Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:9124

ECLI:NL:RBAMS:2026:9124 Rechtbank Amsterdam , 16-07-2026 / C/13/790083 / KG ZA 26-557
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Vonnis (Rechtbank Amsterdam, voorzieningenrechter, 16 juli 2026) in kort geding tussen [eiser] (eiser; 74 jaar, ernstig longlijden, beperkte levensverwachting; advocaat mr. M.V. Vermeij) en [gedaagde 1], [gedaagde 2] B.V. en [gedaagde 3] (gedaagden; advocaat mr. R.J.L. van Zwol).

Feiten en procesverloop

  • Erflater overleed op 9 november 1997; [eiser] en [gedaagde 1] zijn elk voor de helft erfgenamen. Tot de nalatenschap behoort een perceel aan [locatie 1] (260 m2), onverdeeld sinds sloop van het pand in 2008/2009. Omgevingsvergunningen werden in 2005 en 2015 aangevraagd; in 2023 ingetrokken wegens uitblijven van bouwwerkzaamheden. Taxatie in opdracht van [eiser] (21 feb 2026) waardeert het perceel op €1.874.000.
  • [gedaagde 1] beheert via zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 2]. Partijen zijn gezamenlijk bevoegd bestuurders van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. [eiser] verzocht herhaald om inzage; [gedaagde 1] verstuurde slechts deels stukken.
  • Mondelinge behandeling vond plaats op 7 juli 2026; [gedaagde 1] wilde zelf pleiten maar koos behoud van reconventie en liet vervolgens delen van zijn schriftelijke pleitnota door zijn advocaat voorlezen. Vonnis bij vervroeging op 16 juli 2026.

Vorderingen van [eiser] (conventie)

  • Primair: (i) inzage in administraties van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]; (ii) toegang tot het boekhoudprogramma en export van de administratie; (iii) verkoop van het perceel via makelaar (De Graaf & Groot) of alternatief door rechter aan te wijzen NVM-makelaar; (iv) medewerking van [gedaagde 1] aan verkoop en verdeling van netto-opbrengst 50/50; verbonden dwangsommen en reële executie.

Verweer en reconventie

  • [gedaagde 1] voerde formele verweren (o.a. gebrek aan belang, beroep op art. 2:239 lid 6 BW) en inhoudelijke verweren (bestaande samenwerkingsovereenkomst tot nieuwbouw, stutwerk dat verkoop belemmert, betwisting taxatie).
  • In reconventie vorderden gedaagden betalingen (totaal €41.787,88 + schade €20.893,94), en opdrachten aan ToekomstGroep voor verwijdering van rottende balken (met subsidiaire vorderingen en voorschot €9.864,20).

Beoordeling door de voorzieningenrechter Inzage administratie

  • [eiser] heeft recht op inzage in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder op grond van art. 2:8, 2:9 en 2:10 BW. Het beroep op art. 2:239 lid 6 BW faalt omdat die bepaling ziet op bestuursbesluiten en niet op het individuele inzagerecht van een bestuurder.
  • [gedaagde 1] erkende het voeren van administratie via [bedrijf] en het recht van [eiser] op inzage; de stelling dat de administratie weinig zou bevatten en dat bankafschriften door [eiser] zelf gedownload kunnen worden, leidt niet tot weigering.
  • Vordering tot inzage voldoet aan artikel 194 Rv; toewijzing. Specificatie van op te leveren stukken: grootboek 2009-heden, jaarrekeningen 2009-heden, bankafschriften 2009-2018, rekening-courantoverzichten inclusief leningen en ondertekende leningsovereenkomsten, alle facturen, en VPB-aangiften 2009-heden. Ook toegang tot boekhoudprogramma en volledige export wordt bevolen. Dwangsom: €2.500 per dag, max. €250.000.

Verkoop perceel

  • Onverdeeldheid duurt bijna 29 jaar; elke deelgenoot kan verdeling vorderen. Gelet op de ernstige ziekte en leeftijd van [eiser], het langdurige patstelling-scenario, het ingetrokken vergunningenbeleid en het gebrek aan financiële mogelijkheden van [eiser] om mee te bouwen, weegt het belang van [eiser] zwaarder om onverdeeldheid te beëindigen en verkoop te gelasten.
  • Het door [gedaagde 1] aangevoerde bestaan van een afdwingbare samenwerkingsovereenkomst is onvoldoende onderbouwd. Ook het betoog over het houten stutwerk (rot werk boven perceel, discussie of roerend of onroerend) staat verkoop niet in de weg; eventuele afspraken kunnen in het verkooptraject met de makelaar worden geregeld.
  • Toewijzing van verkoopvordering conform verzoek van [eiser]: binnen 14 dagen volledige en onvoorwaardelijke medewerking door [gedaagde 1] aan verkoop via De Graaf & Groot Makelaars (courtage 1,25% incl. btw of vaste courtage €28.500 incl. btw), met concrete termijnen (5 werkdagen na benoeming makelaar voor opdracht; 5 werkdagen na toezending koopovereenkomst ondertekening door partijen; ondertekenen leveringsakte e.d.). Bij niet-medewerking treedt vonnis in de plaats van wilsverklaringen/hantekening van [gedaagde 1] (reële executie) op grond van art. 3:300 lid 1 en lid 2 BW (met inachtneming art. 3:301 lid 1 BW). De door [eiser] gevorderde aanvullende dwangsom naast reële executie is afgewezen als dubbelop.
  • Verdere bepaling: notaris keert netto-opbrengst 50/50 uit; indien [gedaagde 1] niet binnen 5 werkdagen meewerkt aan nota van afrekening, treedt vonnis in diens plaats.

Reconventie en overige

  • Geldvorderingen van gedaagden worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en onduidelijke onderbouwing; kort geding biedt niet de plaats voor vaststelling van die geldvorderingen zonder heldere producties en spoedeisend belang.
  • Vordering tot directe opdracht aan ToekomstGroep voor verwijdering van rottende balken wordt niet toegewezen omdat [eiser] ter zitting toezegde spoedig samen opdracht te geven; belang vervalt.
  • Proceskosten: gecompenseerd; iedere partij draagt eigen kosten.

Besluit

  • Toewijzing van inzage- en exportvorderingen en van verkoop- en verdelingsvorderingen met reële executie; reconventionele geldvorderingen afgewezen; partijen dragen eigen proceskosten.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:8611
Civiel recht
28-08-2026 87% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam, vonnis 26 augustus 2026 (zaaknr. C/13/773571 / HA ZA 25-1359). Partijen: [eiser] (eiser/conventie; advocaat mr. M.S. Vos) en [gedaagde] (gedaagde/reconventie; advocaat mr. N.C. Hau‑Cheng). Beide zijn broers en enig erfgenamen...
ECLI:NL:RBOVE:2025:6840
Civiel recht
27-11-2025 87% soortgelijk
[eisers] — kinderen van de in januari 2025 overleden erflaatster, te weten [eiser 1] (optredend ook als gevolmachtigde) en als gemachtigden onder meer [eiser 6] — vorderen in kort geding dat de...
ECLI:NL:RBDHA:2026:17733
Civiel recht
30-06-2026 87% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (Team handel, voorzieningenrechter), zaaknr. C/09/704334 / KG ZA 26-453, vonnis 30 juni 2026 — samenvatting. Partijen - Eiser: [eiser], bijgestaan door mr. M.C. Carli‑Lodder. - Gedaagde: [gedaagde]. - Overige...
ECLI:NL:RBGEL:2026:2627
Civiel recht > Verbintenissenrecht
08-04-2026 87% soortgelijk
Rechtszaak in kort geding tussen negen erfgenamen (eisers sub 1–9) — waarvan eiser sub 9 onder bewind staat en vertegenwoordigd wordt door een vennootschap onder firma als bewindvoerder — en één gedaagde...
ECLI:NL:RBROT:2026:6017
Civiel recht
27-05-2026 87% soortgelijk
Rechtbank Rotterdam, Team handel en haven (zaaknr. C/10/718355 / KG ZA 26-373), vonnis in kort geding van 21 mei 2026 (voorzieningenrechter mr. R.J.A.M. Cooijmans). Partijen en procesverloop - Eisende partij: Van Amerongen...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwikkeling nalatenschap tussen twee broers. Medewerking verkoop perceel en vordering tot inzage en afgifte administratie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/790083 / KG ZA 26-557 EAM/EvK

Vonnis in kort geding van 16 juli 2026

in de zaak van

[eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij in conventie bij dagvaarding van 29 juni 2026, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.V. Vermeij,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] B.V., te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 2] , 3. [gedaagde 3], te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [gedaagde 3] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. R.J.L. van Zwol.

1 De procedure

1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 7 juli 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagden] heeft, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, verweer gevoerd en een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld. [eiser] heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

  • [eiser] , met zijn twee kinderen [naam 1] en [naam 2] , en zijn echtgenote, met mr. Vermeij,
  • [gedaagde 1] , met mr. Van Zwol.

Tijdens de mondelinge behandeling wilde [gedaagde 1] , in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken, in de eerste termijn graag zelf het woord voeren door een door hem zelf opgestelde pleitnota voor te dragen, waarbij mr. Van Zwol toegaf dat hij die niet had gemaakt vanwege tijdgebrek. De conclusie van antwoord, met hetzelfde lettertype als de pleitnota, zou naar zeggen van mr. Van Zwol, “samen” met de cliënt zijn opgesteld. De voorzieningenrechter heeft uitgelegd dat indien gedaagde met een advocaat verschijnt, de advocaat in de eerste termijn het woord voert. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde 1] vervolgens de keuze gegeven om of in persoon te verschijnen waarbij hij zelf het woord kon voeren maar dan moest mr. Van Zwol de zitting verlaten en kon de tegenvordering niet worden behandeld, of [gedaagde 1] verscheen wel bij zijn advocaat met behoud van de tegenvordering maar dan moest mr. Van Zwol het woord voeren. [gedaagde 1] koos voor behoud van de tegenvordering en mr. Van Zwol heeft vervolgens in eerste termijn het woord gevoerd door de door [gedaagde 1] gemaakte pleitnota op onderdelen, te weten uitsluitend de “rode” tekst, voor te dragen.

1.3. Na verder debat is vonnis (bij vervroeging) bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1. Op 9 november 1997 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Zijn beide kinderen, [eiser] en [gedaagde 1] (die halfbroers zijn) zijn voor gelijke delen (elk voor de helft) erfgenaam. [eiser] is 74 jaar oud en lijdt aan een ernstige longziekte. Daarnaast heeft hij geheugen- en concentratieproblemen en is hij slecht ter been. Zijn levensverwachting is beperkt. [gedaagde 1] is 62 jaar oud .

Het perceel

2.2. Tot de nalatenschap van erflater behoort onder meer het perceel gelegen aan de [locatie 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectie+nummer] , groot 260 m2 (hierna: het perceel). Dit perceel is tot op heden onverdeeld gebleven. Het perceel is gelegen in [stadsdeel] , aan de voorzijde uitkijkend over het [naam park] . Het pand dat voorheen op het perceel stond, is in 2008/2009 gesloopt. Sindsdien ligt het perceel braak en worden de aangrenzende gebouwen gestut door een houten stutwerk, waaraan een steiger is gekoppeld, die wordt gehuurd van ToekomstGroep Bouw B.V. (hierna: ToekomstGroep):

2.3. Er is tweemaal een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van nieuwbouw op het perceel, eerst in 2005 en nadat die was ingetrokken in 2015 nogmaals. In 2023 is (ook) de tweede omgevingsvergunning ingetrokken door de gemeente wegens het uitblijven van (de aanvang van) bouwwerkzaamheden.

2.4. Op 21 februari 2026 is het perceel in opdracht van [eiser] getaxeerd. De marktwaarde is vastgesteld op € 1.874.000.

2.5. Op 17 april 2026 heeft [gedaagde 1] de advocaat van [eiser] bericht over het perceel. In deze e-mail heeft hij (samengevat) geschreven dat hij nog steeds nieuwbouw op het perceel wil realiseren, waarbij hij en zijn echtgenote in één van woonlagen van de woning willen gaan wonen. Verder is hij niet geïnteresseerd om het aandeel van [eiser] in het perceel over te kopen. Hij wil [eiser] houden aan de – volgens hem – gemaakte afspraak om samen nieuwbouw te gaan bouwen, het houten stutwerk te laten verwijderen (door ToekomstGroep) en samen de huur van de steiger te betalen.

De administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3]

2.6. Partijen zijn ieder bestuurder van [gedaagde 2] (gedaagde onder 2), die is opgericht op 15 januari 1973. [gedaagde 2] is een beleggingsmaatschappij. Enig aandeelhouder van [gedaagde 2] is [gedaagde 3] (gedaagde onder 3), waarvan [eiser] en [gedaagde 1] ook ieder bestuurder zijn.

2.7. [gedaagde 1] voert vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 2] .

2.8. [eiser] heeft de afgelopen jaren [gedaagde 1] meerdere keren verzocht tot overlegging van de volledige administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 1] heeft erkend dat [eiser] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder van [gedaagde 2] het recht heeft op inzage in de administratie. [gedaagde 1] heeft toegezegd dat hij in tranches het grootboek en de balans en de winst- en verliesrekening vanaf 2003 zou opsturen. [gedaagde 1] heeft vervolgens een deel van de stukken opgestuurd maar nog niet alle stukken die hij tot zijn beschikking had, omdat hij hier niet de tijd voor had.

3 Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert – na wijziging eis en samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. ten aanzien van de administratie van [gedaagde 2] : [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis afschriften van de in het petitum opgesomde administratieve bescheiden aan [eiser] te overhandigen/ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom voor [gedaagde 1] ; II. ten aanzien van de toegang tot het boekhoudprogramma van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] : [gedaagden] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] (en/of zijn accountant/adviseur) toegang te verschaffen tot het boekhoudprogramma van [gedaagde 2] , alsmede een volledige exportversie van de administratie te verstrekken, op straffe van een dwangsom voor [gedaagde 1] ; III. ten aanzien van de administratie van [gedaagde 3] : [gedaagde 1] en [gedaagde 3] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis afschriften van de in het petitum opgesomde administratieve bescheiden aan [eiser] te overhandigen/ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom voor [gedaagde 1] ; IV. ten aanzien van de verkoop van het perceel: [gedaagde 1] te veroordelen, op straffe van een dwangsom, om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van het perceel aan een derde, a. via primair, De Graaf & Groot Makelaars, b. subsidiair, een door de voorzieningenrechter aan te wijzen onafhankelijke NVM-makelaar gevestigd te Amsterdam, en voor zover [gedaagde 1] niet binnen de hiervoor genoemde termijn(en) de vereiste medewerking verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring van [gedaagde 1] , onverminderd de gevorderde dwangsom; V. [gedaagde 1] te veroordelen, op straffe van een dwangsom, om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto-opbrengst van het perceel tussen [eiser] en [gedaagde 1] , en te bepalen dat de passerende notaris de opbrengst van het perceel – na voldoening van de aan de verkoop en levering verbonden kosten en van eventuele op het perceel rustende lasten – voor de helft aan [eiser] en voor de helft aan [gedaagde 1] uitkeert, en voor zover [gedaagde 1] die medewerking niet binnen vijf werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van de notaris verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring en handtekening van [gedaagde 1] op de nota van afrekening.

3.2. [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] is 74 jaar en omdat hij ernstig ziek is, is zijn levensverwachting beperkt. Hij wil bij leven de nalatenschap van zijn vader afwikkelen, die al bijna 29 jaar geleden is opengevallen. [eiser] en [gedaagde 1] verkeren in een impasse en worden het niet eens over wat er met het perceel moet gebeuren. [gedaagde 1] wil samen met [eiser] nieuwbouw op het perceel realiseren, maar [eiser] wil en kan dat (financieel) niet. [gedaagde 1] wil en kan het aandeel van [eiser] in het perceel niet overnemen, daarom is de enige optie dat het perceel aan een derde moet worden verkocht.

[eiser] is gezamenlijk bevoegd bestuurder van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Daarom heeft hij recht op volledige toegang tot de administratie. [gedaagde 1] voert al jaren, via zijn eenmanszaak [bedrijf] , feitelijk de administratie van [gedaagde 2] en krijgt daar ook een vergoeding voor. [gedaagde 1] heeft ook erkend dat [eiser] recht heeft op inzage, maar geeft hier slechts deels uitvoering aan. Daarom is nu deze vordering in combinatie met een dwangsom nodig.

3.3. [gedaagde 1] voert ten eerste een aantal formele verweren. Ten aanzien van de vordering tot inzage heeft [eiser] geen belang om deze vordering in te stellen als privépersoon. [eiser] had in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder een besluit moeten nemen in de zin van artikel 6:239 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW). Zonder een dergelijk besluit kan hij deze vordering niet instellen en moet hij niet-ontvankelijk worden verklaard. Verder ontbreekt de samenhang tussen de vordering tot inzage en de vordering tot verkoop van het perceel en kunnen deze niet gezamenlijk worden behandeld. Ten aanzien van de vordering tot verkoop van het perceel dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat [eiser] niet in hoedanigheid van erfgenaam [gedaagde 1] in de hoedanigheid van erfgenaam heeft gedagvaard. Inhoudelijk voert [gedaagde 1] tegen de vordering tot inzage aan dat [eiser] geen belang heeft bij inzage in de administratie en dat de administratie slechts uit enkele bankafschriften bestaat die [eiser] zelf ook kan downloaden. [gedaagde 3] drijft geen onderneming, beschikt niet over een bankrekening en er is dus geen administratie waarvan [eiser] inzage kan vorderen. Ten aanzien van de vordering tot verkoop van het perceel voert [gedaagde 1] aan dat partijen een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten om samen nieuwbouw op het perceel te realiseren en dat [eiser] deze overeenkomst moet nakomen. Daarnaast staat het houten stutwerk aan verkoop in de weg. Het houten stutwerk hangt boven het perceel, tussen het gebouw [locatie 2] en het gebouw [locatie 3] . Het houten stutwerk is een roerende zaak en het is de vraag of het door horizontale natrekking bestanddeel is geworden van ofwel [locatie 2] of [locatie 3] . Tot slot deugt de door in opdracht van [eiser] uitgevoerde taxatie van februari 2026 niet en zou [gedaagde 1] een groot verlies lijden als het perceel nu onbebouwd zou worden verkocht.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagden] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen het totaal van de hoofdsom ter hoogte van € 41.787,88; II. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen het totaal van de schadevergoeding ter hoogte van € 20.893,94; III. [eiser] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis samen met [gedaagde 1] aan ToekomstGroep om de eerste balk die reeds is doorgerot en op de steiger is gevallen en de gekoppelde balken die op het punt staan door te rotten op de koppeling te laten verwijderen, zulks ter beoordeling van de heer Seits, op straffe van een dwangsom; IV. primair [eiser] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, indien [eiser] niet heeft voldaan om aan [gedaagde 1] te betalen het totaal van de hoofdsom ter hoogte van € 41.787,88, met inachtneming van het door [gedaagde 1] ingeroepen opschortingsrecht, binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, opdracht aan ToekomstGroep te geven om alsdan binnen 28 dagen na die datum het restant van het houten stutwerk te laten verwijderen conform de memoranda van dr. ir. N.P.M. Scholten van 10 maart 2021, 25 maart 2021 en 13 december 2021, op straffe van een dwangsom; V. subsidiair [eiser] te veroordelen, om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, indien [eiser] niet heeft voldaan om aan [gedaagde 1] te betalen het totaal van de hoofdsom ter hoogte van € 41.787,88 binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, samen met [gedaagde 1] opdracht te geven aan ToekomstGroep om alsdan binnen 28 dagen na die datum het restant van het houten stutwerk te laten verwijderen conform de memoranda van dr. ir. N.P.M. Scholten van 10 maart 2021, 25 maart 2021 en 13 december 2021, op straffe van een dwangsom, en [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen bij wijze van voorschot het in de helft van het in de offerte genoemd bedrag vermeerderd met 21 % aan [gedaagde 1] te betalen, dus 121 % van ½ x € 16.304,47 = € 9.864,20; VI. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

3.6. [gedaagden] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] vordert betaling van [eiser] van de huur van de steiger, die zij huren van ToekomstGroep. Daarnaast moet [eiser] een schadevergoeding betalen van bijna 21 duizend euro, omdat de steiger eind 2022 al verwijderd had kunnen worden als [eiser] toen opdracht had gegeven om het houten stutwerk te laten verwijderen door ToekomstGroep, maar dat heeft hij niet gedaan. Daarnaast is [gedaagde 1] alleen bereid om samen met [eiser] het houten stutwerk door ToekomstGroep te laten verwijderen, omdat hij het te risicovol vindt om hiertoe alleen opdracht te geven. Subsidiair vordert [gedaagde 1] een vordering tot betaling van een voorschot van € 9.864,20. Dat bedrag bestaat uit de helft van het offertebedrag van ToekomstGroep voor het verwijderen van het houten stutwerk, vermeerderd met 21% BTW.

3.7. [eiser] voert verweer. Ten eerste ontbreekt het spoedeisend belang. De facturen staan al lang open. Dat het om een substantieel bedrag gaat, is onvoldoende. Daarnaast betwist [eiser] het bestaan en de omvang van de geldvorderingen en kunnen die niet in dit kort geding worden vastgesteld.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1. In conventie zien de vordering van [eiser] op twee onderwerpen: inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en verkoop van het perceel uit de nalatenschap van erflater. Deze twee onderwerpen worden achtereenvolgens beoordeeld.

Inzage administratie

4.2. [eiser] vordert inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder. In die hoedanigheid heeft hij op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen, rechtens te respecteren belang. [eiser] hoeft daarbij niet letterlijk ‘in de hoedanigheid van bestuurder’ [gedaagde 1] in rechte te betrekken. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 2:239 lid 6 BW, dat er eerst door [gedaagde 2] een besluit had moeten worden genomen, gaat niet op. Die bepaling ziet op bestuursbesluitvorming, niet op het inzagerecht van (één van) de bestuurder(s).

4.3. [gedaagde 1] heeft erkend dat hij vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 2] heeft gevoerd en dat [eiser] een recht heeft op inzage in die administratie. [gedaagde 1] heeft gemeld dat het geen onwil is dat hij niet alle administratie heeft verstrekt, maar dat hij er de tijd niet voor had of dat hij bepaalde stukken zelf ook niet had. Dat maakt echter dat [gedaagde 1] nog steeds de stukken moet verstrekken die hij wel heeft. Het verweer van [gedaagde 1] dat de administratie inhoudelijk niet veel inhoudt en slechts zou bestaan uit 12 bankafschriften per jaar met slechts daarop 12 keer een betaling van de bankkosten, 1 of 2 keer de vennootschapsbelasting en 1 keer een betaling van een nota aan [bedrijf] (als vergoeding voor het voeren van de administratie) en dat [eiser] deze bankafschriften zelf ook kan downloaden, gaat niet op, en doet ook niet af aan het recht tot inzage dat [eiser] wel heeft, en [gedaagde 1] ook erkent. [eiser] heeft ook (spoedeisend) belang bij deze stukken, ter onderbouwing van zijn vordering tot verdeling, omdat beide partijen geld hebben geleend van en dus een schuld hebben bij [gedaagde 2] , maar [eiser] niet weet wat de actuele hoogte van die schuld is.

4.4. Ten aanzien van [gedaagde 3] heeft [eiser] ook voldoende belang bij inzage in die administratie. Hoewel [gedaagde 1] inderdaad geen (concrete) opdracht had gekregen om via zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 3] te voeren, is hij wel degene die feitelijk de dividenduitkeringen deed. Daarom is ook het verweer van [gedaagde 1] dat [gedaagde 3] feitelijk niks is en er dus geen administratie is die hij kan overleggen, niet houdbaar. In ieder geval valt niet uit te sluiten dat er enige (e-mail)correspondentie is over bijvoorbeeld de dividenduitkering. Alles wat er wél is, dient [gedaagde 1] dan ook met [eiser] te delen.

4.5. Op grond van het voorgaande blijkt dat het gevorderde inzageverzoek voldoet aan alle vereisten van artikel 194 Rv. Daarom worden deze vorderingen en daaraan te verbinden dwangsommen toegewezen.

Verkoop perceel

4.6. Erflater is bijna 29 jaar geleden overleden. Sinds die tijd duurt de onverdeeldheid al voort. [eiser] hoeft niet tot in het oneindige in onverdeeldheid te blijven. Iedere deelgenoot kan te allen tijde verdeling vorderen.

4.7. In dit geval weegt het belang van [eiser] bij beëindiging van de onverdeeldheid en verkoop van het perceel zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] . [eiser] is op leeftijd en vanwege zijn ziekte is zijn levensduur beperkt. Het is begrijpelijk dat hij de nalatenschap wil afwikkelen voor zijn overlijden en niet zijn kinderen hiermee wil belasten. Bovendien zegt het eigenlijk al genoeg dat het partijen al 29 jaar niet is gelukt om samen nieuwbouw op het perceel te realiseren. Het is dan ook niet realistisch om te denken dat dat nu wel opeens zal lukken, met name niet omdat [eiser] te kennen heeft gegeven hier niet (meer) de financiële middelen voor te hebben en [gedaagde 1] ter zitting heeft gezegd dat hij alleen financiële middelen heeft om zijn aandeel in de verbouwkosten te bekostigen. Daarnaast zijn ook de bouwvergunningen definitief ingetrokken en zou eerst nog een nieuwe vergunning moeten worden aangevraagd. Bij die stand van zaken is verkoop van het perceel de enige realistische route.

4.8. De door [gedaagde 1] aangevoerde verweren staan daaraan niet in de weg. Het is onvoldoende aannemelijk dat partijen een (samenwerkings)overeenkomst hebben gesloten tot het realiseren van nieuwbouw op het perceel waarvan [gedaagde 1] (nog steeds) nakoming kan vorderen. [gedaagde 1] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd wat deze overeenkomst zou inhouden en waarover wilsovereenstemming bestond. Daarnaast maakt ook het (uitvoerige) betoog van [gedaagde 1] , over de vraag of het houten stutwerk een roerende zaak is en onderdeel is van de nalatenschap of door natrekking bestanddeel is geworden van [locatie 2] of [locatie 3] , de zaak niet anders. De kwestie van het houten stutwerk kan in het verkooptraject met de makelaar worden besproken en daar kunnen vervolgens afspraken over worden gemaakt. Dit staat dus ook niet aan verkoop in de weg.

4.9. De vordering tot verkoop aan een derde wordt toegewezen conform het spoorboekje zoals door [eiser] gevorderd, inclusief verdeling van de opbrengst na verkoop. [eiser] heeft gevorderd dat als [gedaagde 1] zich hier niet aanhoudt, hij zowel een dwangsom moet betalen als dat het vonnis in plaats treedt van de vereiste wilsverklaring of handtekening van [gedaagde 1] (reële executie). Dat is dubbelop. Daarom wordt de gevorderde dwangsom, naast de bepaling dat dit vonnis bij niet medewerking van [gedaagde 1] in de plaats zal treden van die medewerking, afgewezen.

Proceskosten

4.10. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.11. Voor toewijzing van een geldvordering is in kort geding slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.12. [eiser] heeft het bestaan en de omvang van de door [gedaagden] gevorderde geldvorderingen betwist en de voorzieningenrechter gaat daar in mee. Op basis van de door [gedaagden] ingediende producties met facturen is niet goed te volgen waar de gevorderde bedragen vandaan komen en wat al door wie is betaald. Daarom worden deze geldvorderingen allemaal afgewezen. Het is aan [gedaagden] om voldoende aannemelijk/inzichtelijk te maken waar de gevorderde bedragen op zien, maar daar is hij niet in geslaagd.

4.13. Ten aanzien van de vordering tot het geven van een opdracht aan ToekomstGroep om de doorgerotte balken, en de balken die op het punt staan door te rotten, te laten verwijderen, geldt het volgende. [eiser] heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij hiervan niet op de hoogte was, maar dat hij uiteraard bereid is om (met spoed) gezamenlijk opdracht te geven aan ToekomstGroep tot verwijdering. Gelet op deze toezegging bestaat er geen belang meer bij toewijzing van de vordering en gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat partijen dit samen zullen oplossen, eventueel in overleg met de makelaar.

4.14. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. ten aanzien van de administratie van [gedaagde 2] : veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te overhandigen/ter beschikking te stellen, afschriften van de volgende administratieve bescheiden van [gedaagde 2] :

  • de grootboekadministratie over de boekjaren 2009 tot en met heden,
  • alle jaarrekeningen (balansen, winst- en verliesrekeningen en toelichting) over de boekjaren 2009 tot en met heden,
  • alle bankafschriften van [gedaagde 2] over de boekjaren 2009 tot 2018,
  • alle rekening-courantoverzichten van [gedaagde 2] , inclusief de overzichten van de leningen verstrekt aan [eiser] en [gedaagde 1] ; alsmede afschriften van alle ondertekende leningsovereenkomsten van zowel [gedaagde 1] als [eiser] ,
  • alle facturen gezonden aan en ontvangen door [gedaagde 2] ,
  • alle aangiften en aanslagen vennootschapsbelasting over de boekjaren 2009 tot en met heden,

5.2. ten aanzien van de toegang tot het boekhoudprogramma van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] : veroordeelt [gedaagden] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] (en/of zijn accountant/adviseur) toegang te verschaffen tot het boekhoudprogramma van [gedaagde 2] , alsmede een volledige exportversie van de administratie te verstrekken,

5.3. ten aanzien van de administratie van [gedaagde 3] : veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis afschriften aan [eiser] te overhandigen/ter beschikking te stellen, afschriften van de volgende administratieve bescheiden van [gedaagde 3] :

  • de grootboekadministratie over de boekjaren 2009 tot en met heden,
  • alle jaarrekeningen (balansen, winst- en verliesrekeningen en toelichting) over de boekjaren 2009 tot en met heden,
  • alle aangiften vennootschapsbelasting over de boekjaren 2009 tot en met heden (voor zover van toepassing),

5.4. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1, 5.2 en/of 5.3 voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,

5.5. ten aanzien van de verkoop van het perceel: veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectie+nummer] , groot 260 m2, plaatselijk bekend [locatie 1] , aan een derde, via De Graaf & Groot Makelaars (gevestigd te Amsterdam, [adres]), tegen de door dat kantoor afgegeven courtage van 1,25% inclusief btw over de gerealiseerde koopsom, dan wel – ter keuze van [eiser] – een vaste courtage van € 28.500 inclusief btw; welke medewerking in elk geval omvat:

  • het binnen 5 werkdagen na benoeming van de makelaar verlenen van opdracht tot dienstverlening aan die makelaar;
  • het verlenen van alle medewerking die de makelaar voor een voortvarende en onbelemmerde verkoop nodig acht, waaronder het verstrekken van alle relevante informatie en bescheiden over het perceel;
  • het meewerken aan de door de makelaar bepaalde verkoopmethode en het aanvaarden respectievelijk gunnen van het bod, dan wel de inschrijving die de makelaar als beste kwalificeert, zulks ter beoordeling van de makelaar;
  • het binnen 5 werkdagen na toezending van de koopovereenkomst door de makelaar, ondertekenen van de koopovereenkomst met de aldus geselecteerde koper;
  • het ondertekenen van de notariële akte van levering en het verlenen van alle overige voor de eigendomsoverdracht benodigde medewerking;

5.6. voor zover [gedaagde 1] niet binnen de hiervoor genoemde termijn(en) de vereiste medewerking (van de veroordeling onder 5.5) verleent, bij wijze van reële executie:

  • ten aanzien van de opdracht aan de makelaar: bepaalt op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW dat dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring van [gedaagde 1] ;
  • ten aanzien van de koopovereenkomst: bepaalt op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor het aangaan van de marktconforme koopovereenkomst vereiste wilsverklaring en handtekening van [gedaagde 1] ;
  • ten aanzien van de levering: bepaalt op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor het verlijden van de notariële akte van levering vereiste medewerking, toestemming en handtekening van [gedaagde 1] , zulks met inachtneming van artikel 3:301 lid 1 BW, in die zin dat inschrijving in de openbare registers eerst plaatsvindt nadat dit vonnis aan [gedaagde 1] is betekend en een termijn van 14 dagen sedert die betekening is verstreken,

5.7. veroordeelt [gedaagde 1] om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto-opbrengst van het perceel tussen [eiser] en [gedaagde 1] , en te bepalen dat de passerende notaris de opbrengst van het perceel – na voldoening van de aan de verkoop en levering verbonden kosten (waaronder de courtage van de makelaar en de kosten van de notaris) en van eventuele op het perceel rustende lasten – voor de helft aan [eiser] en voor de helft aan [gedaagde 1] uitkeert, welke medewerking in elk geval omvat het instemmen met en het ondertekenen van de door de notaris op te stellen nota van afrekening overeenkomstig deze verdeling,

5.8. bepaalt dat voor zover [gedaagde 1] die medewerking niet binnen vijf werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van de notaris verleent (zoals bepaald in 5.7), dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring en handtekening van [gedaagde 1] op de nota van afrekening,

5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.12. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.13. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. type: EvK coll: KH