Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25640

ECLI:NL:RBDHA:2026:25640 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / C/09/695917 / FA RK 25-9332
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnummer FA RK 25-9332 / zaak C/09/695917, beschikking 5 augustus 2026. Verzoeker: [de vader], woonadres bij rechtbank bekend, advocaat mr. T.B. Goemans. Belanghebbende: [de moeder], woonadres geheim, advocaat mr. M. Hoogeveen. Betreft: omgangsregeling en informatie-/consultatieregeling ten aanzien van minderjarige [minderjarige] (geb. 2013).

Feiten en procesverloop

  • Partijen hebben eerder een affectieve relatie gehad; zijn ouders van [minderjarige]. De vader heeft daarnaast twee meerderjarige kinderen uit een eerdere relatie.
  • Sinds april 2016 verliet de moeder de gezamenlijke woning; de vader zag [minderjarige] sindsdien vrijwel niet meer, op enkele begeleide omgangsmomenten na. De moeder woont op een geheim adres en is blijven aangeven bang te zijn voor de vader.
  • Relevante eerdere beslissingen: afwijzing verzoek omgang (voorzieningenrechter juli 2016); Raadsonderzoek en adviesverzoek (17 okt 2018); beschikking 28 aug 2019: alleen moeder belast met gezag en voorlopige begeleide omgang vastgesteld; Gerechtshof 22 sept 2020: ondertoezichtstelling en vernietiging van bepaalde omgangsbepalingen; diverse latere uitspraken (16 dec 2020, 30 sept 2021, 30 nov 2021, 21 dec 2022) waarbij meerdere verzoeken tot vaststelling van omgangsregeling zijn afgewezen of bekrachtigd.

Verzoek en standpunten

  • De vader verzoekt om vaststelling van een omgangsregeling (bij voorkeur gefaseerd, ondersteund door hulpverlening) en om een informatie- en consultatieregeling (maandelijkse schriftelijke informatie).
  • De vader voert aan dat er geen actuele rechtsgrond bestaat om omgang te ontzeggen; hij wijst op een brief van [instantie] (22 aug 2025) die geen psychiatrische problematiek constateerde en op door hem gevolgde therapie.
  • De moeder betoogt dat de vader aanhoudende agressie vertoont en niet veranderd is; zij ziet geen bewijs van zelfreflectie of erkenning van haar angsten en vreest dat omgang de veiligheid van haar en het kind in gevaar brengt en de stabiliteit van de minderjarige verstoort (belangrijke overgang naar middelbare school). Zij weigert consultatie en biedt alleen kwartaalinformatie aan per mail.
  • De Raad voor de Kinderbescherming adviseert geen omgang: de minderjarige heeft zelf aangegeven geen behoefte aan contact en de moeder kan omgang niet ondersteunen; omgang zou nu aanzienlijke onrust veroorzaken.

Juridische toetsing en motivering

  • Toegepast wordt artikel 1:377a BW (recht op omgang, omstandigheden waarin rechter omgang kan ontzeggen) en artikel 1:377b BW (informatie- en consultatieregeling).
  • De rechtbank beoordeelt of sinds de beschikking van 21 december 2022 zodanige wijziging van omstandigheden is opgetreden dat omgang alsnog moet worden toegestaan. De rechtbank oordeelt van niet: de brief van [instantie] van 22 augustus 2025 voegt geen wezenlijk nieuws toe ten opzichte van eerdere medische/psychiatrische bevindingen; er is geen behandeling of aantoonbaar werk aan zelfinzicht en houding van de vader, noch erkenning van de angsten van de moeder. Daarmee ontbreekt herstel van vertrouwen en draagkracht van de moeder om contact te ondersteunen.
  • Gewichtige factoren zijn de duidelijke wens van de minderjarige geen contact te hebben, de kwetsbare overgangsfase (naar middelbare school) en het oordeel van de Raad dat omgang nu tot aanzienlijke onrust zou leiden. Gelet hierop zou omgang op dit moment in strijd zijn met zwaarwegende belangen van het kind of ernstig nadeel kunnen opleveren voor haar ontwikkeling. Daarmee zijn de cumulatieve klachten van de moeder en het advies van de Raad doorslaggevend.

Beslissing

  • Het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen.
  • Ten aanzien van informatie: de rechtbank stelt een informatieregeling vast op grond van art. 1:377b BW: de moeder moet de vader eenmaal per kwartaal per e-mail informeren over belangrijke aangelegenheden omtrent [minderjarige].
  • Een consultatieregeling wordt afgewezen omdat de vader al lange tijd geen rol speelt in het leven van het kind en geen zicht heeft op wat belangrijk is voor de minderjarige.
  • De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
  • De beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet (kinderrechter), griffier mr. L.N. van Megesen, uitgesproken 5 augustus 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:3427
Civiel recht
21-02-2026 92% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 21 januari 2026 (zaak C/09/654721, rekest FA RK 23-7167). Verzoeker: [de vader], woonachtig op een bij de rechtbank bekend adres, bijgestaan door mr. M.J. Zennipman....
ECLI:NL:RBDHA:2026:19962
Civiel recht > Personen- en familierecht
20-07-2026 92% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkekvoudige kamer), beschikking 19 juni 2026 (rekest FA RK 25-6773, zaak C/09/691246). Verzoek van [de vader] (adv. mr. D.G. Peters, Amsterdam) tegen [de moeder] (adv. mr. J. de Koning,...
ECLI:NL:RBDHA:2026:18346
Civiel recht > Personen- en familierecht
05-07-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnummer FA RK 25-7028, zaaknummer C/09/691709, beschikking 4 juni 2026. Verzoeker: [de vader], bijgestaan door mr. A. van Bendegem (Zoetermeer). Belanghebbende/verweerder: [de moeder], bijgestaan door mr. F....
ECLI:NL:RBDHA:2026:21331
Civiel recht > Personen- en familierecht
31-07-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking 30 juni 2026 (rekest FA RK 25-4980, zaak C/09/687833). Partijen: [de vader] (adv. mr. J.M.C. van Gorkum) en [de moeder] (adv. mr. S. Bhulai). Minderjarigen: [de...
ECLI:NL:RBDHA:2025:24634
Civiel recht > Personen- en familierecht
21-12-2025 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) behandelde het verzoek van de vader (adv. mr. F.G.T. Meershoek) van 18 sept. 2024 tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn zoon [minderjarige] (geboren 2014) en het...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9332 Zaaknummer: C/09/695917 Datum beschikking: 5 augustus 2026

Omgang

Beschikking op het op 4 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T.B. Goemans te Utrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres, advocaat: mr. M. Hoogeveen te Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 11 december 2025, met bijlage, van de vader;
  • het verweerschrift.

De minderjarige [minderjarige] heeft in gesprek met de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek.

Op 8 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1].
  • De vader heeft uit een eerdere relatie nog twee meerderjarigen kinderen, te weten:
  • [meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats 2];
  • [meerderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 1996 te [geboorteplaats 2].
  • Uit de hierna te noemen beschikkingen volgt – voor zover hier van belang – het volgende:
  • bij vonnis van juli 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen;
  • bij beschikking van 17 oktober 2018 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is de Raad verzocht een aanvullend onderzoek te doen en aan de rechtbank advies uit te brengen omtrent de mogelijkheden van omgang tussen de vader en [minderjarige], alsmede, indien gewenst, nader advies over de gezagskwestie;
  • bij beschikking van 28 augustus 2019 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is:
  • bepaald dat voortaan alleen de moeder met het gezag over [minderjarige] is belast;
  • een voorlopige begeleide omgangsregeling vastgesteld;
  • bij beschikking van 22 september 2020 van het Gerechtshof Amsterdam is:
  • [minderjarige] van 22 september 2020 tot 22 september 2021 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West gesteld;
  • de beschikking 28 augustus 2019 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige omgangsregeling vernietigd en voor het overige bekrachtigd;

-bij beschikking van 16 december 2020 van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen;

  • bij beschikking van 30 september 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 22 september 2021 tot 22 maart 2022 verlengd;

-bij beschikking van 30 november 2021 van het Gerechtshof Amsterdam is de beschikking van 16 december 2020 van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, bekrachtigd;

  • bij beschikking van 21 december 2022 van deze rechtbank is het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:

  • een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie te bepalen;
  • een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder de vader ten minste één keer per maand schriftelijk informeert over alle voor [minderjarige] relevante en gewichtige aangelegenheden, waaronder haar welzijn, schoolprestaties, medische informatie en belangrijke gebeurtenissen, dan wel een zodanige informatie- en consultatieregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Omgang

Wettelijk kader

Artikel 1:377a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Ingevolge artikel 1:377a, lid 3, BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien,

  • omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
  • de ouder of degene die in en nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
  • het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouders of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
  • omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Standpunt vader

De vader heeft [minderjarige] niet meer gezien nadat de moeder de gezamenlijke woning in 2016 heeft verlaten, met uitzondering van enkele begeleide omgangsmomenten. De vader vindt het pijnlijk en verdrietig dat hij al langere tijd geen contact heeft met [minderjarige]. Hij wil graag een band met [minderjarige] opbouwen en acht contactherstel in het belang van [minderjarige]. Volgens de vader leidt de huidige situatie tot contactverlies en mogelijk tot vervreemding. De vader voert aan dat zich sinds de laatste beschikking van deze rechtbank van 21 december 2022 geen onveilige situaties hebben voorgedaan voor [minderjarige] of de moeder die door hem zijn veroorzaakt. Hij heeft er bewust voor gekozen om de afgelopen jaren geen nieuwe procedures aanhangig te maken, zodat [minderjarige] en de moeder rust konden ervaren. Gelet op de lange periode zonder contact acht de vader het wenselijk dat het contact gefaseerd wordt opgebouwd, zo nodig met inzet van hulpverlening en met aandacht voor de behoeften en belangen van [minderjarige].

De vader stelt zich op het standpunt dat er op dit moment geen rechtsgrond bestaat om de omgang tussen hem en [minderjarige] (nog langer) te ontzeggen. Hij voert daartoe het volgende aan:

  • [minderjarige] heeft recht op contactherstel. Hoewel de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat een omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] was, hield dit oordeel mede verband met het feit dat de moeder destijds geen emotionele toestemming voor het contact kon geven en [minderjarige] nog jong en kwetsbaar was. De leeftijd van [minderjarige] en dat de moeder geen emotionele toestemming kan geven, kunnen momenteel echter geen doorslaggevende factoren meer zijn;
  • het eerdere negatieve beeld van de vader is achterhaald. [instantie] heeft geconcludeerd dat er geen risico’s zijn voor de veiligheid van [minderjarige] of de moeder. Anders dan het standpunt van de Raad en de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2020, heeft [instantie] verklaard dat het blijvend vasthouden aan de noodzaak van een psychodiagnostisch onderzoek niet langer te rechtvaardigen is. Volgens [instantie] is er immers geen sprake van psychiatrische problematiek. Daarnaast voert de vader aan dat hij therapie heeft gevolgd.

Standpunt moeder

Volgens de moeder is de aanhoudende agressie van de vader nog steeds het kernprobleem en is de vader niet veranderd. De summiere brief van [instantie] brengt hierin geen wijziging. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de vader sinds de laatste beschikking van deze rechtbank van 21 december 2022 heeft gewerkt aan zelfreflectie, zelfinzicht, zijn houding en de impact daarvan op anderen. Evenmin blijkt dat de vader erkenning toont voor de angsten van de moeder jegens hem. De vader heeft enkel twee gesprekken gevoerd met de behandelaar. Daarnaast blijkt ook niet uit het verzoekschrift dat de vader zich bewust is van de impact van zijn houding en gedrag op de moeder. Integendeel, hij lijkt de moeder enkel te beschuldigen. De moeder is van mening dat de veiligheid van haar en [minderjarige] hierdoor in het gedrang komt, zowel bij begeleide als onbegeleide omgang. Op dit moment gaat het juist goed met [minderjarige]. Na de zomervakantie zal zij de overstap maken naar de middelbare school. De moeder stelt dat rust en stabiliteit van groot belang zijn voor deze overgang en dat mogelijk contact met de vader deze rust kan verstoren. Bovendien vraagt [minderjarige] volgens de moeder niet naar de vader. De omgang tussen [minderjarige] en de vader is derhalve nog steeds in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige].

Standpunt Raad

De Raad acht het niet in het belang van [minderjarige] dat contact plaatsvindt met de vader, nu [minderjarige] zelf heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben en de moeder de omgang niet kan ondersteunen. Volgens de Raad zou omgang op dit moment leiden tot aanzienlijke onrust in het leven van [minderjarige], terwijl zij zich momenteel in een belangrijke levensfase bevindt. Hoewel de Raad het positief acht dat de vader therapie heeft gevolgd, is het naar oordeel van de Raad nog onvoldoende gebleken dat het in het belang van [minderjarige] is om nu omgang met de vader tot stand te brengen.

Inhoudelijke beoordeling

Voorgeschiedenis

De moeder heeft de gezamenlijke woning van partijen na een conflict op 10 april 2016 verlaten. Sindsdien heeft de vader [minderjarige] niet meer gezien, met uitzondering van enkele omgangsmomenten onder begeleiding. De vader en de moeder hebben een verschillende beleving van de gebeurtenissen in het verleden. De moeder stelt dat zij wegens veiligheidsredenen is gevlucht met [minderjarige]. De vader zou de moeder zowel psychisch als lichamelijk hebben mishandeld, evenals zijn zoon uit een eerdere relatie ([meerderjarige 1]). Sindsdien verblijft de moeder met [minderjarige] op een geheim adres en is de moeder – ondanks dat zij hiervoor therapie heeft gevolgd – tot op heden bang voor de vader. Op een gegeven moment is begeleide omgang tot stand gekomen bij [zorginstantie 1] in [plaats]. De enkele omgangsmomenten die hebben plaatsgevonden verliepen volgens de vader goed. Uiteindelijk is de begeleide omgang stopgezet, volgens de vader was dit om redenen die buiten zijn invloedssfeer lagen. Volgens de moeder is dit wegens andere redenen dan de vader stelt, beëindigd. Dit zijn volgens de moeder de redenen:

  • het voor [minderjarige] onduidelijke perspectief, omdat de ouders twee verschillende verhalen hebben;
  • de angst van de moeder voor de vader;
  • het gedrag van de vader jegens [zorginstantie 1] en de orthopedagoog;
  • het gebrek aan continuïteit in de contacten, aangezien de moeder de gemiste momenten niet kon inhalen;
  • het verlangen van de vader dat [zorginstantie 1] de moeder zou verplichten de regeling na te komen.

Na een raadsonderzoek dat in 2018 heeft plaatsgevonden, is bij de beschikking van 28 augustus 2019 van de rechtbank Noord- Holland, locatie Alkmaar, bepaald dat er tien begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] moesten plaatsvinden bij [zorginstantie 2]. De moeder heeft de begeleide omgang echter eind 2019 eenzijdig stopgezet, omdat [minderjarige] sinds de omgangsmomenten negatieve gedragsverandering zou vertonen. De school heeft verklaard dat het gedrag van [minderjarige] na het beëindigen van de omgang met de vader snel is verbeterd. Bij beschikking van 22 september 2020 van het Gerechtshof Amsterdam is bepaald dat omgang tussen [minderjarige] en de vader in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige], zolang niet aan de voorwaarden uit het raadsrapport van 30 april 2018 is voldaan. Ook moet de vader bereidheid tonen om zijn eigen gedrag te onderzoeken en te erkennen. Tevens is [minderjarige] onder toezicht gesteld, teneinde te beoordelen of en op welke wijze veilig contact tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is. Volgens de vader was het stopzetten van de omgang echter uitsluitend gebaseerd op door de moeder gestelde, maar niet objectief bevestigde zorgen. De positieve professionele observaties van [zorginstantie 2] zijn volgens hem daarbij niet meegenomen. Vervolgens heeft deze rechtbank bij beschikking van 21 december 2022 overwogen dat de vader tot dan toe niet aan de voorwaarden van de Raad heeft voldaan, te weten het verkrijgen van inzicht in hoeverre zijn houding en gedragingen van invloed zijn op onder andere de moeder, het beginnen van het herwinnen van het vertrouwen van de moeder, het laten verrichten van een psychodiagnostisch onderzoek en het volgen van behandelingen. Ook is overwogen dat niet is gebleken dat de vader iets heeft gedaan om de angsten bij de moeder weg te nemen en haar vertrouwen te herwinnen. Het verzoek van de vader is daarom afgewezen.

Onvoldoende wijziging van omstandigheden

De rechtbank moet nu beoordelen of de situatie sinds de beschikking van deze rechtbank van 21 december 2022 zodanig is gewijzigd dat alsnog een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader moet worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Er zijn meer dan drie jaren verstreken, maar de situatie nu is niet of nauwelijks anders dan de situatie ten tijde van de beschikking van 21 december 2022. De door de vader overgelegde brief van [instantie] van 22 augustus 2025 biedt geen nieuwe gezichtspunten. In die brief is te lezen dat er volgens [instantie] geen indicatie was voor een forensische setting en dat [instantie] geen psychiatrische problematiek bij de vader zag. Er heeft daarom geen behandeling bij [instantie] plaatsgevonden. Dit was echter ook al bekend ten tijde van de beschikking van 21 december 2022. In een in die beschikking opgenomen citaat uit een verklaring van 4 april 2022 van de toenmalige psychiater van de vader is ook al te lezen dat [instantie] destijds heeft vastgesteld dat de vader geen grensoverschrijdend gedrag vertoonde dat behandeling vereiste. De huidige brief van [instantie] bevat in essentie dus geen andere conclusies dan de bevindingen die reeds bekend waren ten tijde van de vorige beschikking. De rechtbank constateert dat de vader een andere beleving heeft van de gebeurtenissen in het verleden dan de moeder en dat de vader na de beschikking van 21 december 2022 kennelijk geen aanleiding heeft gezien om aan zichzelf te werken. De vader heeft geen behandeling gevolgd die erop is gericht hem inzicht te geven in de invloed van zijn houding en gedragingen op onder meer de moeder. Evenmin geeft de vader er blijk van dat hij de angsten van de moeder erkent. Deze houding van de vader draagt niet bij aan herstel van vertrouwen tussen de ouders en het ontbreekt de moeder aan draagkracht om eventueel contactherstel tussen de vader en [minderjarige] te ondersteunen.

De rechtbank weegt verder mee dat [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter duidelijk heeft gemaakt geen behoefte te hebben aan contact met de vader. [minderjarige] is momenteel gelukkig. Ze bevindt zich in een belangrijke overgangsfase, omdat zij binnenkort de overstap naar de middelbare school zal maken. Dat is spannend voor haar. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat een omgangsregeling met de vader op dit moment zal leiden tot aanzienlijke onrust in het leven van [minderjarige] en dat dit niet in het belang van [minderjarige] is.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank – hoe verdrietig dit ook voor de vader is – geen andere mogelijkheid dan het verzoek van de vader af te wijzen. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de vader kan aanvaarden dat er op dit moment geen omgang tussen hem en [minderjarige] plaatsvindt.

Informatie- en consultatieregeling

Wettelijk kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Standpunten ouders

De vader wenst op de hoogte te worden gehouden en te worden geraadpleegd over [minderjarige]. Volgens de vader is hij gedurende de afgelopen jaren op geen enkele wijze geïnformeerd door de moeder over [minderjarige]. Pas sinds ongeveer tweeënhalve maand ontvangt de vader weer informatie, nadat zijn advocaat hierover contact heeft opgenomen met de moeder.

De moeder is bereid de vader eenmaal per kwartaal per mail te informeren omtrent het welzijn van [minderjarige]. De moeder wil de vader niet consulteren, omdat de ouders niet met elkaar communiceren. Bovendien heeft de vader al tien jaar geen contact met [minderjarige] gehad, waardoor hij niet op de hoogte is van de zaken die spelen in het leven van [minderjarige].

Inhoudelijke beoordeling

De vader heeft er recht op en belang bij om geïnformeerd te worden over [minderjarige]. Dat is ook in het belang van [minderjarige]. Mocht [minderjarige] op enig moment alsnog nieuwsgierig worden naar de vader en contact met de vader willen, dan kan het helpend zijn als blijkt dat de vader op de hoogte is van belangrijke zaken die [minderjarige] aangaan. De rechtbank zal daarom een informatieregeling vaststellen, waarbij de moeder de vader eenmaal per kwartaal per e-mail dient te informeren over belangrijke aangelegenheden rondom [minderjarige].

De rechtbank oordeelt dat het in dit geval niet passend en niet in het belang van [minderjarige] is om ook een consultatieregeling vast te stellen. De vader speelt namelijk al lange tijd geen rol in het leven van [minderjarige] en heeft geen zicht op wat voor [minderjarige] belangrijk is. De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van een consultatieregeling daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de moeder de vader eenmaal per kwartaal per e-mail informatie zal verschaffen over belangrijke aangelegenheden rondom de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2026.