphol op 5 september 2026 (tussenstop), deed die dag om 16:50 uur zijn asielwens kenbaar en verbleef tot 6 september in de internationale lounge. Op 6 september diende hij zijn asielverzoek in; zijn toegang tot Nederland werd uitgesteld, zijn zaak werd in de asielgrensprocedure geplaatst en tegelijk werd op 6 september grensdetentie opgelegd. Eiser werd overgebracht naar het Aanmeldcentrum Badhoevedorp. De zitting vond plaats op 10 september 2026.
Geschil en door eiser aangevoerde strekking Eiser betoogde dat de screening een verplichte en wezenlijke eerste fase is voordat kan worden beslist of de grensprocedure toepasselijk is, en dat essentiële onderdelen van die screening — in het bijzonder de verplichte voorlopige medische controle — niet vooraf en adequaat zijn verricht. Volgens eiser is de maatregel onrechtmatig omdat de informatie uit de screening mede de feiten en omstandigheden levert op grond waarvan de rechtmatigheid van vrijheidsontneming moet worden beoordeeld. Eiser verzocht ook om prejudiciële vragen.
Beoordeling rechtbank: kernpunten van de juridische motivering
- Onderscheid en opeenvolging van fases: de rechtbank volgt het Unierechtelijk uitgangspunt dat screening en de asielgrensprocedure zelfstandige, opvolgende procedurele fases zijn. Uit artikel 1 aanhef en onder a en artikel 18(5) van de Screeningsverordening volgt dat verzoekers aan de buitengrens eerst worden gescreend en dat de screening moet worden beëindigd voordat zij naar een passende vervolghandeling/procedure worden doorverwezen. De screening kan niet pas “achteraf” worden afgerond nadat al is doorgegaan naar de grensprocedure.
- Verplichte voorlopige medische controle: de rechtbank wijst op Verordening 2024/1356 (art. 8(5)(a) en art. 12(1)), die de voorlopige medische controle verplicht stelt en voorschrijft dat deze door gekwalificeerd medisch personeel moet worden uitgevoerd. Een medische intake na oplegging van detentie in het JCS kan die verplichte controleniet vervangen; die intake is te laat om bij de beslisvorming te worden betrokken.
- Onrechtmatige inrichting van de screening door de minister: de rechtbank constateert dat de minister in deze en andere procedures willens en wetens de screeningsprocedure zodanig heeft ingericht dat de voorlopige medische controle niet (tijdig) wordt uitgevoerd. Dat is evident in strijd met Unierecht en wezenlijk omdat het de beoordeling of de grensprocedure kan worden toegepast beïnvloedt.
- Onverenigbaarheid van gelijktijdige grondslagen: de minister voerde tegelijk (in hetzelfde nationale besluit) meerdere Unierechtelijke grondslagen aan voor één vrijheidsontnemende maatregel (screeningsgrondslag en asielgrensprocedure/Opvangrichtlijn). De rechtbank oordeelt dat de zogeheten “schottentheorie” (feitelijk ononderbroken bewaring maar juridische differentiering) in dit verband niet toereikend mag zijn: elke Unierechtelijke grondslag kent eigen voorwaarden en vereist een afzonderlijke, doelgerichte beoordeling en motivering. De minister moest duidelijk aangeven op welke Unierechtelijke grondslag de oplegging steunde en kon niet voorafgaand aan de beëindiging van de screening de asielgrensprocedure starten en op die grondslag tegelijk detentie handhaven.
- Toepassing van rechtspraak: de rechtbank betrekt onder meer het arrest Hof van Justitie (Bouskoura, C‑387/24) en wijst op eerdere uitspraken (o.a. ECLI:NL:RVS:2026:5077 van de Afdeling en ECLI:NL:RBDHA:2026:22391) maar wijkt van de Afdeling af voor zover die laatstgenoemde concludeerde dat art. 6(3) Vw zowel tijdens screening als tijdens asielgrensprocedure als grondslag kan dienen.
Conclusie en rechtsgevolgen De rechtbank verklaart het beroep gegrond: de grensdetentiemaatregel is vanaf het moment van oplegging (6 september 2026) onrechtmatig omdat de screening niet was afgerond en omdat de minister twee verschillende Unierechtelijke grondslagen tegelijk opvoerde. De rechtbank beveelt opheffing van de maatregel met ingang van 15 september 2026 en beveelt onmiddellijke invrijheidstelling. De rechtbank kent op grond van art. 106 Vw een schadevergoeding toe voor vijf dagen onrechtmatige detentie: €1.200 (10 x €120). Tevens worden aan eiser proceskosten toegekend van €1.868. De uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven (rechter) en mr. L.G.G.M. van Buggenum (griffier) op 15 september 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling binnen één week na bekendmaking.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Grensdetentie opheffing - in de vrijheidsontnemende maatregel is zowel aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure, als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. Deze fases kunnen echter niet naast elkaar bestaan.
De rechtbank volgt de Afdeling niet voor zover de Afdeling concludeert dat dit geen probleem is omdat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in zowel een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening, als een grondslag tijdens de asielgrensprocedure voorziet.
Het Unierecht voorziet in verschillende grondslagen voor vrijheidsontnemende maatregelen, afhankelijk van de werkingssfeer van de verordening of richtlijn waaronder de derdelander op dat moment valt. Zowel de Screeningsverordening als de Opvangrichtlijn voorzien in een grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel en om de vrijheid te ontnemen op deze grondslagen moet aan specifieke voorwaarden worden voldaan. Het handhaven van ‘de schottentheorie’, betekent simpelweg ook dat een derdelander niet op meerdere Unierechtelijke grondslagen tegelijkertijd in bewaring kan worden gesteld en gehouden.
De grondslag van een vrijheidsontnemende maatregel moet noodzakelijkerwijze worden gevonden in de verordening of richtlijn op grond waarvan de vrijheidsontneming wordt bevolen en dit kan niet worden omzeild door in nationale wetgeving een ‘one size fits all-grondslag’ op te nemen en die te gebruiken om de bewaring gedurende verschillende procedurele fases te rechtvaardigen.
Uit oogpunt van rechtsbescherming en om de rechter in staat te stellen om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel grondig te kunnen onderzoeken is het eveneens noodzakelijk dat de minister in zijn besluitvorming duidelijk maakt welke Unierechtelijke grondslag aan de vrijheidsontneming ten grondslag ligt.
Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan dus niet op hetzelfde moment de grondslag vormen voor de bewaring op grond van de screeningsverordening als voor de opvangrichtlijn.
Maatregel van aanvang af onrechtmatig / opheffing / invrijheidstelling / SV / PKV.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52339
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L. Verhaegh).
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.F.H. Beld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij is in het bezit van een geldig Russisch paspoort en is op 5 september 2026 vanuit Servië naar Nederland gevlogen, waar hij op Schiphol Airport een tussenstop had om naar Marokko te vliegen. Hij kwam om 15:20 uur aan op Schiphol. Op diezelfde dag om 16:50 uur heeft eiser aan de buitengrens op Schiphol zijn asielwens kenbaar gemaakt. Ook op 5 september heeft eiser de aanwijzing gekregen om zich tot 6 september 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven.
2. Eiser heeft meerdere gronden aangevoerd om de rechtmatigheid van de grensdetentiemaatregel te betwisten en heeft de rechtbank tevens gevraagd om prejudiciële vragen te stellen. Namens eiser is onder meer aangevoerd dat uit verschillende artikelen van de Screeningsverordening, de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn kan worden afgeleid dat de screening een belangrijke eerste stap is in de beoordeling van de vraag of de grensprocedure kan worden toegepast en of de opvang, dan wel bewaring gepast/evenredig is. Ook bij de triage is de informatie uit de screening essentieel, dat is het moment waarop wordt besloten of de zaak de grensprocedure in gaat. Dat de screening niet adequaat is gedaan, maakt de maatregel volgens eiser onrechtmatig, omdat de informatie hieruit de feiten en omstandigheden levert voor de beoordeling van de vraag of eiser de vrijheid wordt ontnomen.
3. De rechtbank acht de vrijheidsontnemende maatregel van aanvang af onrechtmatig en motiveert dit als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening.
5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2026
7.1.
6. De rechtbank is het eens met bovengenoemde overwegingen voor zover is overwogen dat de screening en de asielgrensprocedure niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden. De rechtbank is het echter niet eens met de Afdeling voor zover de Afdeling concludeert dat dit geen probleem is omdat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in zowel een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als een grondslag tijdens de asielgrensprocedure voorziet.
7. Er is sprake van opvolgende en zelfstandige procedurele fases, waarbij te gelden heeft dat de screening in beginsel moet hebben plaatsgevonden en zijn afgerond voordat (eventueel) de asielgrensprocedure kan aanvangen. Artikel 18, lid 5, van de Screeningsverordening bepaalt dat indien niet alle controles van de van de screening hebben plaatsgevonden voordat de daartoe bepaalde termijn is verstreken, de screening van die persoon toch wordt beëindigd en de betrokkenen naar de passende procedure wordt doorverwezen. Hieruit volgt dat de screening en de asielgrensprocedure niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
8. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 10 augustus 2026
9. De rechtbank overweegt dat de minister ook in deze procedure niet alle onderdelen van de screening heeft afgerond voordat de asielgrensprocedure is gestart en de maatregel ten behoeve van die procedure is opgelegd. De minister laat de screeningsfase ‘dóórlopen’ na het starten van de asielgrensprocedure en het ten behoeve van die procedure opleggen van de grensdetentiemaatregel. Het komt de rechtbank voor dat de minister dit doet om de voorlopige medische controle, die een verplichte beoordeling in de screeningsfase is, alsnog te kunnen uitvoeren nadat de vreemdeling in grensdetentie ter verzekering van de asielgrensprocedure is geplaatst. De screening is mede bedoeld om te beoordelen welke (volgende) procedure passend is en ook uit artikel 18 van de Screeningsverordening volgt dat de screening moet worden beëindigd voordat de screeningsautoriteiten de derdelander naar een volgende procedure kunnen doorverwijzen. De minister kan dus tijdens de screening niet alvast kiezen voor de asielgrensprocedure en daarom de grensdetentiemaatregel opleggen.
10. De minister stelt zich op het standpunt dat zolang de termijn van 7 dagen om te screenen nog niet is verlopen, hij na opleggen van de grensdetentiemaatregel, mede op de grond dat hij de asielaanvraag in de grensprocedure behandelt, nog bevoegd is om de screening af te ronden gedurende die termijn. De rechtbank volgt dit niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen volgt uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. De minister heeft een termijn van 7 dagen m te screenen. Het komt de rechtbank voor dat de minister, ongeacht of hij de derdelander tijdens de screening in bewaring stelt, voortvarend moet werken aan de screening en zich moet inspannen om alle screeningsactiviteiten te verrichten binnen de termijn die hij daarvoor heeft. Indien deze termijn niet is verstreken dient de minister de screening dan ook voort te zetten. De minister kan dus ook niet de fase van de voorlopige medische controle uitstellen en met de asielgrensprocedure starten en in het JCS zijn medische intake ten behoeve van de grensdetentie uitvoeren en die medische intake vervolgens als ‘voorlopige medische controle in het kader van de screening’ kwalificeren.
11. Het Unierecht voorziet in verschillende grondslagen voor vrijheidsontnemende maatregelen, afhankelijk van de werkingssfeer van de verordening of richtlijn waaronder de derdelander op dat moment valt. De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura
12. De verschillende fases in de onderhavige procedure zijn gestoeld op een andere Unierechtelijke grondslag. Zowel de Screeningsverordening als de Opvangrichtlijn voorzien in een grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel en om de vrijheid te ontnemen op deze grondslagen moet aan specifieke voorwaarden worden voldaan. Het handhaven van ‘de schottentheorie’ omdat weliswaar sprake is van feitelijk ononderbroken vrijheidsontneming, maar juridisch verschillende grondslagen gebaseerd op een andere richtlijn of verordening, betekent simpelweg ook dat een derdelander niet op meerdere Unierechtelijke grondslagen tegelijkertijd in bewaring kan worden gesteld en gehouden. Het kan niet zo zijn dat de schottentheorie in de weg staat aan de invrijheidstelling als de derdelander ten tijde van de rechtmatigheidsbeoordeling door de rechter niet langer op een onrechtmatige maatregel in bewaring wordt gehouden, maar dat als de minister het lastig vindt om te voorzien in een voorlopige medische controle tijdens de screening, hij twee Unierechtelijke grondslagen tegelijkertijd voor vrijheidsontneming kan opvoeren. Dat zou namelijk ook betekenen dat als aan de rechtmatigheidsvereisten van één grondslag niet zou worden voldaan, de rechter niet tot invrijheidstelling kan overgaan als de andere grondslag wel rechtmatig zou zijn opgevoerd. Indien de minister meent een vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig te kunnen opleggen, kan dit slechts op één Unierechtelijke grondslag geschieden. Indien die grondslag aan de maatregel komt te ontvallen, bijvoorbeeld omdat de maatregel is gestoeld op de Screeningsverordening en de minister de screening volledig heeft uitgevoerd en afgerond, dient hij opnieuw te onderzoeken en te beoordelen of een opvolgende maatregel, bijvoorbeeld om de asielgrensprocedure, de asielprocedure of de terugkeer te verzekeren, mag en moet worden opgelegd.
13. De rechtbank overweegt dat dus niet doorslaggevend is hoe de nationale wetgever de bewaring heeft geregeld. Het Unierecht is leidend bij de bepaling of de bewaring rechtmatig is. Een van de rechtmatigheidsvereisten is dat de vrijheidsontnemende maatregel moet worden gestoeld op een grondslag. Deze grondslag moet noodzakelijkerwijze worden gevonden in de verordening of richtlijn op grond waarvan de vrijheidsontneming wordt bevolen en dit kan niet worden omzeild door in nationale wetgeving een ‘one size fits all-grondslag’ op te nemen en die te gebruiken om de bewaring gedurende verschillende procedurele fases te rechtvaardigen. Indien de minister en de Afdeling op dit punt gevolgd moeten worden, leidt dit immers tot de mogelijkheid dat de nationale wetgever één bepaling in de Vreemdelingenwet opneemt als grondslag voor een administratieve vrijheidsontnemende maatregel en dat de minister vervolgens een derdelander die aankomt op Schiphol een vrijheidsontnemende maatregel oplegt, alle denkbare grondslagen alvast aankruist en deze derdelander in bewaring houdt totdat ofwel een verblijfsvergunning wordt verleend, ofwel een terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. Uit oogpunt van rechtsbescherming en om de rechter in staat te stellen om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel grondig te kunnen onderzoeken is het eveneens noodzakelijk dat de minister in zijn besluitvorming duidelijk maakt welke Unierechtelijke grondslag aan de vrijheidsontneming ten grondslag ligt. Indien op grond van één nationale wettelijke bepaling de vrijheidsontneming op verschillende Unierechtelijke grondslagen zou kunnen plaatsvinden doet dat afbreuk aan het verdedigingsbeginsel en bemoeilijkt dat de rechterlijke controle. De minister moet uiterste zorgvuldigheid betrachten als hij een vrijheidsontnemende maatregel oplegt, temeer nu een dergelijke maatregel een ultimum remedium is. Ook als het grensbewakingsbelang -deels- mag worden opgevoerd als rechtvaardiging, dient de minister transparant te zijn met welk doel en op grond van welke bevoegdheid hij handelt. Deze vereisten kunnen niet worden ontlopen door in nationale wetgeving een ‘kapstok-bepaling- op te nemen waardoor het onderscheid tussen de verschillende Unierechtelijke grondslagen en procedurele fases wordt verbloemd. De rechtbank meent dan ook dat indien de bewaringsmaatregel gedurende de screeningsfase wordt opgelegd, de maatregel moet worden toegespitst op het doel en de vereisten die in de Screeningsverordening zijn bepaald. Indien de minister de screening beëindigt, vervolgens de asielgrensprocedure aanvangt en de derdelander ter verzekering van die procedure in grensdetentie wil blijven houden, zal de minister een nieuwe maatregel moeten opleggen die is toegespitst op het doel en de vereisten van de Opvangrichtlijn. Dat beide maatregelen dan op dezelfde bepaling in de Vreemdelingenwet 2000 worden gestoeld laat onverlet dat de vrijheidsontnemende maatregel twee verschillende Unierechtelijke grondslagen heeft en dit in de maatregel tot uitdrukking moet komen.
14. De minister kan eiser dus niet rechtmatig in (asiel)grensdetentie stellen terwijl de screening niet is beëindigd door te stellen dat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet in zowel een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Daarmee wordt immers miskend dat de screening en de asielgrensprocedure zelfstandige opvolgende fases zijn en een specifieke Unierechtelijke bewaringsregeling kennen. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan dus niet
15. De grensdetentiemaatregel is op 6 september 2026 opgelegd. Dit is niet mogelijk geweest omdat de screening toen niet was beëindigd . De minister heeft een document in het digitale dossier gevoegd dat is gedateerd op 8 september 2026 en door de minister het ‘post-screeningsformulier’ wordt genoemd. In andere procedures heeft de rechtbank geconstateerd dat de minister dit aanmerkt als de ‘na-screening. De rechtbank overweegt dat indien de minister dergelijke handelingen verricht hij kenbaar moet maken of deze handelingen, zoals wordt gesuggereerd, plaatsvinden op grond van de Screeningsverordening. De rechtbank stelt evenwel vast de Screeningsverordeningen deze begrippen niet bevat. Ondanks de gehanteerde terminologie heeft bovendien te gelden dat de verplichte screening moet zijn beëindigd voordat de grensdetentiemaatregel mag worden opgelegd. In de onderhavige procedure heeft de minister ervoor gekozen om twee grondslagen op te voeren voor één vrijheidsontnemende maatregel en dit maakt deze maatregel van aanvang af onrechtmatig.
16. De rechtbank merkt tot slot op dat het evident is dat de rechtbank niet alleen bevoegd maar ook, zo nodig ambtshalve, verplicht is om de bovenstaande rechtmatigheidsbeoordeling te verrichten omdat een juiste grondslag een voorwaarde voor rechtmatigheid van vrijheidsontnemende maatregel is.
17. Het beroep is reeds hierdoor gegrond en de maatregel is gelet op het bovenstaande vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de andere rechtmatigheidsaspecten en overige beroepsgronden te bespreken omdat deze de maatregel niet alsnog rechtmatig kunnen maken. De rechtbank zal in deze procedure geen prejudiciële vraag stellen. Het verzoek van eiser zag bovendien op een ander rechtmatigheidsaspect van de te toetsen maatregel en aan die beoordeling komt de rechtbank niet toe. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden en zal eiser in vrijheid stellen.
18. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200-.
19. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 15 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.