ECLI:NL:RBAMS:2020:3457 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2020 / C/13/669256 / HA ZA 19-768
Samenvatting
Rechtbank Amsterdam, sector civiel (vonnis 8 juli 2020, C/13/669256 / HA ZA 19-768). Partijen: gedaagde ABN AMRO Bank N.V. (gevestigd te Amsterdam) en eiseres [eiseres] (klant van ABN AMRO, woonachtig te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.A. Hupkes).
Feiten: [eiseres] had vier rekeningen bij ABN AMRO (privé en zakelijk) en gebruikte internetbankieren. Op 22 oktober 2018 werd zij telefonisch benaderd door een Engelssprekende vrouw die zich voordeed als [naam 1] van beleggingsmaatschappij Get Financial. In eerste instantie stortte eiseres €250 aan PPRO Financial Limited en installeerde op verzoek van [naam 1] het remote‑software AnyDesk, waardoor externe toegang tot haar pc mogelijk werd. Later maakte zij nog een betaling van €4.737,37 over; eind oktober 2018 was in totaal €98.877,64 van haar rekeningen naar PPRO Financial Limited overgemaakt. Eiseres deed op 14 november 2018 aangifte van beleggingsfraude en verzocht ABN AMRO op 15 november 2018 om vergoeding. ABN AMRO wees op 22 november 2018 een verzoek tot schadevergoeding af en motiveerde dat eiseres derden toegang tot haar pc had verschaft en daarmee veiligheidsregels voor elektronisch bankieren had geschonden; de betalingen waren telkens met haar betaalpas/pasnummer en vanaf haar computer gesigneerd met haar e.dentifier.
Procedureslag: eiseres vorderde betaling van €101.037,64 (vergoeding plus rente over €98.877,64 vanaf 25 januari 2019) en proceskosten. Zij stelde dat ABN AMRO haar zorgplicht had geschonden door niet te waarschuwen voor deze specifieke nieuwe fraudemethode. ABN AMRO betwistte aansprakelijkheid en voerde onderzoek in haar systemen aan waaruit volgt dat betalingen vanaf het IP‑adres van eiseres, met gebruik van haar pas en e.dentifier, afzonderlijk zijn geaccordeerd.
Bewijsmiddelen en technische rapportage: eiseres liet technisch onderzoek doen door de heer [naam 2]. Die concludeerde dat op transactiedata het gebruik van AnyDesk zichtbaar was en schetste als meest waarschijnlijke scenario dat fraudeurs via AnyDesk inlogden, via een andere pc iDEAL‑betalingen klaarszetten en eiseres via haar scherm op een betaling klikte terwijl andere betalingen onzichtbaar werden uitgevoerd; dat scenario bleef echter niet met zekerheid vast te stellen. ABN AMRO's eigen onderzoek toonde afzonderlijke invoer en accordering per betaling met minuten ertussen, wat naar haar zeggen uitsluit dat alle betalingen in één grote set zijn uitgevoerd.
Beoordeling rechtbank: de rechtbank herhaalt dat banken een bijzondere zorgplicht hebben jegens klanten, waaronder waarschuwen voor fraude, maar dat de reikwijdte van die plicht afhangt van concrete omstandigheden en van duidelijkheid over de gehanteerde fraudewijze. Omdat onzekerheid bestond over de precieze wijze waarop eiseres is opgelicht en ABN AMRO gemotiveerd betwistte dat de betalingen onzichtbaar in één set zijn verricht, rustte op eiseres als vorderingsteller de stelplicht en bewijslast (art. 150 Rv). Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd dat zij slechts enkele betalingen heeft geaccordeerd of dat de overige betalingen zonder haar (zichtbare) toestemming zijn verricht. De technische uitleg van haar deskundige bleef onzeker en toonde onvoldoende aan dat ABN AMRO had moeten (kunnen) waarschuwen voor juist dié modaliteit van fraude.
Conclusie en dispositief: de vorderingen van eiseres worden afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ABN AMRO, begroot op €7.444,00 (griffierecht €4.030, salaris advocaat €3.414), en in eventueel na dit vonnis ontstane kosten zoals nader specificeerd. Het kostenveroordeling‑deel is uitvoerbaar bij voorraad.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Eiseres vordert schadevergoeding van de bank nadat zij online is opgelicht. De wijze waarop eiseres is opgelicht blijft onduidelijk. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of de bank haar zorgplicht heeft geschonden.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/669256 / HA ZA 19-768
Vonnis van 8 juli 2020
in de zaak van
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en ABN AMRO worden genoemd.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2019, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 12 februari 2020, waarin een comparitie van partijen is gelast,
- het proces-verbaal van de skype-behandeling van 26 mei 2020 en de daarin genoemde stukken.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1. [eiseres] is klant bij ABN AMRO. Zij heeft daar vier rekeningen, waaronder privé- en zakelijke rekeningen. [eiseres] maakt gebruik van internetbankieren van ABN AMRO.
2.2. Op 22 oktober 2018 wordt [eiseres] telefonisch benaderd door een Engelssprekende vrouw die zich voorstelt als [naam 1] (hierna: [naam 1] ), werkzaam bij een beleggingsmaatschappij genaamd Get Financial.
2.3. [naam 1] vraagt [eiseres] of zij geïnteresseerd zou zijn in het beleggen van een bedrag in aandelen. [eiseres] is geïnteresseerd en besluit om € 250,00 te beleggen in aandelen.
2.4. [eiseres] maakt het bedrag tijdens het telefoongesprek met [naam 1] over aan PPRO Financial Limited. Op verzoek van [naam 1] installeert [eiseres] eerst bepaalde software, genaamd AnyDesk. Aan de hand van deze software kan de bediening van een computer op afstand worden overgenomen. Voor elke individuele “Anydesk” sessie dient [eiseres] opnieuw toestemming te geven. [eiseres] gaat vervolgens op haar computer naar haar internetbankieren en zet het bedrag klaar om over te maken. Zij bevestigt de betaling daarna op haar e.dentifier en maakt het bedrag over.
2.5. [eiseres] onderhoudt in de periode daarna op regelmatige basis contact met [naam 1] . Zij besluit op een later moment nog een bedrag van € 4.737,37 over te maken aan PPRO Financial Limited.
2.6. Eind oktober is er in totaal € 98.877,64 overgemaakt van haar privé- en zakelijke rekeningen aan PPRO Financial Limited.
2.7. [eiseres] doet op 14 november 2018 aangifte bij de politie van beleggingsfraude. [eiseres] gaat op 15 november 2018 langs bij ABN AMRO en vraagt hen of zij de schade kunnen vergoeden.
2.8. Op 22 november 2018 ontvangt [eiseres] een brief van ABN AMRO, betreffende ‘afwijzing schadevergoeding fraude met uw rekeningnummers’. Deze brief houdt, voor zover hier relevant, het volgende in: “(…) **Welke schade heeft u aan ons opgegeven? ** Er is op uw rekening (…) een schade ontstaan van EUR 19.825,69 en op rekening (…) is er een schade ontstaan van EUR 89.402,90. U geeft aan dat deze schade is ontstaan doordat u derden toegang heeft verschaft tot uw PC en dat zij betalingen hebben verricht.
Waarom gaan wij de schade niet uitkeren?
Uit eigen onderzoek en wat er uit het Proces Verbaal is op te maken heeft u derden toegang laten verschaffen tot uw computer. Daarmee heeft u zich niet aan de veiligheidsregels gehouden voor elektronisch bankieren.
Tevens zijn alle betalingen gesigneerd met uw betaalpas (…) pasnummer (…) ten name van Drs [eiseres] en vanaf uw eigen computer. De betalingen zijn op verschillende dagen ingevoerd en er is ingelogd met uw eigen pas en vanaf uw eigen computer. (…)” 2.9.De (voormalig) advocaat van [eiseres] heeft op 10 januari 2019 een brief gestuurd aan ABN AMRO waarin hij uiteenzet waarom ABN AMRO toch de schade dient te vergoeden. ABN AMRO heeft hier op 30 januari 2019 per brief op gereageerd. ABN AMRO houdt daarin vast aan afwijzing van enige vergoeding van de schade.
2.10. [eiseres] heeft haar computer technisch laten onderzoeken door een specialist, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] heeft op 20 mei 2019 per e-mail zijn bevindingen doorgegeven aan de advocaat van [eiseres] . In de e-mail staat, voor zover hier relevant, het volgende: “Allereerst de logins op de PC d.m.v. Anydesk info 2018-10-25 (…) info 2018-10-26 (…) info 2018-10-26 (…) info 2018-10-31 (…) info 2018-10-31 (…) info 2018-11-05 (…) info 2018-11-06 (…) info 2018-11-30 (…)
Op de data van de transacties is dus ingelogd. (…)
Op de data van de transacties zijn er betalingen verricht via ideal. Behalve een latere betaling die is via ICS gegaan.
(…) Hierdoor lijkt het volgende scenario het meest waarschijnlijke:
- Mevrouw [eiseres] wordt gebeld en gevraagd of ze AnyDesk wil opstarten;
- De fraudeurs loggen via AnyDesk in op de computer van mevrouw [eiseres] ;
- Via Google Chrome wordt er naar de website van getfinanciel.com gegaan;
- Via een andere PC zetten de fraudeurs een betaling met Ideal klaar;
- Via de PC van mevrouw [eiseres] wordt op de ideal betaling geklikt;
- Via een babbeltruc wordt mevrouw [eiseres] verleidt om de codes te geven;
- Het geld is nu overgeschreven. (…)”
3 Het geschil
3.1. [eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ABN AMRO veroordeelt tot betaling van € 101.037,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 98.877,64 vanaf 25 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en ABN AMRO veroordeelt in de proceskosten.
3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten te waarschuwen voor de specifieke nieuwe vorm van fraude waar [eiseres] slachtoffer van is geworden. Dat ABN AMRO nog niet voor deze fraude waarschuwt dient voor haar rekening en risico te komen. ABN AMRO is dan ook gehouden de schade van [eiseres] te vergoeden.
3.3. ABN AMRO voert verweer.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Partijen verschillen van mening over de vraag wie gehouden is de door [eiseres] geleden schade te dragen.
4.2. De rechtbank stelt voorop dat banken vanwege hun maatschappelijke positie een (bijzondere) zorgplicht hebben tegenover hun klanten. De zorgplicht van banken strekt mede ter bescherming van de klant tegen eigen lichtvaardig en gebrek aan kunde. De reikwijdte van de zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een van die omstandigheden is de mate waarin en de wijze waarop de bank waarschuwt voor een bepaalde wijze van fraude.
4.3. Alvorens de rechtbank toekomt aan de vraag of ABN AMRO afdoende heeft gewaarschuwd voor de vorm van fraude dient eerst vast te komen staan op welke wijze [eiseres] nu precies is opgelicht. Immers, de rechtbank kan niet beoordelen of ABN AMRO heeft voldaan aan haar zorgplicht als niet duidelijk is waarvoor zij moet waarschuwen.
4.4. [eiseres] heeft ter zitting aangevoerd dat zij slechts twee betalingen heeft geaccordeerd en dat tijdens de eerste overboeking ineens het icoon van AnyDesk op haar computer verscheen. In de dagvaarding staat evenwel opgenomen dat [eiseres] drie keer een bedrag heeft geaccordeerd en dat zij op verzoek van [naam 1] AnyDesk op haar computer heeft geïnstalleerd. [eiseres] kan niet verklaren hoe het restant van het geld is overgeschreven en heeft daarom haar computer door [naam 2] laten onderzoeken. [naam 2] kan echter ook niet met zekerheid zeggen wat er precies is gebeurd. Hij acht het meest waarschijnlijke scenario dat [eiseres] heeft beoogd een bepaald bedrag te accorderen en dat de oplichters gelijktijdig op een tweede, niet voor [eiseres] zichtbaar scherm, een set aan betalingen hebben klaargezet via iDeal (zie hiervoor onder 2.10).
4.5. ABN AMRO betwist dat de betalingen in een grote set zijn overgeschreven. ABN AMRO heeft onderzoek gedaan naar de fraude in haar eigen systemen en met die aanvullende informatie heeft zij een completer beeld van de fraude gekregen dan [naam 2] op basis van zijn informatie kon krijgen. Uit het onderzoek van ABN AMRO is gebleken dat alle betalingen vanaf het IP-adres van [eiseres] zijn verzonden, met gebruikmaking van haar betaalpas en pasnummer en gesigneerd met haar e.dentifier. De betalingen zijn ieder apart geaccordeerd. Tussen iedere betaling zitten minuten en om die reden is het niet mogelijk dat alles in een grote set is overgemaakt. Dat betekent, aldus steeds ABN AMRO, dat [eiseres] elke betaling steeds moet hebben geaccordeerd met haar e.dentifier.
4.6. Niet is komen vast te staan op welke wijze [eiseres] precies is opgelicht. Volgens [eiseres] heeft zij niets meer gedaan na de eerste betalingen. Dat wordt evenwel niet ondersteund door de bevindingen van [naam 2] . Volgens hem heeft [eiseres] steeds AnyDesk moeten opstarten en codes moeten geven. Namens [eiseres] is op basis van het onderzoek van [naam 2] gesteld dat er betalingen zijn klaargezet die [eiseres] niet kon zien en dat zij is verleid om een andere betaling te doen en vervolgens ook andere op afstand aan gemaakte buiten beeld blijvende betalingen worden verzonden. Volgens ABN AMRO blijkt dat laatste niet uit het door haar gedane onderzoek. Nu [eiseres] zich beroept op het rechtsgevolg (schadevergoeding) draagt zij, conform de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de stelplicht en bewijslast van haar stellingen. Bij gemotiveerde betwisting door ABN AMRO van de stellingen van [eiseres] dient zij dan ook nader te onderbouwen dat zij is opgelicht op de wijze zoals door haar is gesteld. Nu zij dit heeft nagelaten is dat niet komen vast te staan. [eiseres] heeft de onduidelijkheid over de wijze van oplichting ook op zitting niet weten op te helderen.
4.7. De vorderingen van [eiseres] zullen, gelet op het vorenstaande, worden afgewezen.
4.8. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:
- griffierecht€ 4.030,00
- salaris advocaat€
3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00) Totaal€ 7.444,00
5 De beslissing
De rechtbank:
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 7.444,00,
5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Hall, rechter, bijgestaan door mr. Z.S. Lintvelt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2020.