Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:24234

ECLI:NL:RBDHA:2026:24234 Rechtbank Den Haag , 27-07-2026 / C/09/683492 / FA RK 25-2766
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 27 juli 2026 in zaak C/09/683492: verzoek van [de man] (adv. mr. W.N. Sardjoe) tegen [de vrouw] (adv. mr. R.A. Vlielander‑Jongerius) over kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (geb. 2009) en [minderjarige 2] (geb. 2011). De kinderen wonen hoofdzakelijk bij de vrouw. Partijen zijn gehuwd geweest (2008–2013); echtscheiding uitgesproken 16 april 2013; echtscheidingsconvenant 25 maart 2013 bepaalde dat de man €490 en de vrouw €440 per maand samenstorten voor de kinderen.

Verzoek en procedure [De man] verzocht primair nihilstelling van kinderalimentatie vanaf 1 april 2013 (subsidiair vanaf 1 juli 2019). De rechtbank behandelde het verzoek na schriftelijke stukken, F9‑formulieren en zitting op 29 juni 2026; ook sprak de rechter met [minderjarige 1]. Partijen kwamen op zitting overeen over de alimentatie vanaf 15 mei 2026.

Ontvankelijkheid en toepasselijk recht De man stelde gewijzigde omstandigheden op grond van art. 1:401 BW (primair subleden 4 en 5, subsidiair lid 1). De rechtbank nam het verzoek in behandeling omdat wijziging niet in geschil was.

Feiten en beoordeling per periode

  • Periode 1 april 2013–1 juli 2019: de vordering van de vrouw tot inning van achterstallige alimentatie over deze periode is verjaard; het verzoek van de man voor nihilstelling over deze periode wordt afgewezen (hij heeft geen belang meer).

  • Periode 1 juli 2019–15 mei 2026: partijen verschillen over betaling. De rechtbank acht de stelling van de man dat partijen mondeling waren overeengekomen dat hij niets hoefde te betalen niet aannemelijk; de vrouw had meerdere keren gemeld dat zij bijdrage verlangde. Wel stond vast dat de man tot en met 2022 een zeer laag inkomen had en van okt. 2022–jan. 2024 in de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) zat; tevens was over hem bewind ingesteld (17 apr. 2023), opgeheven 11 jan. 2024. De rechtbank oordeelt dat de man tot januari 2024 geen draagkracht had. De rechtbank wijst het argument van de vrouw af dat de man zijn alimentatieschuld in de WSNP had moeten meenemen, omdat de vrouw pas in 2024 tot inning is overgegaan; haar later handelen weegt mede in de beoordeling.

Inkomens- en draagkrachtberekening Omdat onvoldoende 2024‑gegevens beschikbaar waren, baseert de rechtbank zich op inkomensgegevens 2025.

  • Behoefte: uit convenant gezamenlijke behoefte oorspronkelijk €930, geïndexeerd naar 2025 = €1.296 per maand.
  • Draagkracht vrouw: NBI €2.387 p/m → draagkracht €253 p/m (berekend met vaste formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + €1.310)]).
  • Draagkracht man: NBI €1.858 p/m → volgens tabel minimale draagkracht van €50 p/m voor twee of meer kinderen. Gezamenlijke draagkracht €303 p/m → tekort €993 p/m; geen draagkrachtvergelijking mogelijk. Geen zorgkorting van toepassing.

Conclusies en beslissing

  • Voor 1 juli 2019–1 jan 2024: kinderalimentatie van [de man] voor beide kinderen = nihil.
  • Voor 1 jan 2024–15 mei 2026: kinderalimentatie = €25 per kind per maand (dus €50 p/m voor twee kinderen).
  • Vanaf 15 mei 2026: partijen waren het eens; de rechtbank bepaalt €106 per kind per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. De rest van het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Beslisser: mr. C. de Jong‑Kwestro.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:21932
Civiel recht > Personen- en familierecht
20-11-2025 92% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking 24 juli 2025 (rekestnr. FA RK 24-4268, zaaknr. C/09/667942). Verzoekschrift van [de vrouw] (adv. mr. R.G. Jagesar) ingekomen 7 juni 2024; [de man] is als belanghebbende...
ECLI:NL:RBDHA:2026:5018
Civiel recht > Personen- en familierecht
12-03-2026 92% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking d.d. 9 februari 2026 (rekest FA RK 25-218 / zaak C/09/678444). Verzoeker: [de vrouw], bijgestaan door mr. B.S. van Haeften (’s‑Gravenhage). Belanghebbende/tegenpartij: [de man], bijgestaan door...
ECLI:NL:RBDHA:2026:3884
Civiel recht > Personen- en familierecht
27-02-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking 27 januari 2026 (zaaknrs. C/09/683604 en C/09/686408). Partijen: de man (verzoeker, bijgestaan door mr. E.J.W. Schuijlenburg) en de vrouw (belanghebbende, bijgestaan door mr. M.S. Gerson). Gezamenlijke...
ECLI:NL:RBDHA:2026:22723
Civiel recht > Personen- en familierecht
14-08-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking 14 juli 2026 (zaak C/09/683969; rekest FA RK 25-2982). Verzoekster: [de vrouw], bijgestaan door mr. N.D. Bauman te Den Haag. Belanghebbende/respondent: [de man], bijgestaan door mr....
ECLI:NL:RBZWB:2026:6452
Civiel recht > Personen- en familierecht
16-07-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Team Familie- en Jeugdrecht, Breda), zaaknr. C/02/444857 FA RK 26-681, beschikking 15 juni 2026. Partijen: [de vrouw] (bijgestaan door mr. M. Czarnota) en [de man] (zonder raadsman; eerdere advocaat mr....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Gedeeltelijke overeenstemming.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-2766 Zaaknummer: C/09/683492 Datum beschikking: 27 juli 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 7 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.A. Vlielander-Jongerius te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift.
  • het F9-formulier van de man van 18 juni 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de vrouw van 22 juni 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de man van 26 juni 2026, met bijlagen.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft in een gesprek met de rechter zijn mening gegeven over het verzoek.

Op 29 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Van de zijde van de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2008 tot [datum] 2013.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats].
  • De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2013 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het echtscheidingsconvenant aan de beschikking gehecht.
  • In het echtscheidingsconvenant van 25 maart 2013 zijn partijen – voor zover hier van belang – overeengekomen dat:
  • de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
  • de kinderen om de week van donderdag 17.30 uur tot dinsdagochtend 9.00 uur bij de man zijn, alsmede de helft van de schoolvakanties;
  • de man een bijdrage van € 490,- en de vrouw een bijdrage van € 440,- op een gezamenlijke rekening ten behoeve van de kosten van de kinderen zullen voldoen.
  • Bij vonnis van deze rechtbank van 20 oktober 2022 is voor de man de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.
  • Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 17 april 2023 is over de man een bewind ingesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Dit bewind is bij beschikking van de kantonrechter van 11 januari 2024 opgeheven.
  • Bij beschikking van 5 oktober 2023 van deze rechtbank is de zorgregeling gewijzigd in die zin dat de kinderen iedere maand een ochtend van 10.00 tot 12.00 uur contact met de man zullen hebben, in onderling overleg met de kinderen te bepalen.
  • De man ontvangt vanaf 15 mei 2026 een WIA-uitkering.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt– met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 16 april 2013 – met ingang van primair 1 april 2013 en subsidiair 1 juli 2019 de kinderalimentatie op nihil te bepalen, althans op een nader aan uw rechtbank kenbaar te maken bedrag, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De man beroept zich primair op het vierde en het vijfde en subsidiair op het eerste lid van artikel 1:401 BW. Dat sprake is van gewijzigde omstandigheden is niet tussen partijen in geschil.

De rechtbank zal daarom de man ontvangen in zijn verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging leidt tot een wijziging van de overeenkomst.

Inhoudelijke beoordeling

Tussen partijen staat vast dat de man zijn betalingsverplichtingen vanaf het begin (2013) niet (helemaal) is nagekomen. In 2024 heeft de vrouw daarom een deurwaarder ingeschakeld om de achterstallige alimentatie te innen. Toen is de man deze procedure gestart, waarin hij verzoekt om nihilstelling met ingang van 1 april 2013.

Periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2019

De vordering van de vrouw tot de achterstallige kinderalimentatie over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2019 is verjaard. De man heeft dus geen belang meer bij zijn verzoek over deze periode, zodat de rechtbank dit zal afwijzen.

Periode van 1 juli 2019 tot 15 mei 2026

Partijen zijn het niet eens geworden over de hoogte van door de man te betalen kinderalimentatie in de periode van 1 juli 2019 tot 15 mei 2026, zodat de rechtbank daarover een beslissing zal nemen.

De rechtbank acht het standpunt van de man dat partijen hadden afgesproken dat hij geen kinderalimentatie hoefde te betalen niet aannemelijk. De vrouw heeft onderbouwd gesteld dat er meerdere momenten zijn geweest waarop door haar melding is gemaakt van het feit dat zij een bijdrage wilde in de kosten van de kinderen en waarop zij de achterstand heeft benoemd. Om deze reden komt de rechtbank dus niet tot een nihilstelling van de kinderalimentatie over deze periode.

De rechtbank overweegt verder dat niet betwist is dat de man na 2013 lange tijd financiële problemen heeft gehad. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man tot en met 2022 een zeer laag inkomen had. Vast staat dat de man vanaf oktober 2022 tot januari 2024 in de schuldsanering heeft gezeten. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de man tot januari 2024 geen draagkracht had. De rechtbank gaat voorbij aan het argument van de vrouw dat het op de weg van de man had gelegen om in zijn schuldsanering de alimentatieschuld mee te nemen. Dat hij dit niet heeft gedaan, moet volgens de vrouw voor zijn rekening en risico komen. De rechtbank overweegt dat daar tegenover staat dat de vrouw pas in 2024 tot inning van de alimentatie is overgegaan. Het had op haar weg gelegen om hier eerder actie in te ondernemen, mede omdat zij wist van de financiële problemen van de man. Dat zij dit niet heeft gedaan komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar rekening en risico.

In 2024 was de man uit de schuldsanering, had hij inkomen en een ziektewetuitkering. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de man vanaf januari 2024 draagkracht had om kinderalimentatie te betalen. De hoogte van de te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank hierna berekenen. Hierbij baseert de rechtbank zich op de inkomensgegevens van partijen in 2025, omdat de rechtbank over onvoldoende inkomensgegevens van partijen over 2024 beschikt en niet is gebleken dat de inkomensgegevens in 2025 veel afwijken van die in 2024.

Behoefte

Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant van 25 maart 2013 overeengekomen dat met ingang van 1 april 2013 de man een bedrag van € 490,- en de vrouw een bedrag van € 440,- per maand ten behoeve van de kinderen op de gezamenlijke bankrekening zou storten, zodat de rechtbank zal uitgaan van een behoefte van € 930,- (€ 490,- + € 440,-) per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.296,-.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 14.025 bruto per jaar, inclusief vakantiegeld, uit loondienst en € 5.600 bruto per jaar uit overige werkzaamheden. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw overgelegde jaaropgave van 2025 en het overzicht van haar zzp-inkomsten in 2025.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.387,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 2.387,- – (€ 716,- + € 1.310,-)] = € 253,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen uit arbeid van € 14.158,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld en een inkomen uit de Ziektewet van € 13.342,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man overgelegde belastingaangifte over 2025.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 1.858,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2025) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de man in aanmerking nemen. Volgens de vrouw moeten de werkelijke woonlasten van de man worden meegenomen in de berekening van zijn draagkracht. Aangezien de man een minimale draagkracht heeft, komt de rechtbank daar niet aan toe.

Tekort

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 303,- per maand (€ 253,- + € 50,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 993,- per maand (€ 1.296,- -/- € 303,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.

Partijen zijn het erover eens dat geen sprake is van een zorgkorting. Omdat sprake is van een tekort moeten partijen maximaal, naar hun draagkracht, bijdragen in de behoefte van de kinderen. Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt dus € 253,- per maand en het aandeel van de man bedraagt € 50,- per maand.

Periode vanaf 15 mei 2026

Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vanaf 15 mei 2026, te weten een bedrag van € 106,- per kind, per maand, zodat de rechtbank conform die overeenstemming zal beslissen.

Conclusie

De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van 1 juli 2019 tot 1 januari 2024 bepalen op nihil, van 1 januari 2024 tot 15 mei 2026 op € 25 per maand, per kind en met ingang van 15 mei 2026 op € 106,- per maand, per kind.

**Beslissing **

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling van 25 maart 2013 – :

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van 1 juli 2019 tot 1 januari 2024 op nihil;

bepaalt dat de man van 1 januari 2024 tot 15 mei 2026 gehouden was voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kinderalimentatie te betalen van € 25 per maand, per kind;

bepaalt dat de man vanaf 15 mei 2026 gehouden is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kinderalimentatie te betalen van € 106,- per maand, per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 juli 2026.