ECLI:NL:RBDHA:2023:10735 Rechtbank Den Haag , 07-06-2023 / NL22.4888
Samenvatting
In de zaak tussen eiseres, een staatloze vrouw uit Syrië, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft de Rechtbank Den Haag op 10 januari 2023 uitspraak gedaan over het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar internationale beschermingsstatus. Eiseres had op 5 oktober 2015 asiel aangevraagd, wat in 2016 werd ingewilligd. Echter, in 2017 verliet zij Nederland en werd in 2018 ingeschreven als niet-ingezetene. Haar verblijfsvergunning verliep in 2020, en omdat zij geen verlengingsaanvraag indiende, stelde de staatssecretaris in april 2021 voor om haar beschermingsstatus te beëindigen.
Eiseres stelde op 22 maart 2022 beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank oordeelde dat dit beroep niet-ontvankelijk was vanwege termijnoverschrijding. Eiseres voerde aan dat de coronapandemie en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder de ontvoering van haar dochters, haar verhinderden om tijdig beroep in te stellen. De rechtbank erkende dat de ontvoering een onvoorziene omstandigheid was, maar oordeelde dat eiseres gedurende de vier jaar waarin zij probeerde haar dochters terug te krijgen, op enig moment contact had moeten opnemen met de Nederlandse autoriteiten.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij gedurende de gehele periode verhinderd was om contact op te nemen of tijdig beroep in te stellen. De coronapandemie begon pas in maart 2020, terwijl eiseres al meer dan twee jaar buiten Nederland verbleef. Bovendien had eiseres geen bewijs geleverd van pogingen om contact op te nemen met de autoriteiten voor het verstrijken van de beroepstermijn.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan de beoordeling van eventuele bijzondere omstandigheden. Eiseres had Nederland vrijwillig verlaten, waardoor er geen sprake was van een uitzetting naar een land met een reëel risico op onmenselijke behandeling. De rechtbank besloot dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Beëindiging verblijfsvergunning. Niet tijdig beroep ingesteld. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.4888
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: T. Pourjalili).
Procesverloop
In het besluit van 17 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de internationale beschermingsstatus van de verblijfsvergunning asiel van eiseres beëindigd.
Eiseres heeft op 22 maart 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 18 december 2022 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen het procesdossier dat ziet op het bezwaar tegen de weigering aan eiseres een laissez-passer te verstrekken, aan het dossier toe te voegen.
Verweerder heeft stukken ingediend op 22, 23 en 24 januari 2023.
Eiseres heeft op 2 februari 2023 gereageerd.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres is staatloos en afkomstig uit Syrië en is geboren op [datum] 1979. Zij heeft op 5 oktober 2015, mede namens haar twee minderjarige dochters, een asielaanvraag ingediend, die verweerder heeft ingewilligd bij besluit van 28 juni 2016.
1.1Op 1 december 2017 heeft de gemeente Den Haag aan verweerder gemeld dat eiseres niet meer woonachtig is op haar woonadres en met onbekende bestemming is vertrokken. Uit onderzoek van verweerder in de BRP
2. Eiseres heeft op 22 maart 2022 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Niet in geschil is dat het bestreden besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat na het verstrijken van de beroepstermijn beroep is ingesteld. In geschil is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3. Eiseres voert aan dat haar niet kan worden verweten dat zij niet tijdig beroep heeft ingesteld. Vanwege de coronapandemie, in samenhang met haar persoonlijke omstandigheden, was sprake van overmacht. Eiseres is in juli 2017 met haar dochters naar Turkije gereisd, zodat hun vader hen kon zien. Hij heeft de dochters toen ontvoerd. Eiseres heeft zich daarna ingespannen om haar dochters terug te krijgen, waar zij pas in het najaar van 2021 in is geslaagd. Tijdens de coronapandemie kon eiseres lange tijd niet reizen. Het lukte haar ook niet om contact op te nemen met de Nederlandse ambassade in Libanon. Eiseres wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020
3.1 Eiseres wijst verder op artikel 6:11 van de Awb
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Eiseres heeft verweerder niet in kennis gesteld dat zij Nederland heeft verlaten en heeft ook geen nieuw adres opgegeven, waartoe zij wel verplicht is op grond van artikel 4.37, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb
5. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres gedurende de periode tussen haar vertrek uit Nederland in 2017 tot 14 september 2021 verhinderd was om verweerder in kennis te stellen van de omstandigheid dat zij uit Nederland was vertrokken en eventueel haar nieuwe adresgegevens door te geven. Weliswaar rustte op eiseres die verplichting nog niet op het moment van haar vertrek, omdat zij de intentie had om na een korte vakantie terug te keren. Maar dit laat onverlet dat eiseres die verplichting wel had nadat voor haar duidelijk was dat zij langere tijd weg zou blijven uit Nederland. De rechtbank kan eiseres volgen in haar stelling dat de ontvoering van haar dochters een onvoorziene omstandigheid was, maar is van oordeel dat dit niet wegneemt dat van eiseres verwacht mocht worden dat zij op enig moment gedurende de periode van vier jaar waarin zij probeerde haar dochters terug te krijgen, de Nederlandse autoriteiten van die omstandigheden in kennis zou hebben gesteld. Het uitbreken van de coronapandemie maakt evenmin dat dit niet van eiseres kon worden verlangd. De coronapandemie begon immers pas in maart 2020, toen eiseres al ruim twee jaar buiten Nederland verbleef. Bovendien is niet gebleken dat het na maart 2020 niet mogelijk was om contact op te nemen met verweerder of met de Nederlandse ambassade in Libanon of Turkije.
5.1 Omdat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij gedurende die vier jaar voortdurend door onvoorziene omstandigheden verhinderd was om contact op te nemen met de autoriteiten, dan wel tijdig beroep in te stellen, slaagt het beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en op artikel 6:11 van de Awb evenmin.
5.2 De stelling van de gemachtigde van eiseres ter zitting, dat zij gedurende de tussenliggende periode wel pogingen heeft gedaan om contact te leggen met de autoriteiten, en dat verweerder naar aanleiding daarvan eiseres hulp had moeten bieden bij haar terugkeer naar Nederland, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Uit het laissez-passer-dossier van eiseres blijkt dat de dochter van eiseres eerst op 22 december 2021, na verstrijken van de beroepstermijn, de ambassade van Nederland in Libanon heeft bericht om de situatie van het gezin uit te leggen. Verweerder heeft verder toegelicht dat er geen gegevens bewaard zijn van voor die periode bij het consulaat-generaal in Istanbul en ook niet bij het Nederland Wereldwijd contactcenter. Ook eiseres heeft geen verdere bewijzen van contactpogingen overgelegd. Gelet hierop is niet gebleken dat eiseres voor het verstrijken van de beroepstermijn contact heeft opgenomen met verweerder, dan wel met de Nederlandse autoriteiten.
6. Omdat het beroep na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend en de rechtbank deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar acht, is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Pronk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.