Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:12960

ECLI:NL:RBDHA:2026:12960 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / C/09/702369 KG ZA 26-332
Civiel recht > Verbintenissenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Op 8 mei 2026 deed de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag (mr. H.J. Vetter, griffier mr. T.A.E. Scheers) mondeling uitspraak in een kort geding tussen [eiser] te [woonplaats] (eiser; bijgestaan door advocaten mr. K. Bozia te Lelystad en mr. J.M. Klaassen te Amsterdam, waarvan mr. Bozia de avond vóór zitting deels afwezig was) en de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst; gemachtigde mr. C.L.L. Rutten‑Stichter).

Eiser vorderde kort weergegeven dat de Belastingdienst binnen vijf werkdagen inzage en een afschrift moest verstrekken van alle persoonsgegevens van de persoon Bouman die de Belastingdienst verwerkt (in de zin van art. 4 AVG), waaronder FSV‑ en opvolgende risicoregistraties, signaleringen/risicoprofielen, interne notities en logging/raadpleeggegevens. Eiser wilde dit uitvoerbaar bij voorraad en met dwangsom en veroordeling in proceskosten.

De Staat verweerde zich met onder meer: (i) verwijzing naar beslissingen op eerdere AVG‑verzoeken van 19 okt. 2023, 3 mrt. 2026 en 5 mrt. 2026; (ii) primair verweer dat eiser niet‑ontvankelijk is omdat tegen dergelijke besluiten een bestuurrechtelijke rechtsgang (Awb) met voldoende waarborgen openstaat en de civiele rechter daardoor niet bevoegd zou zijn; en (iii) betwisting van spoedeisend belang en onrechtmatig handelen.

De voorzieningenrechter besloot eiser niet‑ontvankelijk te verklaren. Gronden:

  • Formeel: op grond van art. 79 lid 2 Rv en artikel 10.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen moeten partijen bij de mondelinge behandeling verschijnen met of bij advocaat. Eiser verscheen persoonlijk zonder advocaat, zodat niet aan deze vereiste was voldaan.
  • Feitelijk/procedureel: mr. Bozia had de avond vóór de zitting om 18:05 medegedeeld mogelijk niet aanwezig te zijn en tegelijk pleitnota en aanvullende stukken ingediend zonder te verzoeken om uitstel; die late indiening verhinderde ook dat de Staat zich vooraf kon verweren. Zonder advocaat kon eiser ter zitting niet adequaat reageren, met name op het primaire niet‑ontvankelijkheidsverweer van de Staat, waardoor een deugdelijke behandeling onmogelijk was.
  • Voorlopig inhoudelijk oordeel: de voorzieningenrechter gaf ten overvloede een voorlopig oordeel dat het primaire verweer van de Staat ook inhoudelijk gevolgd kan worden: de bestuursrechter biedt een met waarborgen omklede rechtsgang (ook voor voorlopige voorzieningen bij spoed) zodat geen plaats is voor een civiel kort geding ter zake.

Gevolg: eiser wordt niet‑ontvankelijk verklaard; hij wordt veroordeeld in de proceskosten à €2.101 (specificatie: griffierecht €735, salaris advocaat €1.177, nakosten €189), met wettelijke rente bij niet‑betaling en uitvoerbaarheid bij voorraad; bij niet‑betaling binnen 14 dagen volgt een verhoging van €98 plus betekenkosten. De uitspraak is mondeling gedaan met toepassing van art. 29a Rv.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2023:625
Bestuursrecht
08-02-2023 87% soortgelijk
Zaaknummers AMS 22/6108 (voorlopige voorziening) en AMS 23/322 (beroep). Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker/eiser) versus de minister van Financiën (verweerder; gemachtigden mr. P.J.H. van Schalkwijk en mr. M. Clement). Voorzittende rechter: mr....
ECLI:NL:RBROT:2024:560
Bestuursrecht > Bestuursprocesrecht
31-01-2024 84% soortgelijk
Rechtbank Rotterdam (enkelvoudige kamer), zaaknummer ROT 23/5071 — uitspraak 1 februari 2024. Partijen - Eiser: [naam eiser] uit [plaats], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten. - Verweerder: de Minister van Financiën, bijgestaan door...
ECLI:NL:RBROT:2025:14934
Bestuursrecht
19-12-2025 84% soortgelijk
Rechtbank Rotterdam (enkelvoudige kamer), zaaknummer ROT 23/8636, uitspraak van 12 december 2025 (voorzitter/rechter: mr. S.E.C. Debets; griffier: mr. M.M. Mercelina). Partijen - Eiser: [naam eiser], gemachtigde mr. N. Idrissi. - Verweerder: de...
ECLI:NL:RBMNE:2025:6587
Bestuursrecht
11-12-2025 84% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht), zaaknr. UTR 23/4478, heeft op 24 november 2025 het beroep van [eiser] (wonende te [plaats], gemachtigde mr. D.D. Pietersz) tegen een besluit van de minister van Financiën (gemachtigden:...
ECLI:NL:RBMNE:2025:6080
Bestuursrecht
11-11-2025 83% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht), zaaknummer UTR 24/4044. Uitspraak enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in het bestuursrechtelijke beroep van [eiser] (woonplaats: [plaats], gemachtigde mr. J.R.R. Oevering) tegen de Minister van Financiën (gemachtigden:...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Niet-ontvankelijkverklaring omdat eiser zonder advocaat ter zitting is verschenen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/702369 / KG ZA 26-332

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 8 mei 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] , eiser, advocaten mr. K. Bozia te Lelystad en mr. J.M. Klaassen te Amsterdam,

tegen:

**de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst) **te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. C.L.L. Rutten-Stichter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ of ‘de Belastingdienst’.

Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier.

Tevens zijn aanwezig [eiser] in persoon, zonder advocaat, en mr. Rutten-Stichter namens de Staat.

Nadat de voorzieningenrechter met partijen heeft gesproken over de afwezigheid van mr. Bozia, de door haar de avond voor de zitting bij de rechtbank ingediende stukken en het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing

1.1. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is tussen partijen in geschil of de Staat nog meer gegevens aan [eiser] dient te verstrekken dan hij tot nu toe heeft gedaan.

1.2. [eiser] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, om de Belastingdienst – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] inzage te verstrekken in en een afschrift te verstrekken van de persoonsgegevens van Bouman die door of namens de Belastingdienst worden verwerkt, in de zin van artikel 4 AVG, waaronder begrepen de persoonsgegevens van Bouman die zijn vervat in dossiers/registraties die betrekking hebben op (voormalige) vennootschappen en daarmee samenhangende structuren, voor zover en in zoverre daarin persoonsgegevens van Bouman voorkomen of daartoe herleidbaar zijn, in welke vorm dan ook, waaronder in elk geval begrepen: (i) FSV- en opvolgende risicoregistraties; (ii) signaleringen, kwalificaties en risicoprofielen; (iii) interne notities/memo's; en (iv) loggings- en raadplegingsgegevens; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

1.3. De Staat heeft in een voorafgaand aan de zitting ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen het gevorderde. De Staat heeft hierbij gewezen op de door hem op 19 oktober 2023, 3 maart 2026 en 5 maart 2026 genomen besluiten op de AVG-verzoeken van [eiser] . Het primaire verweer van de Staat is dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat tegen besluiten in de zin van de Awb een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De civiele rechter is volgens de Staat daarom niet bevoegd. Verder heeft [eiser] volgens de Staat geen spoedeisend belang bij zijn vordering. Tot slot stelt de Staat dat er geen sprake is van enig onrechtmatig handelen, omdat hij al op de verzoeken van [eiser] heeft beslist en aan zijn verplichtingen op grond van de AVG heeft voldaan.

1.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] op grond van artikel 79, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts bij advocaat kan procederen. Daarnaast staat in artikel 10.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken vermeld dat de eisende partij op de mondelinge behandeling alleen met of bij advocaat kan verschijnen. [eiser] is ter zitting verschenen zonder advocaat. Daarmee is niet voldaan aan een formeel vereiste om in deze procedure te kunnen worden ontvangen. [eiser] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

1.5. De voorzieningenrechter overweegt hierbij nog het volgende. Mr. Bozia heeft weliswaar de avond voor de zitting om 18.05 uur aangekondigd dat zij vanwege omstandigheden aan haar zijde mogelijk niet ter zitting zal verschijnen, maar zij heeft de aard van deze omstandigheden niet nader toegelicht en heeft niet gevraagd om verplaatsing van de zitting. Integendeel, zij heeft bij deze mededeling de pleitnota met aanvullende producties aan de rechtbank doen toekomen en gesteld dat zij dit zorgvuldig acht, zodat de standpunten van [eiser] volledig kenbaar zijn gemaakt en bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Nadat de voorzieningenrechter erop had gewezen dat het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] een hindernis vormde, is er toch een gesprek met partijen op gang gekomen. Al snel bleek dat de zaak zonder de aanwezigheid van de advocaat voor [eiser] niet (naar behoren) kon worden behandeld. Daarbij speelde ook een rol dat de Staat voorafgaand aan de zitting geen kennis had kunnen nemen van de stukken die de avond voorafgaand aan de zitting door mr. Bozia waren overgelegd. Daarnaast diende in deze zaak als eerste het hiervoor vermelde primaire verweer van de Staat te worden besproken tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] . Zonder advocaat kon [eiser] daarop ter zitting niet inhoudelijk reageren. Het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] verhinderde dan ook daadwerkelijk een deugdelijke behandeling van de vorderingen van [eiser] .

1.6. Nadat de voorzieningenrechter [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen heeft de voorzieningenrechter ten overvloede – op basis van de ingediende stukken en dus zonder volledige behandeling van de zaak ter zitting – een voorlopig oordeel gegeven ten aanzien van het hiervoor bedoelde primaire verweer van de Staat. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is dat wat de advocaat van [eiser] beoogde met de indiening van haar pleitnota voorafgaand aan de zitting. In dat verweer kan de Staat naar voorlopig oordeel worden gevolgd. [eiser] zou dan ook op die grond, naar valt aan te nemen, niet-ontvankelijk zijn in zijn vordering, omdat voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang bij de bestuursrechter openstaat. Die staat ook open in geval van niet tijdig beslissen. In geval van een spoedeisend belang kan ook in die rechtsgang een voorlopige voorziening worden getroffen. Dat maakt naar voorlopig oordeel dat er geen plaats is voor het treffen van een voorziening in een civielrechtelijke kort geding.

1.7. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

  • griffierecht € 735,-
  • salaris advocaat €1.177,-
  • nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.101,-

1.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

2.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;

2.3. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

2.4. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

………………………………….………………………………… mr. T.A.E. Scheers mr. H.J. Vetter

de griffier is buiten staat dit

proces-verbaal te ondertekenen.