Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25661

ECLI:NL:RBDHA:2026:25661 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / C/09/706577 / FA RK 26-5652
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking d.d. 5 augustus 2026 (rekestnr. FA RK 26-5652; zaaknr. C/09/706577). Verzoekers/partijen: [de man] (adv. mr. F.A. Buizer) en [de vrouw] (adv. mr. F. Borger van der Burg-Holstege). Zaak betroffen voorlopige voorzieningen in echtscheidingscontext; Raad voor de Kinderbescherming was vertegenwoordigd. Kinderrechter mr. A.S. Perniciaro; griffier mr. M. Verkerk.

Procedure en rechtsmacht De rechtbank nam kennis van verzoek- en verweerschriften, pleitnotities en nadere brieven en hield een zitting op 16 juli 2026. De Nederlandse rechter oordeelt bevoegd; Nederlands recht is van toepassing. De uitspraak is een voorlopige maatregel en uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten (kort) Partijen gehuwd 2016 (VK). Eén minderjarige, [minderjarige] (geb. 2016). Gezamenlijk ouderlijk gezag. Man heeft Nederlandse, vrouw Britse en Russische nationaliteit. Echtscheidingsprocedure aanhangig onder ander zaaknummer.

Verzoeken De man vorderde o.a. partneralimentatie en, voorwaardelijk, toewijzing van het kind aan hem of alternatieve zorgregeling (o.a. birdnesting); subsidiair termijn voor vertrek uit woning en voorlopige verblijfsregeling volgens door hem voorgesteld schema. De vrouw verzocht onder meer om uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, voorlopige toevertrouwing van het kind aan haar, een specifieke contactregeling en bijdragen van de man in kosten van verzorging/opvoeding en levensonderhoud.

Beslissingen en motivering – woning Partijen hadden tijdens zitting afgesproken dat de vrouw voorlopig in de echtelijke woning blijft en de man alternatieve woonruimte zoekt. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw betreffende uitsluitend gebruik toe; de man moet de woning verlaten en mag die niet betreden. De rechtbank houdt eraan dat de man voorlopig de lasten blijft betalen; dat wordt meegenomen in de alimentatieberekening.

Zorgregeling en toevertrouwing Partijen bereikten zelf overeenstemming over een voorlopige zorgregeling, die de rechtbank overneemt en in het dictum opneemt. Levensschema: maandag+dinsdag bij de man; woensdag+donderdag bij de vrouw; vrijdag–zondag om en om: even weken bij de vrouw, oneven weken bij de man. Wisselmomenten zoveel mogelijk via school; afspraken over vervoer en verantwoordelijkheid voor zaterdagochtenden (voetbal). Omdat ouders zorg gelijk verdelen ziet de rechtbank geen reden voor toewijzing van het kind aan één ouder; verzoeken tot toevertrouwing worden afgewezen.

Vakanties/feestdagen Ouderlijke verdeling in principe helfte; de rechtbank maakt concrete voorlopige verdeling voor herfstvakantie 2026 (vrouw; zij wil naar familie/Egypte — man moet toestemming voor buitenlandreis geven), kerstvakantie 2026 (eerste week + deel kerstdagen bij vrouw: 18 dec t/m 27 dec 11:00; tweede week bij man t/m 4 jan), voorjaarsvakantie 2027 bij de man, meivakantie 2027: eerste helft bij vrouw en tweede helft bij man. Nadere vakanties blijven voor bodemprocedure.

Voorlopige alimentatie – rechtsopzet De rechtbank hanteert de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en maakt voorlopige berekeningen op basis van actuele gegevens voor zover beschikbaar; waar onzekerheid bestond maakt de rechtbank redelijke schattingen. Ingangsdatum alimentatie: datum van beschikking.

Kinderalimentatie

  • Behoefte kind: tabelbedrag 2026 € 985 per maand (partijen akkoord; extra naschoolse kosten van €403 uitgesloten omdat de man die facturen uiterlijk rechtstreeks betaalt tot €403).
  • Draagkracht vrouw: €25 p/m.
  • Inkomen man: uitgangspunt bruto €27.171 p/m (2026); geen bonus verrekening wegens ontbreken aanwijzingen voor bonus over 2025.
  • Netto besteedbaar inkomen man (NBI): €15.658 p/m.
  • Woonlasten: rechtbank gaat uit van woonbudget €4.697 p/m plus forfaitaire huurlast €2.400 p/m (man verlaat woning) = €7.097.
  • Extra hypothecaire last gerelateerd aan aankoop aandelen (ING-lening) €1.596 p/m wordt toegerekend als niet-vermijdbare last.
  • Formule draagkracht: 70% × [NBI – (€7.097 + €1.365 + €1.596)] → draagkracht man €3.920 p/m. Gezamenlijke draagkracht €3.945 (€25 + €3.920).
  • Verdeelsresultaat: aandeel man in behoefte kind €979, vrouw €6.
  • Zorgkorting 35% (gebaseerd op zorgverdeling) = €345; dit vermindert het aandeel van de man.
  • Besluit kinderalimentatie: man betaalt voorlopig €634 per maand aan de vrouw, bij vooruitbetaling.

Partneralimentatie

  • Behoefte vrouw (hofnorm): netto besteedbaar gezinsinkomen bij uiteengaan berekend op basis inkomen man 2025 €17.576 p/m minus kinderkosten €1.388 → €16.188; 60% = €9.713 netto p/m.
  • Vrouw momenteel zonder eigen inkomen.
  • Draagkracht man (partnerberekening): rekening gehouden met woonlasten €7.097, aanvullende hypotheek €1.596 en kosten leaseauto t.b.v. vrouw (gereflecteerd in berekening); daaruit volgt draagkracht netto €2.891 p/m. Na aftrek aandeel man in kinderkosten €979 en naschoolse activiteiten €403 resteert €1.509 netto. Gebruteerd komt dat neer op €2.416 per maand.
  • Besluit partneralimentatie: man betaalt voorlopig €2.416 bruto per maand aan vrouw, bij vooruitbetaling.

Slot De beschikking is voor zover genoemd uitvoerbaar bij voorraad; verder of meer wordt afgewezen. De berekening is als bijlage toegevoegd. Uitspraak openbaar gedaan 5 augustus 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10586
Civiel recht > Personen- en familierecht
06-05-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (Enkelvoudige Kamer), beschikking 25 maart 2026 (rekestnummer FA RK 26-617, zaak C/09/698152). Verzoekster: [de vrouw], bijgestaan door mr. A. Ramsaroep; belanghebbende: [de man], bijgestaan door mr. A.J. van Steensel....
ECLI:NL:RBDHA:2026:4037
Civiel recht > Personen- en familierecht
01-03-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) deed op 29 januari 2026 beschikking betreffende een verzoek van [de vrouw] (advocaat mr. R.J. Ottens; bij zitting mr. Bouwmeester) tegen [de man] (advocaat mr. P.F.D.P. de...
ECLI:NL:RBDHA:2026:9927
Civiel recht > Personen- en familierecht
28-04-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 20 maart 2026 (zaak C/09/699681; rekest FA RK 26-1545). Verzoekers en verschijningsgerechtigden: [de vrouw] (advocaat mr. M. Erkens) versus [de man] (advocaat mr. T. Venneman)....
ECLI:NL:RBDHA:2026:7880
Civiel recht > Personen- en familierecht
04-04-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag behandelde op 4 maart 2026 een verzoek van [de man] (in BRP als RNI, feitelijk verblijvende te [land], advocaat mr. L. Lagerwerf) tegen [de vrouw] (wonende te [adres], advocaat...
ECLI:NL:RBDHA:2026:21453
Civiel recht > Personen- en familierecht
01-08-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) heeft bij beschikking van 1 juli 2026 in zaak C/09/703501 op het verzoek van [de vrouw] (adv. mr. R. van Venetiën) en het verweer/zelfstandig verzoek van [de...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen. Afspraak over uitsluitend gebruik en zorgregeling. Toevertrouwing afgewezen i.v.m. 50-50 zorgregeling, Kinder- en partneralimentatie - werkelijke woonlasten en niet vermijdbare en verwijtbare last.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-5652 Zaaknummer: C/09/706577 Datum beschikking: 5 augustus 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 5 juni 2026 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F.A. Buizer te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van 9 juli 2026 van de vrouw;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met aanvullende verzoeken, van 15 juli 2026 van de man.

Op 16 juli 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat en een tolk, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de man en van de zijde van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en gedeeltelijk voorgedragen.

De rechtbank heeft na de zitting de volgende stukken ontvangen:

  • de brief van 20 juli 2026, met bijlagen, van de man;
  • de brief van 22 juli 2026 van de vrouw.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [dag] 2016 te [plaats] , Verenigd Koninkrijk.
  • Uit het huwelijk is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
  • Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Britse en de Russische nationaliteit.
  • De echtscheidingsprocedure is bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/09/695223.

Verzoek en verweer

De man verzoekt na aanvulling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

te bepalen dat hij aan de vrouw voorlopig een partneralimentatie dient te voldoen van € 4.379,- bruto per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

Voorwaardelijk:

te bepalen dat [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd;

Primair:

indien de rechtbank van oordeel is dat partijen niet meer op één adres kunnen verblijven, primair een birdnestingsregeling te bepalen, waarbij partijen bij uitsluiting van elkaar gerechtigd zullen zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres te [adres] , conform het door de man voorgestelde schema, en te bevelen dat de vrouw op de dagen dat de man in de woning verblijft die woning op die dagen dient te verlaten en verder niet mag betreden en te bevelen dat de man op de dagen dat de vrouw in de woning verblijft die woning op die dagen dient te verlaten en verder niet mag betreden;

Subsidiair:

bij afwijzing van het verzoek van de man tot het uitsluitend gebruik van de woning en de toevertrouwing van [minderjarige] aan hem: te bepalen dat de man drie maanden na de te wijzen beschikking de woning moet hebben verlaten althans de man een zodanige termijn te gunnen voor het vinden van vervangende woonruimte;

te bepalen dat [minderjarige] voorlopig bij de man verblijft op grond van het door de man voorgestelde schema.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Verder verzoekt de vrouw zelfstandig – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:

te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en inboedel toekomt;

te bepalen dat [minderjarige] voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd;

III.een voorlopige contactregeling te bepalen waarbij [minderjarige] een keer per twee weken in het weekend bij de man verblijft vanaf zaterdagochtend tot en met zondagavond alsmede een middag door de weeks waarbij de man [minderjarige] naar voetbal brengt en weer terugbrengt naar de vrouw, eventueel uit te breiden met nog een middag waarbij [minderjarige] bij de man verblijft en bij hem eet, alsmede gedurende de helft van de vakantie-en feestdagen op de navolgende wijze:

  • zomervakantie: drie weken man en drie weken vrouw, in 2026 verblijft [minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man en vervolgens andersom;
  • herfstvakantie: 2026 vrouw en vervolgens om/om;
  • kerstvakantie: 2026 eerste week vrouw (inclusief kerstdagen) en tweede week man, inclusief oud en nieuw; vanaf 2027 andersom en vanaf 2027 ook de kerstdagen om en om waarbij de vrouw in 2027 eerste kerstdag krijgt en de man tweede kerstdag en vervolgens andersom;
  • voorjaarsvakantie: 2027 man en vervolgens om/om;
  • meivakantie: in 2026 de eerste week bij de vrouw en de laatste week bij de man en vervolgens andersom;

IV.de man te verplichten om met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 1.175,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen, althans de man te verplichten om een zodanig bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

V.de man te verplichten om met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 7.543,- per maand te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud waarbij de man de kosten van de leaseauto zal blijven voldoen en de man te verplichten om alle aan de woning verbonden lasten (inclusief hypotheek, gas/water en licht) te blijven voldoen, althans de man te verplichten om een zodanig bedrag in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.

Inhoudelijke beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

De man en de vrouw hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de vrouw voorlopig in de echtelijke woning mag verblijven en dat de man alternatieve woonruimte voor zichzelf zal zoeken. Gelet op deze afspraak zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over het uitsluitend gebruik toewijzen. De rechtbank gaat er vanuit dat de man – zoals hij nu ook doet – voorlopig de lasten van de echtelijke woning blijft betalen. Daar zal in de alimentatieberekening door de rechtbank ook rekening mee worden gehouden.

Toevertrouwing en voorlopige zorgregeling

Na de mondelinge behandeling hebben de man en de vrouw de rechtbank laten weten dat zij ook overeenstemming hebben bereikt over de voorlopige zorgregeling. Hun afspraak luidt als volgt:

  • [minderjarige] verblijft maandag en dinsdag bij de man. Vervolgens blijft [minderjarige] woensdag en donderdag bij de vrouw. Vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [minderjarige] in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man.
  • De ouder bij wie [minderjarige] verblijft op zaterdag is verantwoordelijk om hem zaterdagochtend naar zijn voetbalwedstrijd te brengen.
  • De wisselmomenten vinden zoveel als mogelijk plaats via school. Op maandagen brengt de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar school en haalt de man [minderjarige] van school. Op woensdagen brengt de man [minderjarige] naar school en haalt de vrouw [minderjarige] van school. Op vrijdagen brengt de vrouw [minderjarige] naar school en haalt de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem op van school.
  • Voor zover er geen school is in verband met een vrije dag en deze dag een wisseldag is,sluiten partijen aan bij de openingstijd van school. Dat is 8:30 uur ’s ochtends.
  • Mogelijk is de man als coach bij een wedstrijd aanwezig als de vrouw [minderjarige] naar voetbal brengt.

De rechtbank zal deze zorgregeling opnemen in het dictum van de beschikking. Omdat de ouders de zorg voor [minderjarige] voorlopig gelijk verdelen, ziet de rechtbank geen aanleiding om [minderjarige] aan een van de ouders toe te vertrouwen. Die verzoeken worden afgewezen.

Vakanties en feestdagen

Tussen de ouders is niet in geschil dat zij de vakanties en feestdagen bij helfte zullen verdelen. De rechtbank zal hierbij conform het verzoek van de vrouw voor de komende vakanties wel een concrete verdeling vaststellen. Dat gaat dan om de herfstvakantie 2026, de kerstvakantie 2026, de voorjaarsvakantie 2027 en de meivakantie 2027.

De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] in de herfstvakantie 2026 bij de vrouw is, omdat de vrouw heeft gesteld dat zij graag samen met [minderjarige] en haar familie de herfstvakantie wil doorbrengen in Egypte. Hierbij merkt de rechtbank op dat de vrouw wel toestemming van de man nodig heeft om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar het buitenland. Daar doet de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen uitspraak over.

Voor de kerstvakantie 2026 zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] de eerste week inclusief een deel van de kerstdagen bij de vrouw is en de tweede week inclusief oud en nieuw en nieuwsjaardag bij de man. Dat betekent dat [minderjarige] op vrijdag 18 december 2026 door de vrouw uit school wordt gehaald en tot zondag 27 december 2026 bij de vrouw is. De vrouw brengt [minderjarige] op 27 december 2026 om 11.00 uur bij de man. Vervolgens is [minderjarige] bij de man tot maandag 4 januari 2027, waarbij de man [minderjarige] die dag naar school brengt.

Verder zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] tijdens de voorjaarsvakantie 2027 bij de man is en dat voor de meivakantie 2027 geldt dat [minderjarige] de eerste helft van de meivakantie bij de vrouw is en de tweede helft bij de man. Voor de vakanties die daarna zijn, ziet de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding om daar al een concrete beslissing over te nemen. Partijen moeten tegen die tijd conform het uitgangspunt dat zij de vakanties en feestdagen bij helfte verdelen (in de bodemprocedure) samen afspraken maken.

Voorlopige alimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

De rechtbank zal de voorlopige kinder- en partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.

Kinderalimentatie

Behoefte [minderjarige]

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de ouders het met elkaar eens zijn dat de behoefte van [minderjarige] – gelet op het inkomen van de man in 2025 van € 397.696,- bruto – in ieder geval het maximum tabelbedrag uit 2026 bedraagt. Dat is € 985,- per maand.

De vrouw heeft gesteld dat dit tabelbedrag moet worden verhoogd met € 403,- per maand voor de naschoolse activiteiten van [minderjarige] . De rechtbank zal dat in de berekening van de voorlopige kinderalimentatie niet doen. De ouders hebben immers tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de man de facturen voor de naschoolse activiteiten, zoals opgesomd door de vrouw onder randnummer 29 van haar verweerschrift met zelfstandige verzoeken, rechtstreeks zal betalen tot maximaal € 403,- per maand. De rechtbank gaat er vanuit dat de man deze afspraak zal nakomen.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 27.171,- bruto per maand te vermeerderen met vakantiegeld, zoals blijkt uit de salarisstroken van april en mei 2026.

De rechtbank is van oordeel dat de man gelet op de overgelegde stukken in deze voorlopige voorzieningenprocedure vooralsnog voldoende heeft onderbouwd dat hij in 2026 geen bonus zal ontvangen over het jaar 2025. Aangezien de werkgever van de man in 2025 een operationeel verlies heeft geleden is het ook aannemelijk dat de bedrijfsresultaten zich niet lenen voor een bonusuitkering aan de man. Daarom houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht geen rekening met een bonus.

Op basis van het hiervoor genoemde inkomen berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 15.658,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Woonlasten

Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het woonbudget (van € 4.697,- per maand) of de door de man gestelde werkelijke woonlasten voor de echtelijke woning van in totaal € 5.038,- per maand te verhogen met een bedrag voor de nog door de man te huren alternatieve woonruimte.

De rechtbank zal in deze voorlopige voorzieningenprocedure voor de woonlasten van de echtelijke woning uitgaan van het woonbudget. In dit geval is sprake van een relatief klein verschil van € 341,- tussen de werkelijke woonlasten voor de echtelijke woning en het woonbudget. Bovendien is onderdeel van de door de man opgevoerde kosten extra hoge energiekosten van € 516,- per maand, terwijl energielasten al forfaitair voor een deel in de bijstandsnorm zijn verwerkt. Als met die correctie rekening wordt gehouden, vallen de totale woonlasten lager uit en is het passend om het woonbudget als uitgangspunt te nemen.

De rechtbank zal hiernaast in redelijkheid rekening houden met een forfaitaire huurlast van € 2.400,- per maand, omdat de man de echtelijke woning zal verlaten en een andere woning moet huren waar ook [minderjarige] kan verblijven. Gelet op het voorgaande is de totale woonlast waar rekening mee wordt gehouden dan € 7.097,- per maand (€ 4.697,- + € 2.400,-).

Aanvullende hypotheek ING

Ten behoeve van de aankoop van de aandelen in [bedrijf] B.V. is op 14 maart 2024 bij de ING Bank een bedrag van € 275.000,- geleend met hypothecaire zekerheid. Het betreft een lineaire hypotheek waarvan de totale maandlast € 1.595,93 bedraagt. Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met deze last.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last. Partijen hebben tijdens het huwelijk, in het kader van een investering, samen de hypothecaire lening op de echtelijke woning verhoogd met deze aanvullende hypotheek. De rente en aflossing is een bestaande last die de man maandelijks betaalt. De vrouw zal – waarschijnlijk in mindere mate dan de man – ook gedeeltelijk de vruchten plukken van deze investering. De rechtbank zal in de berekening daarom wel rekening houden met deze last van afgerond € 1.596,- per maand.

Gelet op het voorgaande gebruikt de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man de volgende formule: 70% x [NBI – (€ 7.097,- + € 1.365,- + € 1.596,-)].

De draagkracht van de man is dan € 3.920,- per maand.

Gezamenlijke draagkracht

De gezamenlijke draagkracht bedraagt € 3.945,- per maand (€ 25,- + € 3.920,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank heeft daarom een draagkrachtvergelijking gemaakt. Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 979,- voor rekening van de man en een gedeelte van € 6,- voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de afgesproken zorgregeling geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 345,- per maand (35% van € 985,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage bedraagt dan € 634,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van deze beschikking voorlopig een kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de vrouw moet betalen van € 634,- per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.

Partneralimentatie

Behoefte en behoeftigheid vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen aan de hand van het inkomen van de man in 2025 op € 17.576,- per maand. Hiervan moeten de kosten van [minderjarige] worden afgetrokken. De rechtbank houdt hierbij rekening met in totaal € 1.388,- per maand (het tabelbedrag verhoogt met de extra kosten van de naschoolse activiteiten). Een bedrag van € 16.188,- per maand (€ 17.576 -/- € 1.388,-) was daarom beschikbaar voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 9.713,- netto per maand (60% van € 16.188,- per maand).

De vrouw heeft op dit moment geen eigen inkomen om mee in haar levensonderhoud te voorzien. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de man draagkracht heeft om aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie te betalen.

Draagkracht man

De rechtbank gebruikt bij de berekening van de draagkracht voor de partneralimentatie het inkomen zoals hiervoor aangegeven.

De rechtbank zal rekening houden met woonlasten ter hoogte van € 7.097,- per maand en de aanvullende hypotheeklast van afgerond € 1.596,- per maand. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen. Verder houdt de rechtbank in de berekening ook rekening met de kosten die de man maakt voor de leaseauto van de vrouw ter hoogte van afgerond € 782,- per maand, in totaal een bedrag van € 2.378,-.

De rechtbank houdt geen rekening met de zorgverzekering die de man tot op heden voor de vrouw betaalt, omdat de vrouw de premie zelf gaat betalen.

Hieruit volgt een draagkracht van € 2.891,- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 979,- per maand en de kosten voor de naschoolse activiteiten van € 403,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 1.509,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 2.416,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van deze beschikking voorlopig een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 2.416,- bruto per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen. Weliswaar is dit bedrag minder dan de man zelf heeft verzocht maar de man heeft in zijn berekening van de partneralimentatie geen rekening gehouden met aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en de extra woonlasten voor de nieuwe woonruimte van de man.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] en beveelt dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

stelt vast dat voorlopig de volgende zorgregeling zal gelden:

  • [minderjarige] verblijft maandag en dinsdag bij de man; vervolgens blijft [minderjarige] woensdag en donderdag bij de vrouw; vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [minderjarige] in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man.
  • de ouder bij wie [minderjarige] verblijft op zaterdag is verantwoordelijk om hem zaterdagochtend naar zijn voetbalwedstrijd te brengen.
  • de wisselmomenten vinden zoveel als mogelijk plaats via school;
  • op maandagen brengt de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar school en haalt de man [minderjarige] van school;
  • op woensdagen brengt de man [minderjarige] naar school en haalt de vrouw [minderjarige] van school;
  • op vrijdagen brengt de vrouw [minderjarige] naar school en haalt de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem op van school.
  • voor zover er geen school is in verband met een vrije dag en deze dag een wisseldag is, sluiten partijen aan bij de openingstijd van school; dat is 8:30 uur ’s ochtends.
  • mogelijk is de man als coach bij een wedstrijd aanwezig als de vrouw [minderjarige] naar voetbal brengt;

de vakanties en feestdagen zullen de ouders bij helfte delen, waarbij geldt:

  • herfstvakantie 2026: bij de vrouw;
  • kerstvakantie 2026: de eerste week inclusief de kerstdagen bij de vrouw, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag 18 december 2026 uit school haalt en op zondag 27 december 2026 om 11.00 uur bij de man brengt; de tweede week inclusief oud en nieuw en nieuwsjaardag bij de man, waarbij de man [minderjarige] op maandag 4 januari 2027 naar school brengt;
  • voorjaarsvakantie 2027: bij de man;

  • meivakantie 2027: de eerste helft bij de vrouw, de tweede helft bij de man;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , van € 634,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, voorlopig een partneralimentatie van € 2.416,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 augustus 2026.