ECLI:NL:RBDHA:2026:25739 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / C/09/706688 FA RK 26-5724
Samenvatting
De rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer, beschikking 6 augustus 2026, zaak C/09/706688) verklaart de verzoeken van [de vrouw] (wonende te [land 1], advocaat mr. M.M.E. Bowmer) niet-ontvankelijk jegens [de man] (wonende te [land 2], advocaat mr. C.L.M. Smeets). Kortheidshalve de kernpunten en motivering:
Partijen en procesverloop
- Beide partijen zijn Nederlands. De zaak is behandeld op zitting van 30 juli 2026 (beiden per video aanwezig; tevens mr. Z.C.E. Houben).
- De vrouw verzocht bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 1 juni 2026 maandelijkse voorschotten van primair € 10.869 of subsidiair € 9.200, en verzocht dat betalingen vanaf 1 augustus 2026 verrekend zouden worden met de reeds door de rechtbank toegewezen ‘compensatory allowance’, zonder terugbetalingsverplichting indien die vergoeding later komt te vervallen.
- De man voerde verweer en beriep zich op toepassing van het Monegaskisch recht en op het ontbreken van een rechtsgrond voor doorlopende partneralimentatie na inschrijving van de echtscheiding.
Relevante eerdere beslissingen
- Op 12 september 2024 sprak de rechtbank (in eerste aanleg) de echtscheiding uit en hield zij verdere beslissingen over partneralimentatie aan om in het licht van buitenlands recht te beargumenteren (initieel werd Australisch recht genoemd).
- Het gerechtshof Den Haag oordeelde bij beschikking van 15 juni 2025 dat het recht van Monaco van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 2026 werd aan de vrouw (toepasselijk Monegaskisch recht) een compensatory allowance toegekend van € 1.500.000 te betalen in vijf jaarlijkse termijnen, eerste termijn uiterlijk 1 augustus 2026; die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Beoordeling van rechtsvraag en toepasselijk recht
- De rechtbank bevestigt Nederlandse rechtsmacht maar overweegt dat, nu het toepasselijke recht (Monegaskisch recht) reeds door het hof en nader door deze rechtbank was vastgesteld, het niet opportuun is in een voorlopige voorzieningenprocedure af te wijken en Nederlands recht (lex fori) toe te passen. Toepassing van uiteenlopend recht binnen dezelfde rechtsverhouding zou tot inconsistentie met de bodemprocedure leiden, tenzij nieuwe feiten dat zouden rechtvaardigen; zulke nieuwe omstandigheden zijn niet gesteld.
Substantieve beoordeling onder Monegaskisch recht
- De rechtbank gaat uit van Monegaskisch recht en toetst of na de echtscheiding een verzoek tot (voorlopige) partneralimentatie mogelijk is.
- Juridische systeem volgens Monegaskisch recht: artikel 181 Monegaskisch BW kent een wederzijdse onderhoudsplicht gedurende het huwelijk en gedurende de echtscheidingsprocedure, maar die verplichting eindigt zodra de echtscheiding definitief is (artikel 204-5 Monegaskisch BW voorziet in plaats daarvan een eenmalige ‘compensatory allowance’ ter compensatie van ongelijkheid als gevolg van ontbinding van het huwelijk).
- De rechtbank oordeelt dat na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand geen aanspraak meer bestaat op doorlopende (voorlopige) partneralimentatie. De vrouw kan alleen aanspraak maken op de compensatory allowance die al is vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Ontvankelijkheid en beslissing
- Omdat naar Monegaskisch recht geen grondslag bestaat voor (voorlopige) doorlopende partneralimentatie na de echtscheiding, heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek; zij wordt niet-ontvankelijk verklaard.
- De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en bepaalt dat iedere partij eigen proceskosten draagt.
Procesrechtelijke kanttekeningen
- De rechtbank wees het verzoek van de vrouw om een laat ingediende legal opinion van de man buiten beschouwing te laten af; opname van late stukken past bij het karakter van de procedure en de vrouw was niet in haar procesbelang geschaad.
Slot
- Beschikking gegeven door mr. E.D.A. Geleijns (rechter), bijgestaan door griffier mr. A. Hoek, uitgesproken op 6 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen. Monegaskisch recht is van toepassing. Verzoekster is niet-ontvankelijk in haar verzoek tot voorlopige partneralimentatie.
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-5724 Zaaknummer: C/09/706688 Datum beschikking: 6 augustus 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 8 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw, wonende te [land 1] , advocaat: mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man, wonende te [land 2] , advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 26 juni 2026, van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlagen van 28 juli 2026, van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlagen, waaronder het gewijzigd verzoekschrift, van 29 juli 2026, van de vrouw;
- het verweerschrift met producties van 29 juli 2026, van de man.
Op 30 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, middels een videoverbinding,
- de advocaat van de vrouw;
- de man, middels een videoverbinding;
- de advocaat van de man en mr. Z.C.E. Houben te Amsterdam.
De vrouw verzoekt de op 29 juli 2026 ingediende legal opinion van de man buiten beschouwing te laten, nu de vrouw – gelet op de late indiening door de man – geen tijd had om de inhoud van de brief te laten verifiëren door een eigen adviseur en de bij de legal opinion gevoegde uitspraak niet gelijkend is aan de onderhavige zaak. De uitspraak is zodoende onvoldoende betrouwbaar. De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw, nu het inherent is aan de aard van onderhavige procedure dat er nog in een laat stadium stukken mogen worden ingediend terwijl niet gebleken is dat de vrouw in haar procesbelang is geschaad.
Zowel van de zijde van de man als van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgehouden.
Feiten
- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank geoordeeld dat het Australische recht van toepassing is op de partneralimentatie. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de partneralimentatie heeft de rechtbank aangehouden om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten en argumenten inzake de partneralimentatie aan de hand van de inhoud van het Australische recht nader te onderbouwen.
- Bij beschikking van 15 juni 2025 heeft het gerechtshof Den Haag, anders dan de rechtbank Den Haag, geoordeeld dat het recht van Monaco van toepassing is op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 2026 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man aan de vrouw (volgens het Monegaskisch recht) een ‘compensatory allowance’ dient te voldoen van € 1.500.000,--, te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van € 300.000,--, waarbij de 1e termijn voldaan moet worden uiterlijk op 1 augustus 2026 en de opvolgende 4 termijnen jaarlijks steeds uiterlijk op 1 augustus, iedere termijn te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag waarop de man de betreffende termijnbetaling aan de vrouw moet hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging –, bij wijze van voorlopige voorzieningen:
- dat de man met ingang van 1 juni 2026, althans een datum die de rechtbank juist acht, maandelijks bij vooruitbetaling, primair aan de vrouw een bedrag van € 10.869 per maand dient te voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud, althans subsidiair € 9.200, per maand, althans meer subsidiair een maandelijkse bijdrage die de rechtbank juist acht;
- dat de voor de vrouw te bepalen bijdrage vanaf 1 augustus 2026 verrekend wordt met de ‘compensatory allowance’, zoals vastgelegd in de in kracht van gewijsde gegane eindbeschikking, met dien verstande dat voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting zal gelden indien de ‘compensatory allowance’ in latere instantie komt te vervallen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, totdat de eindbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
De man heeft verweer gevoerd, welk hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Welk recht van toepassing is op het verzoek van de vrouw tot voorlopige partneralimentatie is tussen partijen in geschil.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het Nederlandse recht van toepassing is. Zij voert daartoe aan dat een voorlopige alimentatievoorziening buiten het materiele toepassingsgebied van het Haags Alimentatieprotocol valt en dat spoedeisende voorzieningen in beginsel beheerst worden door de lex fori, in dit geval het Nederlandse recht. Nu de man erkent dat de Nederlandse rechter bevoegd is, is daarmee is ook de lex fori gegeven. De vrouw erkent dat het de rechtbank vrijstaat om het recht dat uit het alimentatieprotocol voortvloeit toe te passen. Binnen de kaders van een voorlopige voorzieningen procedure is het echter niet mogelijk om diepgaand onderzoek te doen naar de werking van buitenlands toepasselijk recht, zeker nu de werking hiervan tussen partijen in geschil is.
Volgens de man is het Monegaskisch recht van toepassing op het verzoek van de vrouw. Op grond van 10:116 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt verwezen naar het Haags Alimentatieprotocol 2007. Dat protocol kent geen discretionaire bevoegdheid voor de rechter om het eigen recht, lex fori, toe te passen op een verzoek tot voorlopige partneralimentatie. Artikel 4 van het protocol biedt slechts een dergelijke mogelijkheid voor onderhoudsverplichtingen jegens kinderen en niet voor verplichtingen jegens (ex)echtgenoten Het aanknopingssysteem zoals volgt uit het Alimentatieprotocol is dwingend, waarbij op grond van artikel 3, althans artikel 5 van het protocol, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, dan wel het recht van de staat waarmee het huwelijk het nauwst verbonden is van toepassing is. Over deze rechtsvraag is zowel bij de rechtbank Den Haag als bij het gerechtshof Den Haag reeds uitvoerig geprocedeerd. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het huwelijk het nauwst verbonden is met Monaco zodat het Monegaskisch recht op het verzoek tot partneralimentatie van toepassing is. Het Alimentatieprotocol maakt geen onderscheid tussen voorlopige en definitieve verzoeken. Verder is de inhoud van het Monegaskisch recht goed kenbaar en gemakkelijk toe te passen, nu de gestelde onderhoudsverplichting naar dat recht als gevolg van de ontbinding van het huwelijk simpelweg niet meer bestaat. De man merkt bovendien op dat het Nederlands recht in geen van deze aanknopingspunten voorkomt.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank benadrukt allereerst dat de rechtbank niet zonder meer gehouden is de lex fori (Nederlands recht) toe te passen in voorlopige voorzieningenprocedures. In de praktijk wordt regelmatig Nederlands recht toegepast wanneer de procedure zich vanwege haar voorlopige en spoedeisende karakter niet leent voor uitvoerig onderzoek naar de inhoud van buitenlands recht, of wanneer een dergelijk onderzoek tot onredelijke vertraging zou leiden. Nu het toepasselijke recht reeds op 15 juni 2025 door het gerechtshof zorgvuldig en uitgebreid is vastgesteld, en deze rechtbank zich daarbij op 9 juni 2026 in haar beschikking heeft aangesloten, ligt het niet voor de hand om in onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure alsnog van Nederlands recht uit te gaan. Dit zou ertoe leiden dat binnen dezelfde rechtsverhouding verschillende rechtsstelsels worden toegepast. De voorlopige voorzieningenprocedure heeft bovendien een nauw verband met de bodemprocedure. Wanneer in de bodemprocedure reeds is vastgesteld welk recht van toepassing is, ligt het in de rede dat de rechter in de voorlopige voorzieningenprocedure daarbij aansluit, tenzij sprake is van nieuwe omstandigheden die tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de voorlopige partneralimentatie van het Monegaskisch recht moet worden uitgegaan.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat – indien de rechtbank van oordeel is dat het Monegaskisch recht van toepassing is – er wel degelijk een rechtsgrond is voor het verzoek van de vrouw. Op grond van artikel 202-2 van het Monegaskisch Burgerlijk Wetboek kan de rechter een interim maatregel vastleggen, waaronder een voorlopige partneralimentatie. Het Monegaskisch recht kent echter een andere volgorde van de echtscheidingsprocedure en gelijk met de echtscheiding wordt de einduitspraak over de ‘compensatory allowance’gewezen. De vrouw is van mening dat er op dit moment echter geen definitieve einduitspraak is ten aanzien van de ‘compensatory allowance’, zodat de vrouw nog om een voorlopige partneralimentatie kan verzoeken.
De man stelt zich op het standpunt dat de wederzijdse onderhoudsverplichting, op grond van artikel 181 Monegaskisch BW, door de echtscheiding is geëindigd nu de echtscheiding op 10 maart 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit volgt niet alleen uit de legal opinion van de zijde van de man, maar ook uit de legal opinion van de zijde van de vrouw van [naam] . De systematiek van het Monegaskisch recht houdt in dat na scheiding geen aanspraak bestaat op een doorlopende maandelijkse onderhoudsverplichting. In plaats daarvan kan de rechter, indien daartoe aanleiding bestaat, een eenmalige uitkering, ‘compensatory allowance’ toekennen, zoals de rechtbank heeft gedaan. De definitieve beschikking is gegeven en de vrouw beschikt inmiddels over een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde titel om de ‘compensatory allowance’ te incasseren. De vrouw heeft dus geen recht meer op partneralimentatie. Zij kan uitsluitend aanspraak maken op de ‘compensatory allowance’, die is vastgesteld. Naar Monegaskisch recht bestaat geen rechtsgrond meer voor een (voorlopige voorziening tot) partneralimentatie. Het is de man dan ook onduidelijk op welke grondslag de vrouw haar verzoek baseert. Gelet op het voorgaande is de man van mening dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek, zodat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat haar verzoek dient te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals hiervoor overwogen is het Monegaskisch recht van toepassing op het verzoek van de vrouw. De vraag is vervolgens of conform het Monegaskisch recht de mogelijkheid bestaat om
Volgens het Monegaskische bestaan twee afzonderlijke rechtsgronden op basis waarvan aan (een van) de echtgenoten in het kader van een echtscheiding een alimentatie, dan wel financiële vergoeding kan worden toegekend.
Allereerst op grond van artikel 181 van het Monegaskisch BW. Uit dit wetsartikel volgt dat echtgenoten elkaar wederzijds onderhoud verschuldigd zijn gedurende het huwelijk, als ook gedurende de echtscheidingsprocedure. Zoals deze rechtbank bij beschikking van 9 juni 2026 heeft overwogen eindigt voornoemde verplichting wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van artikel 204-5 van het Monegaskisch BW, met uitzondering van de situaties waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken vanwege ziekte. Zodra een echtscheidingsbeschikking definitief is kan geen verzoek meer worden ingediend op grond van de voornoemde onderhoudsplicht.
Daarnaast kan volgens artikel 204-5 van het Monegaskisch BW in het kader van de echtscheiding een eenmalige uitkering worden vastgesteld, een ‘compensatory allowance’, met als doel de ongelijkheid te compenseren die de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten schept. De rechtbank verwijst hierbij opnieuw naar de beschikking van 9 juni 2026, waarin de ‘compensatory allowance’ is vastgesteld. Voor zover de vrouw van mening is dat zij na het definitief worden van de echtscheiding en zolang de uitspraak waarin de ‘compensatory allowance’ aan de vrouw is toegekend nog niet in kracht van gewijsde is gegaan nog aanspraak kan maken op partneralimentatie merkt de rechtbank op dat dit niet wordt ondersteund door de legal opinions die zijn overgelegd en de vrouw dit niet nader heeft onderbouwd terwijl dit wel op haar weg had gelegen.
Het voorgaande betekent dat de alimentatie op grond van de onderhoudsverplichting ex artikel 181 van het Monegaskisch BW verschuldigd is tot aan de echtscheiding, terwijl de ‘compensatory allowance’ verschuldigd is zodra de echtscheiding een feit is. Nu het huwelijk van partijen door echtscheiding is ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand kan de vrouw geen aanspraak (meer) maken op een (voorlopige) partneralimentatie. Naar het Monegaskische recht bestaat hiervoor geen wettelijke grondslag. De rechtbank zal de vrouw zodoende niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank merkt op dat de vrouw ten aanzien van de ‘compensatory allowance’ een executoriale titel heeft verkregen die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.