ECLI:NL:RBDHA:2026:26797 Rechtbank Den Haag , 14-09-2026 / 09-060155-26
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (meervoudige kamer), parketnrs. 09-060155-26 en 96-307243-23; zitting 31 aug. 2026; uitspraak 14 sept. 2026. Partijen: officier van justitie mr. D. Kortekaas; verdachte [verdachte] (geb. 2001), bijgestaan door raadsvrouw mr. N. Boer; aangever [aangever]; eigenaar wooncomplex [bedrijf].
Feiten en tenlasteleggingen
- Primair: poging doodslag (24 febr. 2026, Naaldwijk) door met auto op [aangever] op zijn scooter in te rijden.
- Subsidiair: poging zware mishandeling (zelfde feit).
- Vernieling: opzettelijke beschadiging/onbruikbaar maken van deur, slot en/of vloertegel van wooncomplex aan [adres 2] (24 febr.–26 febr. 2026).
- Weigering bloedonderzoek (Delft), in strijd met art. 8 Wegenverkeerswet 1994 / art. 163 WvW.
Bewijs- en motiveringsoverwegingen
- De rechtbank acht de verklaring van de aangever (aangifte en aanvullend verhoor) betrouwbaar: hij zat op de scooter toen de auto tegen zijn rechterbeen en de scooter raakte, hij viel om en liep letsel op. Camerabeelden getoond op zitting tonen een vloeiende aanrijding over enkele meters; snelheid valt niet hard aan te merken. Forensisch spooronderzoek toonde geen blokkeerwaarnaamingen.
- Voor poging doodslag is (voorwaardelijk) opzet op de dood vereist. De rechtbank oordeelt dat uit dossier en beelden niet volgt dat een aanmerkelijke kans op overlijden bestond (snelheidsverschil in verklaringen, beperkte beschadiging aan voertuigen). Daarom vrijspraak van poging doodslag (primair).
- Wel is er volgens de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel geweest: frontale aanrijding van auto op stilstaande scooter met groot gewichtverschil. De gedraging (frontale aanrijding in vloeiende beweging) is naar uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op het toebrengen van zwaar letsel dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Verweer dat verdachte door gladheid ‘doorgeschoten’ zou zijn en tijdig had geremd faalt; bandensporen en zijn eigen verklaring (“verhaal wilde gaan halen”, te laat geremd) ondersteunen bewuste aanvaarding. Conclusie: wettig en overtuigend bewezen poging tot zware mishandeling (subsidiair onder 1).
- Vernieling deur: getuige zag verdachte rond 23:00 uur meerdere malen tegen de deur trappen; beheerder vond vernielingen; verdachte woonde in complex en was onder invloed naar binnen gegaan — samen brengt dit overtuigend bewijs dat verdachte de deur onbruikbaar heeft gemaakt. Slotvernieling ontkracht: verdachte verklaarde sleutel per ongeluk afgebroken; onvoldoende aanwijzingen voor opzet → vrijspraak slotvernieling. Geen voldoende aanknopingspunten voor vernieling van vloertegel → vrijspraak daarvoor.
- Weigering bloedonderzoek: verdachte heeft dit feit bekend en niet anders verklaard; officier heeft bewijs gevraagd; rechtbank verklaart deze overtreding bewezen.
Straf en motivering
- Gelet op ernst, omstandigheden (intoxicatie, doel “verhaal halen”, inbreuk op lichamelijke integriteit), recidive en eerdere veroordeling voor rijden onder invloed, reclasseringsrapporten (emotieregulatie, impulsbeheersing, middelengebruik, geen vaste woonplaats, schulden) en landelijke oriëntatiepunten, legt de rechtbank op: gevangenisstraf 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar. Aftrek voor voorarrest.
- Bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf: meldplicht bij GGZ Reclassering Fivoor (eerste afspraak binnen vijf werkdagen na ingang proeftijd), ambulante behandeling via Fivoor of vergelijkbaar (gericht op psychische- en verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, schulden etc.), medewerking aan middelencontroles (urine/ademonderzoek), mogelijkheid tot kortdurende klinische opname tot max. 7 weken bij indicatie. Reclassering houdt toezicht en begeleiding; vingerafdruk/identificatie en medewerking aan huisbezoeken behoren tot voorwaarden. De klinische opname als voorwaarde is achterwege gelaten omdat verdachte daar niet gemotiveerd voor was; wel mogelijkheid op indicatie.
- Rijontzegging: onvoorwaardelijke ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen 12 maanden wegens weigering bloedonderzoek (als bijkomende sanctie ook omdat verdachte eerder voor DUI is veroordeeld). Daarnaast gelast de rechtbank uitvoering van een eerder bij politierechter voorwaardelijk opgelegde ontzegging van 6 maanden (parketnr. 96-307243-23) wegens niet-naleving van voorwaarden.
- De rechtbank motiveert de strafkeuze met landelijke oriëntatiepunten: uitgangspunt voor zwaar letsel met wapen is 7 maanden; wegens poging wordt 5 maanden als uitgangspunt genoemd; uiteindelijk acht de rechtbank 6 maanden passend gezien ernst en recidiverisico. Proceshouding (spijt, excuses, contact met slachtoffer, mediationbereidheid, vergoeding in overleg) werkt strafverminderend.
Schadevergoeding en tenuitvoerlegging
- Benadeelde [aangever] vordert €500 voor totale schade aan scooter; rechtbank wijst toe op grond van art. 6:162 BW en schat schade op €500, met wettelijke rente vanaf 24 febr. 2026. Verdachte wordt tevens veroordeeld in (voor zover nu nihil begrote) proceskosten en verplicht €500 aan de Staat te betalen ten behoeve van [aangever]; bij niet betaling is gijzeling tot 5 dagen mogelijk. Eventuele betalingen aan benadeelde of Staat worden saldiert.
- Tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke ontzegging (Rotterdam 18 juni 2024) wordt bevolen wegens schending algemene voorwaarden.
Toegepaste wetsartikelen onder meer: art. 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 302, 350 Sr; art. 163, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vrijspraak van poging tot doodslag. Bewezenverklaring van poging zware mishandeling, vernieling en het weigeren van een bloedonderzoek. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. OBM van 12 maanden. Toewijzing vordering benadeelde partij. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging.
Uitspraak
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers:09-060155-26 en 96-307243-23 (TUL)
Datum uitspraak: 14 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Boer naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, met zijn auto is aangereden tegen die [aangever] die op zijn scooter zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met zijn auto is aangereden tegen [aangever] die op zijn scooter zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of een slot van een deur en/of een vloertegel van een wooncomplex aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 3. hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Delft, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
3 De bewijsbeslissing
3.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en van de onder feit 2 ten laste gelegde vernieling van het slot en de vloertegel. De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, de onder 2 ten laste gelegde vernieling van de deur en de onder 3 ten laste gelegde weigering van het bloedonderzoek.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3. Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen opgenomen. De rechtbank zal ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 24 februari 2026 in Naaldwijk met zijn auto tegen de scooter van de aangever is aangereden. De aangever heeft als gevolg hiervan letsel opgelopen.
De verdediging heeft primair gesteld dat de scooter op de grond lag tijdens de aanrijding, waardoor de ten laste gelegde gedraging – het aanrijden van een persoon die op zijn scooter zat – niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de aangever.
De rechtbank volgt het primaire standpunt van de verdediging niet. De aangever heeft in zijn aangifte en in zijn aanvullende verhoor verklaard dat hij op zijn scooter zat toen de auto volop op hem inreed, dat de auto zijn rechterbeen en de scooter raakte, en dat hij door de aanrijding omviel. Hij heeft voorts gedetailleerd en consistent verklaard dat hij pijn had aan zijn linkerbeen, omdat dat been onder de scooter, die als gevolg van de aanrijding op hem viel, terecht kwam. De rechtbank acht de verklaring van de aangever betrouwbaar en geloofwaardig en neemt deze als uitgangspunt voor de bewezenverklaring.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich door de aanrijding schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals primair tenlastegelegd, of aan poging tot zware mishandeling, zoals subsidiair tenlastegelegd.
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling is tenminste voorwaardelijk opzet vereist. Van voorwaardelijk opzet is in dit geval sprake wanneer een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangever door zijn gedraging zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap had van die aanmerkelijke kans en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier niet worden afgeleid dat een aanmerkelijke kans bestond dat de aangever door de aanrijding dodelijk letsel zou oplopen. Objectieve informatie over de exacte snelheid waarmee de verdachte reed, ontbreekt. De verdachte verklaart zelf tussen de 5 en 10 kilometer per uur te hebben gereden, en de aangever denkt dat het tussen de 30 en 40 kilometer per uur was. Uit de ter zitting getoonde camerabeelden blijkt ook dat de verdachte in ieder geval niet hard heeft gereden. De verdachte reed eerst even achteruit, kwam toen tot stilstand, en legde daarna een korte afstand, slechts enkele meters, af richting aangever. De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dat de verdachte niet met een snelheid kan hebben gereden die de aanmerkelijke kans in het leven riep op de dood. De rechtbank neemt in haar overweging ook mee dat de schade aan beide voertuigen uit krassen en uit enkele losse onderdelen bij de scooter bestond. De rechtbank concludeert, in lijn met de officier van justitie en de verdediging, dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.
De rechtbank is aan de hand van de bewijsmiddelen van oordeel dat er wel een aanmerkelijke kans bestond dat de aangever door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, de verdachte is met zijn auto frontaal aangereden tegen het slachtoffer dat op een stilstaande scooter zat. Onder die omstandigheden was er, zeker gelet op het aanzienlijke verschil in gewicht tussen beide soorten voertuigen, een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit zou leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.
De vraag is dan of de verdachte deze aanmerkelijk kans op zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. De verdachte is frontaal op de scooter afgereden. Op de ter zitting getoonde de camerabeelden heeft de rechtbank waargenomen dat de auto daarbij enige snelheid had en in een vloeiende beweging reed. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte tijdig zou hebben geremd, maar door het gladde wegdek is ‘doorgeschoten’ waardoor van bewuste aanvaarding geen sprake is. Dit standpunt wordt niet ondersteund door het forensisch onderzoekrapport, waaruit blijkt dat de aangetroffen bandensporen waarschijnlijk geen blokkeersporen zijn, omdat de auto in een vloeiende beweging richting de gevel rijdt. Bovendien heeft de verdachte op de terechtzitting verklaard dat hij ‘verhaal wilde gaan halen’ en hij te laat heeft geremd (de rechtbank begrijpt: toen de aanrijding onvermijdelijk was). Hieruit volgt dat de verdachte het risico op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Het verweer van de verdediging slaagt derhalve niet.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van de aangever (onder 1 subsidiair).
Ten aanzien van de ten laste gelegde vernieling van een deur van een wooncomplex aan de [adres 2] staat vast dat de beheerder van het wooncomplex op 26 februari 2026 tijdens een inspectieronde vernielingen heeft geconstateerd en daarvan aangifte heeft gedaan. De verdachte heeft ontkend dat hij de deur heeft vernield. Tegenover deze ontkenning staat de verklaring van een getuige die heeft gezien dat de verdachte op 24 februari 2026 rond 23:00 uur meermaals tegen de deur van het wooncomplex heeft getrapt, waardoor de deur ontzet was en niet meer in het slot viel. De rechtbank neemt ook in overweging dat de verdachte destijds in het complex woonde en dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat hij in de avond van 24 februari 2026 onder invloed van drank en drugs bij het wooncomplex naar binnen is gegaan. Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die de deur heeft ontzet en daarmee onbruikbaar heeft gemaakt.
Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde vernieling van een tegel van het wooncomplex aan de [adres 2] . De rechtbank zal de verdachte, in lijn met het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Over de ten laste gelegde vernieling van het slot van een deur van het wooncomplex aan de [adres 2] heeft de verdachte onweersproken verklaard dat zijn sleutel per ongeluk in het slot is afgebroken. Op geen enkele manier is gebleken dat er bij de verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de vernieling van het slot van de deur. De rechtbank acht daarom ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze vernieling heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
3.5. De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 24 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met zijn auto is aangereden tegen [aangever] die op zijn scooter zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 24 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een wooncomplex aan de [adres 2] , die aan [bedrijf] , toebehoorde heeft, onbruikbaar gemaakt;
hij omstreeks 24 februari 2026 te Delft als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen gevorderd voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele veroordeling geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest en aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft op 24 februari 2026 opzettelijk een aanrijding veroorzaakt. Hij is, onder invloed van alcohol en drugs, in zijn auto op zoek gegaan naar de mannen die hem dezelfde avond zouden hebben aangevallen en hij wilde verhaal gaan halen. In de vooronderstelling dat hij een van de mannen zag zitten op een scooter, is hij op de scooter afgereden en tegen de scooter gebotst, waardoor deze omviel en op de bestuurder ervan terecht kwam. De bestuurder van de scooter heeft lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een wond op zijn middelvinger, een schaafwond op zijn kin en pijn aan zijn linkerbeen. De verdachte heeft door zijn impulsieve en volstrekt verkeerde handelwijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem ernstig in gevaar gebracht.
Na zijn aanhouding heeft de verdachte een bevel van een hulpofficier van justitie om mee te werken aan een bloedonderzoek genegeerd. Dit is een strafbaar feit dat getuigt van weinig respect voor het openbaar gezag. Zo heeft hij ten onrechte voorkomen dat kon worden vastgesteld of hij onder invloed van te veel middelen zijn auto had bestuurd. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. Met het plegen van een vernieling in een wooncomplex in Naaldwijk heeft de verdachte bovendien geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Hieruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder één maal voor rijden onder invloed van drugs.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapporten over de verdachte van 9 maart 2026, 3 april 2026 en 2 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte psychosociale problemen lijkt te hebben, waaronder moeite met emotieregulatie en impulsbeheersing. Daarnaast is in het verleden sprake geweest van middelengebruik. Volgens de reclassering bagatelliseert de verdachte zijn middelengebruik en lijkt hij het risico op een terugval te onderschatten. De verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en forse schulden. Positief is dat hij beschikt over een steunend netwerk, in de vorm van zijn ouders en zijn vriendin, en over werk en inkomsten. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.
Om de risico’s op toekomstig delictgedrag te beheersen, heeft de reclassering geadviseerd de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, klinische opname in een zorginstelling, een daarop volgende ambulante behandeling door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener en medewerking aan middelencontrole.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Hieruit volgt dat voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een wapen, in dit geval een auto, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden wordt opgelegd. Gelet op de bewezenverklaarde poging acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden in beginsel passend. Daarnaast geldt voor het weigeren van een bloedonderzoek door een bestuurder van een auto als uitgangspunt een geldboete van € 1.300,- en een onvoorwaardelijke rijontzegging van negen maanden.
In strafverlagende zin weegt de rechtbank de proceshouding van de verdachte mee. Hij heeft op de terechtzitting verklaard spijt te hebben van zijn handelen en zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer. Daarnaast heeft hij verantwoordelijkheid genomen door contact te zoeken met het slachtoffer, mee te werken aan een mediationtraject en zich bereid te tonen de schade te vergoeden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten drie maanden, voorwaardelijk opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank zal ter vermindering van het recidiverisico de proeftijd vaststellen op twee jaren.
Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van een klinische opname, nu ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte hiervoor niet gemotiveerd is en de ambulante hulpverlening nog opgestart moet worden. Daarnaast heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij sinds een half jaar geen middelen meer gebruikt, zodat de urgentie voor een langdurige klinische opname niet vaststaat. Zo nodig kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. In aanvulling op de gevangenisstraf zal de rechtbank ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 12 maanden, geheel onvoorwaardelijk. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank deze ontzegging passend en geboden, temeer nu de verdachte eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed.
7 De vordering van de benadeelde partij
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 500,- gevorderd. Dit bedrag bestaat uit een inschatting van de reparatiekosten van zijn scooter.
7.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Primair vanwege de bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, subsidiair omdat de hoogte van het gevorderde bedrag niet is onderbouwd met stukken.
7.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering benadeelde partij toewijzen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat heer [aangever] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is de verdachte gehouden om de schade van [aangever] te vergoeden.
Op de terechtzitting heeft de moeder van de heer [aangever] mondeling toegelicht dat hij de scooter enkele maanden voor de aanrijding heeft gekocht voor een bedrag van € 500,-, dat de scooter door de aanrijding total loss is en dat hij niet verzekerd is voor de schade. De verdediging heeft deze omstandigheden niet betwist. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank als redelijk voor. Zij stelt de schade derhalve vast op € 500,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. De rechtbank zal voorts bepalen dat de verdachte over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd is per 24 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever] .
8 De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 1 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96-307243-23 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 18 juni 2024 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte door het weigeren van het bloedonderzoek een tweede strafpunt op zijn rijbewijs krijgt, waardoor zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt verklaard. Dit maakt, aldus de verdediging, dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geen toegevoegde waarde heeft. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, door zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.
9 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
-14 a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht; -163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot zware mishandeling;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot **3 (DRIE) MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 3] .
zich gedurende de proeftijd of na het ondergaan van de klinische behandeling laat behandelen door Fivoor Ambulant Centrum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor etoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter via de procedure van artikel 6:6:19 Sv is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 18 juni 2024, gewezen onder parketnummer 96-307243-23, te weten een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Verboom,voorzitter, mr. W.R. van Hattum,rechter, mr. C. Hofman,rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Six,griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.