ECLI:NL:RBDHA:2026:26403 Rechtbank Den Haag , 02-07-2026 / NL26.18878
Samenvatting
Partijen en procedure Eiseres (Eritrese, geboren [geboortedatum] 1963; V-nummer: [V-nummer], bijgestaan door mr. K. Taha) verzocht om een verblijfsvergunning asiel; verweerder is de minister van Asiel en Migratie (bijgestaan door mr. G.T. Cambier). De minister wees het verzoek bij besluit van 30 maart 2026 in de algemene procedure af als kennelijk ongegrond (artikel 28 Vreemdelingenwet 2000). Eiseres ging in beroep; de rechtbank behandelde de zaak zitting 12 juni 2026 (tolk G. Ogbamichael). Uitspraak: 2 juli 2026 (mr. M. van der Knijff).
Feiten en asielrelaas Eiseres verklaarde dat haar dochter [naam] illegaal uit Eritrea is vertrokken en dat kort daarna haar echtgenoot is opgepakt en later is overleden; ook zou lokale overheid (ten minste) haar landbouwgrond in beslag hebben genomen. Vijf jaar na het overlijden van haar man verliet eiseres Eritrea legaal op basis van een Schengenvisum. Bij terugkeer vreest zij arrestatie en detentie omdat zij de visumtermijn overschreden zou hebben en vanwege de uitreis van haar kinderen. Eiseres verklaarde het paspoort in België te zijn kwijtgeraakt. Zij deed haar asielaanvraag pas na vier maanden verblijf in Nederland, twee weken na het verstrijken van het visum.
Motivering van de minister De minister achtte identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar verwierp de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde problemen/risico’s in Eritrea. De minister voerde drie hoofdargumenten aan: (1) eiseres had relevante stukken niet overgelegd (met name het paspoort) en gaf hiervoor geen bevredigende verklaring; (2) haar verklaringen zouden inconsistent zijn en geen samenhangend, aannemelijk relaas vormen — onder meer omdat het verkrijgen van een uitreisvisum volgens het Algemeen ambtsbericht (AAB) moeilijk zou zijn en omdat het AAB en een toelichting zouden aangeven dat terugkeer na legale uitreis doorgaans geen problemen oplevert; (3) eiseres had haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend (twee weken ná het verstrijken van het visum / vier maanden na aankomst) en gaf geen goede reden. De minister stelde verder dat de gevreesde vervolging niet valt onder de gronden van het Vluchtelingenverdrag en dat er geen reëel risico op ernstige schade bleek.
Beoordeling door de rechtbank — geloofwaardigheid De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres over de repressie en de relatie met de uitreis van haar dochter ongeloofwaardig zouden zijn. Belangrijke punten uit de motivering van de rechtbank:
- De minister betwistte op zich niet dat de dochter illegaal vertrok, dat de man werd opgepakt en dat grond werd inbeslaggenomen; evenmin werd de door eiseres geschetste tijdlijn (uitreis dochter → arrestatie man → inbeslagname) betwist. De rechtbank vond dat de minister ten onrechte geen gewicht had toegekend aan die volgorde en het tijdpad.
- Landeninformatie (AAB p.33) en een HRW-rapport (9 feb 2023) ondersteunen dat familieleden van dienstplichtontduikers kunnen worden getroffen door maatregelen zoals detentie en beslaglegging, ook bij oudere ouders. Daardoor is het causale verband plausibeler dan de minister aannam.
- De toelichting van eiseres in het nader gehoor over het verschil tussen direct persoonlijk gevaar en indirecte repressie maakte haar relaas coherent; de rechtbank achtte die verklaring aannemelijk.
Tegelijk stelde de rechtbank vast dat:
- Het ontbreken van het paspoort een relevant bezwaar is en dat eiseres geen overtuigende en eenduidige verklaring gaf over het kwijtraken of het niet melden bij politie.
- Het te late melden voor asiel (niet zo spoedig mogelijk) ook terecht door de minister is aangevoerd; de rechtbank vond echter dat deze feiten niet op zichzelf genoeg zijn om het geheel van haar relaas af te wijzen.
Risico bij terugkeer wegens overschrijding visumtermijn De rechtbank verwierp de stelling dat eiseres een reëel terugkeer risico loopt louter wegens het overschrijden van de visumtermijn: nadere toelichtingen bij het AAB en het AAB zelf wijzen er op dat voor personen zoals eiseres het risico op nadelige gevolgen bij terugkeer «vrijwel nihil» kan zijn en dat er doorgaans geen terugkeertermijn op het uitreisvisum staat.
Artikel 8 EVRM Eiseres voerde ook beroep op artikel 8 (familieleven) vanwege de band met haar meerderjarige zoon in Nederland. De rechtbank volgde de minister: de praktische en emotionele steun door de zoon overstijgt niet het normale patroon en levert geen beschermenswaardig familiaal leven zoals vereist door jurisprudentie EHRM.
Conclusie en beslissingen De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende motivering door de minister over de ongeloofwaardigheid van het rebegane relaas; het bestreden besluit van 30 maart 2026 is vernietigd. De rechtbank liet de rechtsgevolgen niet in stand en beval de minister op grond van artikel 8:72 lid 4 Awb binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. De minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van €1.868.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
VK, asiel, Eritrea, onvoldoende gemotiveerd waarom problemen vanwege illegale uitreis kinderen ongeloofwaardig, geen 3 EVRM-risico door overschrijden visumtermijn, beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18878
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de problemen van eiseres in Eritrea ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1963. Haar man is ongeveer zeven jaar geleden opgepakt en overleden naar aanleiding van de illegale uitreis van haar dochter [naam] . Tegen die tijd is ook haar grond in beslag genomen door de lokale autoriteiten vanwege de illegale uitreis van haar kinderen. Vijf jaar na het overlijden van haar man is eiseres legaal uit Eritrea vertrokken op basis van een Schengenvisum. Bij terugkeer naar Eritrea vreest zij opgepakt te worden door de autoriteiten en in de gevangenis te belanden vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de illegale uitreis van haar kinderen.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen in Eritrea vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de uitreizen van de kinderen.
4.1. De minister betrekt bij de beoordeling dat eiseres analfabeet is, nooit naar school is geweest, en als herder en op het land werkte en haar (zes) kinderen grootbracht. Dat is het referentiekader van eiseres.
4.2. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht de problemen van eiseres in Eritrea vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de uitreizen van de kinderen niet geloofwaardig.
Ten eerste heeft eiseres niet alle relevante elementen overgelegd, en daar heeft zij geen bevredigende verklaring voor.
4.3. Wat betreft de vrees van eiseres om bij terugkeer te worden opgepakt, merkt de minister op dat dit niet raakt aan de (vervolgings)gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook is geen sprake van een reëel risico op ernstige schade. Zo blijkt uit het Algemeen ambtsbericht, p. 26-27 en 54 niet dat het overschrijden van de visumtermijn leidt tot problemen met de Eritrese autoriteiten. Ook is ongeloofwaardig geacht dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Van haar mag worden verwacht dat zij bij terugkeer niet kenbaar maakt dat zij in Nederland asiel heeft aangevraagd. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich niet tijdig heeft gemeld.
5. De minister ziet ook geen aanleiding om eiseres een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Tussen eiseres en haar (meerderjarige) zoon in Nederland is geen sprake van emotionele banden die het gangbare overstijgen.
6. Eiseres voert aan dat de minister bij de tegenwerpingen over het visum en het paspoort onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Bovendien heeft zij duidelijk verklaard over hoe zij het visum heeft verkregen en dat zij daarmee is uitgereisd. Verder stelt de minister ten onrechte dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over of zij problemen heeft ondervonden. Uit het nader gehoor, p. 20 blijkt immers dat eiseres onderscheid maakte tussen direct persoonlijk gevaar en de indirecte repressie (slechte behandeling) die zij wél heeft ondervonden. Dat is de reden dat zij verklaarde geen persoonlijke problemen te hebben met de autoriteiten. Verder stelt eiseres dat zij tijdens het gehoor, p. 21 en 22, wat betreft de inbeslagname van de grond niet alleen het algemene patroon heeft benoemd, maar ook haar eigen geval heeft beschreven. Verder heeft de minister onvoldoende onderkend dat het relaas aansluit bij de landeninformatie, en heeft de minister het causale verband tussen de gebeurtenissen onvoldoende weerlegd. Eiseres wijst op het Algemeen ambtsbericht, p. 33 en het rapport van Human Rights Watch van 9 februari 2023 ‘Eritrea: Crackdown on Draft Evaders’ Families’, waaruit onder meer volgt dat ook familieleden van dienstplichtontduikers die al vertrokken zijn te maken kregen met repressie. Daaruit blijkt ook dat arbitraire detentie, informele bestraffing en gebrek aan transparantie juist kenmerkend zijn in Eritrea. De minister verwacht daarom ten onrechte van eiseres dat zij achteraf reconstrueert waarom haar echtgenoot precies is overleden. Eiseres heeft ook consequent verklaard dat haar dochter [naam] het land ontvluchtte om de militaire dienst te ontlopen, dat haar echtgenoot hiervoor verantwoordelijk werd gehouden, dat hij werd opgepakt en dat dit zijn dood werd, wat ook zo is samengevat door de hoormedewerker. Daaruit blijkt een causaal verband, dat de minister onvoldoende heeft weerlegd. Tot slot stelt eiseres dat de latere asielaanvraag niet in haar nadeel mag werken, omdat zij in het nader gehoor heeft uitgelegd waarom zij zich niet eerder heeft gemeld, en dat dit te maken heeft met haar referentiekader. Ook mag volgens het UNHCR het niet spoedig indienen van de asielaanvraag niet zonder meer afdoen aan de geloofwaardigheid, de beslisser moet steeds beoordelen of het uitstel verschoonbaar is.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres over haar problemen in Eritrea geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
8. De minister heeft wel terecht tegengeworpen dat eiseres niet alle relevante elementen heeft overgelegd en hier geen goede verklaring voor heeft.
9. De minister heeft ook terecht tegengeworpen dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, en daar heeft geen goede verklaring voor heeft.
10. Gelet op wat in overweging 7. is overwogen, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de problemen van eiseres in Eritrea ongeloofwaardig zijn en kan de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand blijven. Dat eiseres haar paspoort niet heeft overgelegd en haar asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend (overweging 8. en 9.) kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk op zichzelf niet de doorslag geven in de geloofwaardigheidsbeoordeling.
11. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Eritrea problemen zal ondervinden, omdat zij niet binnen de visumtermijn is teruggekeerd, bij haar legale uitreis alles is geregistreerd en de autoriteiten haar zullen aanspreken omdat zij bij haar kinderen is geweest. Ook hebben de autoriteiten haar vóór haar vertrek voorzieningen en bestaansmiddelen afgenomen. Uit het Algemeen ambtsbericht blijkt ook dat een legale uitreis niet zonder meer vrijwaart van problemen bij terugkeer. Eiseres heeft op de zitting nog gewezen op de toelichting van 30 april 2025 op het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2023, p. 1, waar onder meer staat dat personen die later terugkwamen dan toegestaan vanuit het buitenland te maken konden krijgen met nadelige gevolgen waaronder detentie.
12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt vanwege het overschrijden van de visumtermijn. In de toelichting van 30 april 2025, p. 2 is gereageerd op de passage die eiseres aanhaalt. In de toelichting wordt weliswaar bevestigd dat uit twee in het ambtsbericht aangehaalde bronnen kan worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren, maar volgt ook dat uit verschillende andere bronnen expliciet blijkt dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden. Personen die reisden voor officieel bezoek in het buitenland lopen het risico dat hun verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd indien zijn niet terugkeerden na het bezoek. Voor andere reizigers (zoals eiseres) zou dit risico ‘vrijwel nihil’ zijn. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht van december 2025, p. 25-27 waaruit blijkt dat er geen terugkeertermijn op het uitreisvisum staat en dat personen die legaal zijn uitgereisd op een willekeurig moment kunnen terugkeren naar Eritrea. De rechtbank ziet in het Algemeen ambtsbericht ook geen aanknopingspunten dat eiseres problemen zal krijgen omdat zij op bezoek is geweest bij haar kinderen die eerder illegaal zijn uitgereisd, of omdat haar grond haar eerder is afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiseres voert aan dat tussen haar en haar zoon wel degelijk sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zij heeft tijdens het nader gehoor, p. 15 en 16 verklaard dat hij haar in de gaten houdt en waar nodig hulp biedt, en dat zij vooral bij het regelen van zaken waarvoor kennis nodig is, afhankelijk van hem is. Dat zij niet bij haar zoon wil inwonen omdat hij een gezin heeft, betekent niet dat geen sprake is van afhankelijkheid. Dat geldt ook voor het feit dat eiseres alleen in Eritrea heeft geleefd: zij leefde immers van wat de kinderen haar stuurden.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen. Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de praktische en emotionele steun die eiseres van haar zoon ontvangt niet het gangbare overstijgt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
15.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
15.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 2 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.