ECLI:NL:RBDHA:2026:26756 Rechtbank Den Haag , 14-09-2026 / NL26.52215
Samenvatting
Zaak en partijen Zaaknummer NL26.52215, zittingsplaats Middelburg. Eiser is [eiser] (geboren [datum] 1989), houder van de Marokkaanse nationaliteit; V-nummer [V-nummer]. Zijn gemachtigde bij het besluit was mr. M.B. van den Toorn-Volkers; bij de zitting trad mr. S.A.M. Fikken als waarnemer op; als tolk trad [tolk] op. Verweerder is de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. L. Hartog. De enkelvoudige kamer (mr. E.F. Bethlehem, griffier mr. P. Lukanika) behandelde de zaak; de kennisgeving van het bestreden besluit (4 september 2026) werd door de rechtbank gelijkgesteld met een beroep en met een verzoek om schadevergoeding. De zitting vond plaats op 10 september 2026; uitspraak gedaan en openbaar gemaakt op 14 september 2026.
Procedurele en materiële rechtsgrondslag De maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), en beoordeeld aan de hand van artikel 59c Vw en relevante bepalingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), in het bijzonder artikel 5.5 (grondslagen voor bewaring: onderduikrisico of ontwijken/beletten van vertrek/uitzetting) en artikel 5.6 (vereiste dat voor het bestaan van een onderduikrisico ten minste twee van de in het tweede lid genoemde gronden zich voordoen). De kennisgeving van het besluit werkt, conform artikel 94 Vw, als ingebracht beroep en als verzoek om schadevergoeding.
Feiten en door verweerder aangevoerde gronden Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat de maatregel is gevorderd wegens het belang van de openbare orde, omdat (1) een onderduikrisico bestaat en (2) eiser de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In het besluit zijn de volgende, bij verweerder opgenomen individuele gronden genoemd (letters uit het Vb):
- a. onrechtmatige of op voorgeschreven wijze niet verlopen binnenkomst / zich aan toezicht onttrokken of zonder toestemming tussen EU-lidstaten bewogen;
- b. eerder een kennisgeving/besluit gekregen tot vertrek uit EU/Nederland zonder eigen opvolging binnen gestelde termijn;
- c. (niet of onvoldoende) meewerken aan vaststelling van identiteit en nationaliteit;
- h. heeft aangegeven geen gehoor te zullen geven aan terugkeerplicht;
- i. bij de grens kenbaar gemaakt asielaanvraag te willen indienen en asielgrensprocedure niet-ontvangen/niet-ontvankelijk/afgewezen als kennelijk ongegrond;
- j. ingediende asielaanvraag niet-ontvankelijk of afgewezen als kennelijk ongegrond;
- p. niet gehouden aan andere verplichtingen uit hoofdstuk 4 Vb;
- r. geen vaste woon- of verblijfplaats;
- s. geen voldoende middelen van bestaan;
- u. heeft arbeid verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij de zitting heeft verweerder grond i laten vallen.
Beoordeling door de rechtbank
- Betwisting: de rechtbank stelt vast dat eiser de overige in het besluit genoemde gronden niet heeft bestreden. Voor zover nodig acht de rechtbank die gronden juist en voldoende toegelicht in het besluit. De rechtbank oordeelt dat deze (onbestreden en voldoende onderbouwde) gronden samen voldoende zijn om de maatregel te dragen en dat er op die grond een risico op onderduiken bestaat. Daarbij geldt het toetsingskader dat voor toepassing van bewaring wegens onderduikrisico ten minste twee van de in artikel 5.6, tweede lid, Vb genoemde gronden moeten bestaan; de rechtbank acht dat hier aan voldaan is.
- Lichter middel: eiser voerde aan vrijwillig naar Marokko te willen terugkeren en eerst persoonlijke documenten (diploma’s en rijbewijs) in Spanje te willen ophalen. De rechtbank oordeelt dat dat voornemen niet betekent dat een lichter middel volstaat: gelet op de aangevoerde gronden blijft er een reëel onderduikrisico, verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat geen lichter, doeltreffend middel is gebleken om dat risico weg te nemen, en er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de bewaring onevenredig bezwarend maken zodat verweerder had moeten kiezen voor een lichter middel.
- Ambtshalve toets: de rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve te concluderen dat de vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Slotsom en consequenties De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst eveneens het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Ten aanzien van rechtsmiddelen vermeldt de uitspraak dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; daartoe moet binnen één week na verzending of plaatsing in het digitale dossier een hogerberoepschrift worden ingediend.
Kernuitkomst De opgelegde vreemdelingenbewaring op grond van art. 59(1)a Vw wordt door de rechtbank gehandhaafd omdat de door verweerder opgesomde, grotendeels onbeweerde en voldoende toegelichte feiten en omstandigheden het vereiste onderduikrisico en de verhindering van vertrek/uitzetting ondersteunen; lichter middelen en proportionaliteit boden geen reden tot vernietiging.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring o.g.v. artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – gronden niet betwist – lichter middel – ambtshalve toets – beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.52215
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
4. Verweerder heeft ter zitting grond i laten vallen.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
6. Eiser heeft aangevoerd dat hij vrijwillig naar Marokko wil terugkeren. Hij heeft daarbij verklaard dat hij eerst zijn diploma’s en rijbewijs, die volgens hem in Spanje liggen, wil terugkrijgen en daarna naar Marokko wil vertrekken.
7. Eisers voornemen om vrijwillig naar Marokko terug te keren, leidt niet tot het oordeel dat met een lichter middel kan worden volstaan. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat er een risico dat hij zal onderduiken. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.