Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:9169

ECLI:NL:RBAMS:2026:9169 Rechtbank Amsterdam , 03-09-2026 / 11125161 \ CV EXPL 24-5399
Civiel recht > Verbintenissenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Amsterdam, kantonrechter (zaaknr. 11125161 / CV EXPL 24-5399) — Vonnis 3 september 2026.

Partijen

  • Eisende partij: De Onderwijsstichting [eiser], gemachtigde: All‑Round Incasso, gevestigd te [vestigingsplaats].
  • Gedaagde partijen: [gedaagde 1] (woonplaats: [woonplaats 1]) en [gedaagde 2] (woonplaats: [woonplaats 2]). Gedaagden zijn niet verschenen.

Procedurele gang van zaken

  • In een tussenvonnis van 2 juli 2026 is de onderwijsstichting verzocht nadere toelichting en bewijsstukken te leveren over: de naleving van informatieverplichtingen, de (on)eerlijkheid van bedingen waarop zij zich beroept (Richtlijn oneerlijke bedingen), de precieze inhoud van de in de inschrijvingsformulieren genoemde “all the terms and conditions” en de datum/ondertekening van de inschrijvingen (eiser stelde 8 september 2023; overgelegde formulieren tonen 6 april 2020 en 24 oktober 2022).
  • Eisende partij heeft bij akte van 6 augustus 2026 gereageerd en bewijs overgelegd dat die akte aan gedaagden is gestuurd.
  • Ten slotte is vonnis bepaald en op 3 september 2026 gewezen.

Feiten en standpunten

  • De onderwijsstichting stelt dat inschrijvingsformulieren digitaal voor akkoord moesten worden ondertekend en dat deze formulieren duidelijk rechten, plichten en kosten vermelden, zodat aan de informatieplicht (en aan de eisen van de Richtlijn oneerlijke bedingen) zou zijn voldaan.
  • Gedaagden zijn niet opgekomen en hebben geen verweer gevoerd.

Beoordeling en motivering

  • De kantonrechter constateert een wezenlijk gebrek in de onderbouwing van de vordering. Ondanks de expliciete vragen in het tussenvonnis heeft eisende partij niet verklaard hoe haar stelling dat inschrijvingen op 8 september 2023 zijn gedaan zich verhoudt tot de overgelegde inschrijvingsformulieren die ondertekend blijken op 6 april 2020 ([naam 1]) en 24 oktober 2022 ([naam 2]). Zonder die nadere verklaring kan niet worden vastgesteld of de overgelegde stukken de gevorderde rechtsvordering dragen.
  • Daarnaast heeft eisende partij niet toegelicht of en welke “all the terms and conditions” bij de overeenkomst horen. Mogelijk zijn er algemene voorwaarden van toepassing die niet zijn overgelegd; door die documenten en toelichting achterwege te laten is toetsing van (eventuele) bedingen niet mogelijk.
  • Door de voor de beoordeling relevante feiten niet volledig te stellen en de gevraagde stukken niet te overleggen, heeft eisende partij de rechter verhinderd de ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden uit te voeren. Daarmee is de stelplicht uit artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet nagekomen.

Beslissing

  • De vorderingen van eisende partij worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing (niet voldoen aan de stelplicht).
  • Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde partijen, die aan de zijde van gedaagden op nihil worden begroten.
  • Vonnis gewezen door mr. L. van Berkum op 3 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:8454
Civiel recht > Verbintenissenrecht
25-08-2026 91% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam, kantonrechter — zaaknr. 11125161 / CV EXPL 24-5399 — vonnis 2 juli 2026 Partijen - Eisende partij: De Onderwijsstichting Esprit, waarvan deel uitmaakt de Amsterdam International Community School, gevestigd te...
ECLI:NL:RBNHO:2024:14331
Civiel recht > Verbintenissenrecht
04-08-2026 86% soortgelijk
De kantonrechter te Haarlem (zaaknr. 10919585 CV EXPL 24-920; tussenvonnis d.d. 13-11-2024, mr. W.S.J. Thijs) behandelt een vordering van de stichting [eiser] te [plaats 1], bijgestaan door [gemachtigde], tegen [gedaagde] te [plaats...
ECLI:NL:RBAMS:2026:4862
Civiel recht > Verbintenissenrecht
20-05-2026 86% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (kantonrechter), zaaknr. 11465139 / CV EXPL 24-16380, vonnis 23 april 2026. Partijen: eisende partij is vennootschap onder firma JUNIOR COLLEGE V.O.F., gevestigd te Almere, gemachtigde mr. B.A. den Blanken. Gedaagde:...
ECLI:NL:RBAMS:2026:8937
Civiel recht > Verbintenissenrecht
03-09-2026 86% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (kantonrechter), vonnis 8 september 2026 (zaaknr. 12073050/CV EXPL 26-1075). Eiser: [eiser] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gemachtigde: [gemachtigde] (mr. G.F. Priester trad namens gemachtigde op; bij zitting aanwezig: de heer [naam],...
ECLI:NL:RBAMS:2025:10063
Civiel recht > Verbintenissenrecht
16-12-2025 85% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam, kantonrechter, zaaknr. 10715425 / CV EXPL 23-12867, vonnis 11 december 2025. Eisende partij: Stichting Nederlandse Academie voor Beeldcreatie te Apeldoorn, bijgestaan door Van Es Gerechtsdeurwaarders & Inc. Gedaagde: [gedaagde], wonende...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis ( ECLI:NL:RBAMS:2026:8454 ). Ondanks dat zij hiernaar uitdrukkelijk in het tussenvonnis is gevraagd, heeft eisende partij niet nader toegelicht hoe haar stelling zich verhoudt tot de overgelegde inschrijvingsformulieren. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, is niet vast te stellen of de overgelegde inschrijvingsformulieren een grondslag vormen voor de vordering die eisende partij op gedaagde partijen stelt te hebben. Ook de algemene voorwaarden zijn niet overgelegd, zodat toetsing daarvan op oneerlijke bedingen niet mogelijk is. De vordering wordt afgewezen omdat eisende partij niet heeft voldaan aan de stelplicht van artikel 21 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht Kantonrechter

Zaaknummer: 11125161 \ CV EXPL 24-5399

Vonnis van 3 september 2026

in de zaak van

DE ONDERWIJSSTICHTING [eiser], gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: All-Round Incasso,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partijen, niet verschenen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 2 juli 2026
  • de akte van eisende partij van 6 augustus 2026.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 2 juli 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke informatieplichten nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen en zo nodig met bewijsstukken te onderbouwen op welke wijze is voldaan hieraan. Ook heeft eisende partij de mogelijkheid gekregen zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van bedingen waarop zij een beroep doet of zou kunnen doen. Verder is gevraagd om nader toe te lichten welke voorwaarden de ‘all the terms and conditions’ zijn waarover in de inschrijvingsformulieren wordt gesproken en deze te overleggen. Tot slot is eisende partij in de gelegenheid gesteld om haar stelling nader toe te lichten dat gedaagde partijen hun kinderen op 8 september 2023 hebben ingeschreven en deze inschrijving hebben ondertekend, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat deze op 6 april 2020 en op 24 oktober 2022 zijn ondertekend. Eisende partij heeft zich bij akte van 6 augustus 2026 nader uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde partijen heeft gestuurd.

2.2. In haar akte licht eisende partij toe dat de inschrijvingsformulieren die zij hanteert voor akkoord dienen te worden ondertekend, hetgeen digitaal heeft plaatsgevonden. Verder stelt zij dat zij volledig aan haar informatieverplichting heeft voldaan: de inschrijvingsformulieren geven zonneklaar weer wat de rechten en plichten voor de ouders zijn en wat de kosten voor het onderwijs zijn. Wat betreft de Richtlijn oneerlijke bedingen merkt eisende partij op dat zij voldaan heeft aan de toepasselijke informatieplichten.

2.3. Zoals overwogen in het tussenvonnis, stelt eisende partij dat gedaagde partijen hun kinderen op 8 september 2023 hebben ingeschreven en deze inschrijving hebben ondertekend. Uit de overgelegde inschrijvingsformulieren blijkt echter dat deze op 6 april 2020 (inschrijving van [naam 1] ) en op 24 oktober 2022 (inschrijving van [naam 2] ) zijn ondertekend. De kantonrechter constateert dat eisende partij, ondanks dat zij hiernaar uitdrukkelijk in het tussenvonnis is gevraagd, niet nader heeft toegelicht hoe haar stelling zich verhoudt tot de overgelegde inschrijvingsformulieren. Hierdoor kan de kantonrechter niet vaststellen dat de stukken die ter onderbouwing van de vordering zijn overgelegd, het gevorderde kunnen dragen. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, is niet vast te stellen of de overgelegde inschrijvingsformulieren een grondslag vormen voor de vordering die eisende partij op gedaagde partijen stelt te hebben.

2.4. Daar komt bij dat eisende partij ook niet is ingegaan op de vraag van de kantonrechter waarnaar ‘all the terms and conditions’ verwijst. Niet uit te sluiten valt dat er algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn, die niet in deze procedure zijn overgelegd. Daarmee is toetsing van bedingen in die algemene voorwaarden niet mogelijk. Door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig aan te voeren heeft eisende partij de taak van de kantonrechter, te weten ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden, onmogelijk gemaakt.

2.5. Eisende partij heeft in zoverre niet voldaan aan de stelplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vordering wordt daarom afgewezen.

2.6. Eisende partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen, die aan de kant van gedaagde partijen op nihil worden begroot.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1. wijst de vorderingen van eisende partij af,

3.2. veroordeelt eisende partij in de proceskosten van gedaagde partijen, die op nihil worden begroot.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.

5732