ECLI:NL:RBAMS:2026:5528 Rechtbank Amsterdam , 02-06-2026 / 011954-26
Samenvatting
Rechtbank Amsterdam, Internationale Rechtshulpkamer (RK nr. 011954-26) sprak op 2 juni 2026 een beschikking over een klaagschrift ex art. 5.5.18 jo. art. 552a Sv van [klager], geboren 2003 in [geboorteland], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Het klaagschrift ziet op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen d.d. 6 januari 2026, waarbij Belgische autoriteiten vroegen om bevriezing van tegoeden tot €67.013,- op een Duitse virtuele bankrekening op naam van klager, in beheer bij [naam bedrijf] te Amsterdam. Ter uitvoering van het EBB werd op 14 januari 2026 in Amsterdam beslag gelegd op het saldo van rekening [rekeningnummer] ten behoeve van dat bedrag.
Het klaagschrift bestond uit een e-mail van klager waarin hij meldde dat hij het tegoed niet als van hem erkent: zijn rekening zou zonder zijn weten zijn gebruikt en hij stelt slachtoffer te zijn van fraude en misbruik van persoonsgegevens. Klager was, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niet verschenen bij de behandeling op 19 mei 2026. De officier van justitie, mr. K. van der Schaft, werd gehoord en voerde primair aan dat de rechtbank onbevoegd zou zijn en dat het ingediende stuk geen klaagschrift is; subsidiair verzocht hij het klaagschrift ongegrond of klager niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank oordeelde eerst over haar bevoegdheid. Zij constateerde dat art. 5.5.18 Sv artikel 552a Sv van toepassing verklaart; uit art. 552a lid 3 en 4 volgt dat, bij afwezigheid van een in Nederland ingestelde vervolging, de rechtbank in het arrondissement waar de inbeslagneming heeft plaatsgevonden bevoegd is. Nu de inbeslagname in Amsterdam heeft plaatsgevonden en geen Nederlandse vervolging aan de orde is, verklaarde de rechtbank zich bevoegd om van het klaagschrift kennis te nemen – in afwijking van het primaire standpunt van het OM.
Ten aanzien van ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling stelde de rechtbank vast dat klager schriftelijk was geïnformeerd over de inbeslagneming en rechtsmiddelen (kennisgeving beklagrecht ex art. 552a Sv). De rechtbank citeerde de per e-mail door klager gezonden mededeling, maar oordeelde dat deze mededeling niet voldoet aan de vereiste van ‘schriftelijk beklagen’ zoals bedoeld in art. 552a Sv. De e-mail bevat volgens de rechtbank enkel een verklaring dat klager de gelden niet als van hem erkent en een mededeling dat hij slachtoffer van fraude is, zonder te blijken dat het een klaagschrift is gericht tegen de inbeslagneming, de voortduring daarvan of om opheffing/teruggave te vragen. Zelfs met terughoudende interpretatie kon niet worden aangenomen dat daarin een beklag in de zin van artikel 552a Sv lag besloten.
Gelet op het ontbreken van de minimaal vereiste inhoud verklaarde de rechtbank klager niet-ontvankelijk in het beklag. De beschikking (beslissing tot niet-ontvankelijkheid) werd openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. M. Westerman (voorzitter), met mevr. L. Baroud en C.M.S. Loven als rechters; griffiers mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
"Klager niet-ontvankelijk. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de door klager toegezonden e-mail geen klaagschrift is in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 011954-26
Datum beschikking: 2 juni 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift **ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering **van:
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteland] (geboorteplaats onbekend), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 15 april 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 19 mei 2026 het klaagschrift behandeld. De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is, hoewel daartoe op de juiste wijze opgeroepen, niet verschenen.
2 Feiten en omstandigheden
De Belgische autoriteiten hebben door middel van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 6 januari 2026 verzocht om bevriezing van (de tegoeden tot een bedrag van € 67.013,- op) de Duitse virtuele bankrekening op naam van klager en in beheer bij [naam bedrijf] te Amsterdam. Dit in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klager ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EBB.
Op 14 januari 2026 is ter uitvoering van het EBB – op grond van artikel 5.5.15 in combinatie met artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – in Amsterdam in beslag genomen onder klager:
- het saldo/tegoed op rekeningnummer met [rekeningnummer] , in ieder geval ter hoogte van € 67.013,-.
3 Inhoud klaagschrift en standpunt klager
Het klaagschrift betreft de enkele mededeling van klager dat hij het tegoed op de bankrekening niet erkent als aan hem toebehorend. De bankrekening zou zonder zijn wetenschap en toestemming zijn gebruikt. Klager stelt slachtoffer te zijn van fraude.
4 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om het klaagschrift te behandelen. Het betreft namelijk enkel een mededeling van klager en geen klaagschrift. Immers wordt niet geklaagd over de inbeslagneming, over het voortduren van het beslag, over de wijze van tenuitvoerlegging of dat het beslag onrechtmatig is. Ook wordt niet verzocht om opheffing dan wel teruggave van het beslag. Subsidiair moet het klaagschrift gelet op voornoemde ongegrond worden verklaard. Meer subsidiair moet klager niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat in het klaagschrift nergens om wordt verzocht.
5 Het oordeel van de rechtbank
In artikel 5.5.18 Sv is voor klaagschriften die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel artikel 552a Sv zonder enig voorbehoud van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat uit artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen in een Nederlandse strafzaak de vervolging is ingesteld (derde lid) of, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, de rechtbank van het arrondissement waarbinnen inbeslagneming is geschied (vierde lid). Nu in deze zaak geen sprake is van een vervolging in Nederland en de inbeslagneming heeft plaatsgevonden in Amsterdam, is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat zij bevoegd is van het klaagschrift kennis te nemen.
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een kennisgeving beklagrecht ex artikel 552a Sv bevindt. Klager is middels de brief op de hoogte gebracht van de inbeslagname, waarbij melding wordt gemaakt van rechtsmiddelen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat klager via het in de brief genoemde e-mailadres voor het instellen van een klaagschrift de volgende mededeling heeft gedaan:
“
Bij de beoordeling van het klaagschrift moet de rechtbank bezien of aan de vereisten is voldaan zoals opgenomen in artikel 552a Sv. Volgens artikel 552a Sv moet allereerst sprake zijn van het ‘schriftelijk beklagen’ door de belanghebbende. In het schrijven waarmee klager zich tot de rechtbank heeft gewend, is daarvan geen sprake. In de tekst van de e-mail leest de rechtbank niet dat sprake is van een schriftelijk beklag over inbeslagneming, maar enkel een mededeling dat klager de gelden niet als de zijne erkent en dat hij slachtoffer is geworden van fraude. Zelfs met enige goede wil valt niet uit dat schrijven af te leiden dat er sprake is van ‘het zich beklagen’. Daarmee voldoet het klaagschrift niet aan de minimumvereisten zoals opgenomen in artikel 552a Sv.
De rechtbank kan daarom niet anders dan concluderen dat de door klager toegezonden e-mail geen klaagschrift is in de zin van artikel 552a, eerste lid, Sv. Gelet hierop zal de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaren in het beklag.
6 Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 2 juni 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers,