ECLI:NL:PHR:2026:881 Parket bij de Hoge Raad , 15-09-2026 / 26/02439
Samenvatting
Procureur‑Generaal B.F. Keulen bij de Hoge Raad vordert cassatie in het belang der wet tegen het vonnis van de Rechtbank Oost‑Brabant van 30 januari 2026 (parketnrs. 01‑332654‑22 en 01‑003372‑22). De zaak betreft de verdachte [naam in dossier: [verdachte], geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982], die onder het eerste parketnummer is bewezenverklaard voor belaging en onder het tweede parketnummer voor smaadschrift (feit 1) en vernielen/beschadigen van enig goed (feit 2). De rechtbank heeft de verdachte schuldig verklaard maar geen straf opgelegd, het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, schadevergoeding toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tegen dit vonnis is geen gewoon rechtsmiddel gevoerd; de Procureur‑Generaal brengt daarom een vordering tot cassatie in het belang der wet krachtens art. 78 lid 1 RO jo. art. 456 Sv.
Kernvraag van de vordering is juridisch: brengt artikel 38 derde lid Sr — dat bepaalt dat bij TBS met voorwaarden naast die maatregel maximaal vijf jaar vrijheidsstraf mag worden opgelegd — ook een beperking met zich mee voor de mogelijkheid en de maximale hoogte van een gevangenisstraf die bij een latere, zelfstandige berechting onder toepassing van artikel 63 Sr (oud) kan worden opgelegd?
Feiten relevant voor de toetsing: de verdachte was op 16 oktober 2024 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en TBS met voorwaarden. De Rechtbank Oost‑Brabant overwoog bij de latere veroordeling dat artikel 38 lid 3 Sr zich, gelet op artikel 63 Sr, tegen oplegging van een vrijheidsstraf in de onderhavige zaak verzet — met de conclusie dat geen (extra) straf werd opgelegd (toegepast als een vorm van rechterlijk pardon), mede gelet op de detentie‑ en klinische situatie van de verdachte.
De Procureur‑Generaal betoogt dat die rechtsopvatting onjuist is. Hij verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 19 april 2005 en HR 15 april 2008) waarin is uitgelegd dat art. 63 (oud) Sr ertoe strekt de maximale tijdelijke gevangenisstraf te begrenzen die de tweede rechter kan opleggen indien feiten met eerdere veroordelingen zouden zijn samengevoegd, maar niet tot gevolg heeft dat overige beperkingen of samenvoegingsverboden uit de eerste zaak automatisch doorwerken in de tweede zaak. Concreet houdt art. 63 (oud) in dat de tweede rechter moet nagaan wat het maximum aan tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest bij gezamenlijke berechting en dat hij geen hogere straf mag opleggen dan dat maximum verminderd met de reeds opgelegde straf. Dat betekent volgens de PG dat slechts een beperking van het maximale aantal jaren vrijheidsstraf doorwerkt, niet een verbod om überhaupt een vrijheidsstraf op te leggen op grond van bijvoorbeeld de speciale samenstelregels rond TBS met voorwaarden (art. 38 Sr).
De Procureur‑Generaal onderbouwt dat de wetsgeschiedenis van art. 38 lid 3 Sr (oorspronkelijk max. 1 jaar, later 3 en thans 5 jaren) laat zien dat de beperking primair is ingegeven door bezwaren tegen een te lange voorafgaande detentie die de bereidheid tot behandeling onder TBS met voorwaarden zou schaden, en niet is bedoeld om bij latere berechting de strafbevoegdheid van een rechter in algemene zin te blokkeren. Ook eerdere HR‑uitspraak inzake de ISD‑maatregel illustreert dat combinatieverboden of regime‑specifieke beperkingen niet simpelweg via art. 63 in een later vonnis gaan doorwerken.
Voorts merkt de Procureur‑Generaal op dat de rechtbank zelf omstandigheden aanvoerde (detentie‑ en klinieksetting) die het motiveren van geen straf op te leggen rechtvaardigen, maar dat de onjuiste rechtsopvatting dat art. 38 lid 3 Sr een oplegging van vrijheidsstraf in de tweede zaak zou blokkeren de uitkomst mede heeft bepaald. Daarom is volgens de PG cassatie in het belang der wet geboden. Hij wijst nog op de wetgevingwijziging van 1 juli 2026 die art. 63 Sr heeft aangepast en op de overgangsbepalingen, maar stelt dat die wijziging hier geen toepasselijkheid verandert voor de onderhavige feiten en eerdere veroordeling.
De vordering van de Procureur‑Generaal is kort samengevat: schending van het recht, in het bijzonder art. 63 (oud) en art. 38 lid 3 Sr, doordat de rechtbank ten onrechte meende dat art. 38 lid 3 Sr zich, gelet op art. 63 (oud) Sr, tegen oplegging van een vrijheidsstraf in deze zaak verzet; en op die grond verzoekt de Procureur‑Generaal de Hoge Raad het vonnis van 30 januari 2026 in het belang der wet te vernietigen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vordering tot cassatie in het belang der wet m.b.t. de vraag of het voorschrift van art. 38.3 Sr, inhoudend dat naast TBS met voorwaarden maximaal vijf jaar gevangenisstraf mag worden opgelegd, ook gevolgen heeft voor de mogelijkheid om bij een volgende berechting een gevangenisstraf op te leggen en voor de maximale hoogte van die gevangenisstraf. De AG concludeert dat uit de tekst van art. 63 (oud) Sr en de wetsgeschiedenis van art. 38.3 Sr volgt dat art. 38.3 Sr de mogelijkheid om bij een latere berechting gevangenisstraf op te leggen en de hoogte daarvan niet inperkt.
Uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/02439 CW
Zitting15 september 2026
VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte
Inleiding
- Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een vonnis van 30 januari 2026 van de rechtbank Oost-Brabant (parketnrs. 01-332654-22 en 01-003372-22), waarbij de verdachte wegens onder parketnummer 01-332654-22 ‘belaging’ en onder parketnummer 01-003372-22 feit 1. ‘smaadschrift’ en feit 2. ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen’ schuldig is verklaard zonder oplegging van straf. De rechtbank heeft daarbij het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
- Tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het onherroepelijk is geworden. Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk op grond van art. 78, eerste lid, RO jo. art. 456 Sv.
Aanleiding vordering tot cassatie in het belang der wet
3. De vraag die in deze vordering tot cassatie in het belang der wet centraal staat, is of het voorschrift van art. 38, derde lid, Sr, inhoudend dat (kort gezegd) naast TBS met voorwaarden maximaal vijf jaar gevangenisstraf mag worden opgelegd, ook gevolgen heeft voor de mogelijkheid om bij een volgende berechting een gevangenisstraf op te leggen en voor de maximale hoogte van die gevangenisstraf.
Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant
4. De vordering tot cassatie in het belang der wet houdt verband met de volgende overwegingen onder het kopje ‘Oplegging van straf’ in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant:
‘
De hiervoor genoemde veroordeling heeft gevolgen voor de strafoplegging van de thans bewezenverklaarde feiten, omdat deze feiten op grond van het bepaalde in artikel 63 Sr gelijktijdig met die afgedane zaak berecht hadden kunnen worden. De achterliggende grondgedachte hiervan is dat de verdachte hierdoor het voordeel dat de samenloopbepalingen hem bij gelijktijdige berechting zou hebben geboden, is misgelopen. De rechter moet dan ook als het ware met terugwerkende kracht oordelen in hoeverre de eerdere strafoplegging doorwerkt in de strafoplegging van de feiten die gelijktijdig berecht hadden kunnen worden. Nu verdachte op 16 oktober 2024 tot een maximale combinatie van een maatregel en een vrijheidsstraf is veroordeeld, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor oplegging van een vrijheidsbenemende straf voor de thans bewezenverklaarde feiten. Artikel 38 lid 3 Sr verzet zich in dit geval tot oplegging van een vrijheidsstraf.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld en gegeven de huidige (detentie) en aanstaande (kliniek) setting van verdachte, zal de rechtbank bepalen dat aan verdachte geen enkele straf zal worden opgelegd. De rechtbank acht in de geschetste omstandigheden de oplegging van enige (extra) straf opportuun noch wenselijk.’
Juridisch kader en wetsgeschiedenis
5. Art. 63 Sr luidde ten tijde van het wijzen van het vonnis als volgt:
‘Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.’
6. Uw Raad heeft zich in een arrest van 19 april 2005 over de interpretatie van art. 63 Sr uitgelaten. Het hof had de verdachte op 18 november 2003 schuldig verklaard aan een groot aantal ernstige vermogensmisdrijven en bepaald dat geen straf of maatregel werd opgelegd. De verdachte was bij onherroepelijk geworden vonnis van 8 mei 2001 wegens onder meer het medeplegen van moord al tot 20 jaren gevangenisstraf veroordeeld, en in een andere strafzaak bij onherroepelijk geworden arrest tot 6 jaren gevangenisstraf wegens gewapende overvallen. De advocaat-generaal had gevorderd dat de verdachte tot levenslang werd veroordeeld; een straf die het hof bij gezamenlijke berechting van de vermogensmisdrijven met het medeplegen van moord had kunnen opleggen. Het hof was van oordeel dat het inderdaad een levenslange gevangenisstraf zou kunnen opleggen, maar zag daarvan af. Het eerste middel bevatte de klacht dat het oordeel van het hof dat het onwenselijk was aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen zonder nadere motivering onbegrijpelijk was; het tweede middel bevatte de klacht dat de beslissing om geen straf of maatregel op te leggen onbegrijpelijk was. Uw Raad overwoog inzake beide middelen onder meer het volgende:
‘3.5. De middelen gaan - evenals het Hof in bovenstaande overwegingen - ervan uit dat het Hof in de onderhavige zaak gelet op art. 63 in verbinding met art. 57 Sr een levenslange gevangenisstraf had kunnen opleggen. Hoewel de tekst van de wet zich daartegen op zichzelf niet verzet, is die opvatting niettemin, in aanmerking genomen de ratio van bedoelde wettelijke regeling, onjuist. Immers, art. 63 in verbinding met art. 57, tweede lid, Sr strekt ertoe het maximum van de vrijheidsstraf die de rechter die het tweede vonnis of arrest wijst (verder ook: de tweede rechter) kan opleggen, te beperken en niet daartoe dat die rechter in het gegeven geval een hogere straf zou kunnen opleggen dan de maximumstraf die ter zake van de door hem berechte feiten kan worden toegepast.
3.6. Bedoelde wettelijke regeling komt dus daarop neer dat de tweede rechter, die voor het (de) door hem berechte feit(en) in de eerste plaats gebonden is door het daarvoor geldende strafmaximum - zulks in het gegeven geval met toepassing van de samenloopbepalingen - voorts met een nadere beperking van zijn straftoemetingsvrijheid betreffende vrijheidsstraffen wordt geconfronteerd. Hij zal immers rekening moeten houden met de strafbare feiten ter zake waarvan de eerste rechter de verdachte heeft veroordeeld en met de door deze opgelegde straf in die zin dat: a) moet worden nagegaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de door de eerste rechter opgelegde straf.
3.7. Toepassing van het voorgaande op het onderhavige geval leidt tot de slotsom: i) dat het Hof ter zake van de hiervoor onder 1 vermelde feiten geen levenslange gevangenisstraf kon opleggen omdat die feiten niet met die straf zijn bedreigd doch met een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 16 jaar, terwijl ii) nu het eerste vonnis een veroordeling inhield tot een gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaren, art. 63 in verbinding met art. 57, eerste lid, Sr meebrengt dat het Hof - mede gelet op art. 10, vierde lid, Sr dat bepaalt dat de tijdelijke gevangenisstraf in geen geval de tijd van twintig jaren te boven gaat - aan de verdachte geen gevangenisstraf meer kon opleggen.’
7. Uit deze uitspraak valt af te leiden dat bij de tweede berechting het maximum aan tijdelijke gevangenisstraf in acht moet worden genomen dat van toepassing zou zijn geweest bij gezamenlijke berechting. Uit deze uitspraak volgt niet dat ook andere beperkingen van de mogelijkheid om in de eerste strafzaak straffen en maatregelen op te leggen, doorwerken in de tweede strafzaak. Dat deze beperkingen niet doorwerken, blijkt uit de overwegingen van Uw Raad in een arrest van 15 april 2008.
‘4.1. Het middel klaagt dat de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) in strijd is met art. 63 Sr. Hoewel de oplegging van die maatregel, gelet op de gegrondheid van het eerste middel niet in stand kan blijven, ziet de Hoge Raad niettemin aanleiding ook het tweede middel te bespreken.
4.2. Het te dezen toepasselijke art. 63 (oud) Sr luidt als volgt: "Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting van toepassing."
4.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld: a. noch art. 38m Sr noch enig ander voorschrift van de derde afdeling van Titel IIA van Boek I van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat de ISD-maatregel kan worden gecombineerd met straffen, zodat moet worden aangenomen dat de strafrechter niet tegelijkertijd een ISD-maatregel en een straf kan opleggen (vgl. HR 21 maart 2006, LJN AV1161, NJ 2006, 223); b. art. 63 (oud) Sr bepaalt ten aanzien van achtereenvolgende veroordelingen in verschillende strafzaken slechts dat in het daar nader omschreven geval de bepalingen van Titel VI van Boek I van het Wetboek van Strafrecht (art. 55-62) van toepassing zijn, zodat reeds daarom aan genoemd art. 63 (oud) niet de gevolgtrekking kan worden ontleend dat indien iemand na een eerdere veroordeling opnieuw wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit vóór die eerdere veroordeling gepleegd, art. 38m Sr of enig ander voorschrift van de derde afdeling van Titel IIA van Boek I (mede) van toepassing zou zijn.
4.4. Gelet hierop is art. 63 (oud) Sr niet van toepassing bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de oplegging van een ISD-maatregel na de eerdere oplegging van een (gevangenis)straf. 8. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis rekening gehouden met art. 38, derde lid, Sr. Het eerste en derde lid van art. 38 Sr luiden als volgt:
‘1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
(…)
3. Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd, kan deze in het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval ten hoogste op vijf jaar worden bepaald.’
9. Uit de overwegingen van Uw Raad in het arrest van 15 april 2008 kan naar het mij voorkomt reeds worden afgeleid dat en waarom ook de beperking van de mogelijkheid om gevangenisstraf op te leggen die uit art. 38, derde lid, Sr voortvloeit, niet van toepassing is bij een nieuwe berechting. Zoals, om nog een voorbeeld te noemen, de omstandigheid dat een politierechter een jaar gevangenisstraf heeft opgelegd de politierechter bij een volgende berechting, waarbij art. 63 Sr van toepassing is, ook niet in zijn bestraffingsmogelijkheden beperkt.
10. Art. 38 Sr is ingevoerd in 1988; het maximum van de vrijheidsstraf die in dit geval kon worden opgelegd was destijds een jaar.
‘In de nieuwe regeling is ook het voorstel van de commissie-Van der Horst overgenomen om de duur van de gevangenisstraf die, in geval van opschorting van de verpleging van overheidswege, naast de maatregel kan worden opgelegd, te beperken tot ten hoogste één jaar (een straf van langere duur is altijd onvoorwaardelijk): zie het ontworpen artikel 38, derde lid. Dit heeft mede tot gevolg, dat de verdachte van een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, bij veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan een jaar niet tevens ter beschikking zal kunnen worden gesteld.’
12. Het rapport van de commissie-Van der Horst hield het volgende in:
‘De commissie heeft ten slotte overwogen dat het niet juist zou zijn, indien de voorwaardelijke terbeschikkingstelling „nieuwe stijl" gecombineerd zou worden met een gevangenisstraf van betrekkelijk lange duur. De rechter zou dan te lang tevoren moeten beslissen, dat het belang van de openbare orde met ambulante behandeling van de delinquent voldoende gewaarborgd zal zijn. De commissie meent dat de duur van een gevangenisstraf die naast een voorwaardelijke terbeschikkingstelling wordt opgelegd, beperkt zou kunnen worden tot één jaar, de duur die ook ingeval van voorwaardelijke veroordeling tot gevangenisstraf in de wet is neergelegd.’
13. De Nota over de terbeschikkingstelling van de Regering, waar dit rapport een bijlage bij was, bevatte de volgende passage:
‘Ook met het voorstel van de Commissie-Van der Horst om de duur van de gevangenisstraf die naast „voorwaardelijke" terbeschikkingstelling kan worden opgelegd, te beperken tot ten hoogste één jaar, kunnen de ondergetekenden zich verenigen.’
14. De maximering lijkt oorspronkelijk derhalve vooral bedoeld te zijn om te voorkomen dat de rechter een beslissing neemt waarvan hij niet weet of het op het moment van tenuitvoerlegging nog de meest adequate is. Op de mogelijkheid van een latere berechting waarbij art. 63 Sr van toepassing is, gaat de commissie niet in.
15. De verruiming naar drie jaar gevangenisstraf is in de jaren ’90 als volgt toegelicht:
‘In een eerder stadium is door het College van Procureurs-Generaal al een verlenging van de termijn van een jaar naar drie jaar bepleit. De fractie van D66 ondersteunde dit voorstel. Bij schrijven van de Geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum wordt opnieuw voor een verlenging van de termijn gepleit. Ik heb de regeling op dit punt opnieuw bezien en stel thans voor om de termijn van een jaar te vervangen door drie jaar. Door het Pieter Baan Centrum is een termijn van zes jaar genoemd. In het wetsvoorstel wordt bij de regeling van de TBS met voorwaarden, gelet op zwaarte en ingrijpendheid van de voorwaarden die kunnen worden gesteld, bereidheid van de betrokkene vereist. De mogelijkheid om naast de TBS met voorwaarden een gevangenisstraf van maximaal zes jaren op te leggen, kan met zich mee brengen dat de betrokkene voorafgaand aan de te starten behandeling een lange periode in detentie zou moeten doorbrengen. Hierdoor zou een zware claim op de motivatie en bereidheid tot behandeling worden gelegd. De door het openbaar ministerie voorgestelde termijn van drie jaar lijkt mij acceptabel in aanmerking genomen dat in veel gevallen er een verrekening van voorlopige hechtenis zal plaatsvinden en de geldende VI-regeling.’
16. De onderliggende gedachte lijkt inmiddels te zijn dat TBS met voorwaarden een motivatie en bereidheid tot behandeling vereist, en dat een langdurige gevangenisstraf daar een te zware wissel op trekt. Op de mogelijkheid van een latere berechting waarbij art. 63 Sr van toepassing is, gaat ook de toelichting op deze wijziging niet in.
17. De verhoging van de maximale gevangenisstraf die naast TBS met voorwaarden kan worden opgelegd naar vijf jaar is in de memorie van toelichting als volgt beargumenteerd:
‘5. Verhoging maximale gevangenisstraf
De tbs met voorwaarden kan op grond van artikel 38, tweede lid, Sr. worden opgelegd in combinatie met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar. De commissie erkent het probleem dat de maximumtermijn voor een gevangenisstraf, verbonden aan tbs met voorwaarden, beperkingen met zich meebrengt en adviseert om te komen tot een verhoging van drie naar vijf jaar. Dit advies is verwerkt in het onderhavige wetsvoorstel. Hierdoor kan de modaliteit van tbs met voorwaarden ook bij ernstiger delicten worden ingezet, waardoor aan de rechter meer ruimte wordt geboden. De rechter kan kiezen voor een langere gevangenisstraf dan thans het geval is, in combinatie met een tbs met voorwaarden. Zo kan een strafmodaliteit worden gecreëerd die beter is toegesneden op de betrokken persoon.
Een verdere verhoging (tot bijvoorbeeld zeven of tien jaar) zou in individuele gevallen te ver doorschieten. Na de voorwaardelijke invrijheidsstelling, volgt immers de terbeschikkingstelling, waarbij in het onderhavige wetsvoorstel ook is voorzien in een verlenging van de maximale duur van vier naar negen jaar. Indien de totale duur van de gevangenisstraf en de tbs-maatregel wordt overzien, moet er voor worden gewaakt de wettelijke termijnen niet onredelijk lang te maken. Ook in verhouding tot het resterende gevaar voor de maatschappij is een verdere verhoging van de maximale duur van de gevangenisstraf, niet te rechtvaardigen.
De regeling van de tbs met voorwaarden vereist de bereidheid van de betrokkene. De mogelijkheid om naast de tbs met voorwaarden een gevangenisstraf meer dan vijf jaren op te leggen, kan met zich mee brengen dat de betrokkene voorafgaand aan de te starten behandeling een te lange periode in detentie moet doorbrengen. Dit kan consequenties hebben voor de motivatie en de bereidheid tot behandeling. Alles overwegende zijn wij van mening dat een gevangenisstraf van maximaal vijf jaren een gerechtvaardigde keuze is, mede in het licht van een verrekening van de termijn van de voorlopige hechtenis en de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
In reactie op het voorontwerp van het onderhavige wetsvoorstel, vraagt de NVvR aandacht voor het feit dat het langer zal kunnen gaan duren voordat iemand wordt behandeld. Ook de Raad voor de rechtspraak en het openbaar ministerie wijzen er op dat een langere duur van de gevangenisstraf consequenties kan hebben voor de motivatie en de bereidheid tot behandeling van de betrokkene. Ook de RSJ constateert dat door de mogelijkheid om de tbs met voorwaarden te combineren met een langere gevangenisstraf dan thans mogelijk is, het formuleren van concrete voorwaarden op het moment van de veroordeling wordt bemoeilijkt. De RSJ stelt daarom voor om de behandeldoelstellingen in de voorwaarden formuleren, waarbij de rechter op een later moment in de rol van executierechter de voorwaarden nader kan invullen. Hiertoe zal het openbaar ministerie vóór het ontslag uit detentie de zaak opnieuw moeten aanbrengen, met een door de behandelaar in overleg met de tbs-gestelde uitgewerkt behandelplan.
De verhoging van de maximale gevangenisstraf van drie naar vijf jaar, zal inderdaad kunnen leiden tot een situatie waarbij het voor de rechter moeilijker wordt om passende voorwaarden te formuleren op het moment van veroordeling. Een dergelijk probleem kan de effectiviteit van de maatregel aantasten. Wij zien daarom aanleiding om het voorstel van de RSJ, waarbij de rechter op een later moment in de rol van executierechter de voorwaarden nader kan invullen, over te nemen. Wel stellen wij voor om dit te beperken tot die gevallen waarin de rechter daadwerkelijk een langere gevangenisstraf dan drie jaar oplegt. Bij een gevangenisstraf van drie jaar of korter, kan (vanwege de voorwaardelijke invrijheidsstelling) op dermate korte termijn overgegaan worden tot de tenuitvoerlegging van de tbs met voorwaarden, dat een nadere invulling van de voorwaarden door een executierechter onvoldoende toegevoegde waarde heeft.
De NVvR vraagt aandacht voor het probleem van het vinden van een behandelplek voor een tbs-gestelde, omdat zonder extra behandelplekken de mogelijkheden voor de rechter om een tbs met voorwaarden op te leggen, beperkt zullen blijven. Aan dit probleem zal aandacht worden besteed in het kader van de vernieuwing van de forensische zorg. Voor het overige verwijzen wij naar ons voorstel tot introductie van een acceptatieplicht.
De RSJ wijst op de komst van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in combinatie met een tbs met voorwaarden zal, na de beëindiging van de detentie en het begin van de maatregel, immers sprake zijn van twee afzonderlijke voorwaardelijke kaders. Wij verwachten dat de praktijk adequaat met deze samenloop zal kunnen omgaan, aangezien het openbaar ministerie bij het stellen van de bijzondere voorwaarden voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling rekening kan houden met de voorwaarden die in het kader van de tbs met voorwaarden aan de betrokkene zijn opgelegd.’
18. In deze passage keert de motivatie en de bereidheid tot behandeling als argument voor een beperking van de maximale duur van de tijdelijke gevangenisstraf terug, al wordt die afweging inmiddels wat anders gemaakt.
Enkele opmerkingen
19. Al met al volgt niet alleen uit de tekst van art. 63 (oud) Sr dat art. 38, derde lid, Sr de mogelijkheid om bij een latere berechting gevangenisstraf op te leggen en de hoogte daarvan niet inperkt. Ook de wetsgeschiedenis van art. 38, derde lid, Sr maakt niet aannemelijk dat de rechter de armslag van de rechter bij een latere berechting, waarbij art. 63 (oud) Sr van toepassing is, met deze bepaling heeft willen beperken.
20. De vraag kan nog rijzen in hoeverre de onjuiste toepassing van art. 63 (oud) Sr in combinatie met art. 38, derde lid, Sr de uitkomst van deze strafzaak heeft bepaald. De rechtbank oordeelt ‘oplegging van enige (extra) straf opportuun noch wenselijk’. Tegelijk koppelt de rechtbank dat evenwel aan ‘hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld en gegeven de huidige (detentie) en aanstaande (kliniek) setting van verdachte’. Het is ook ontegenzeggelijk waar dat oplegging van een vrijheidsstraf waar de wet dat volgens de rechtbank niet toelaat opportuun noch wenselijk is. Daarom houd ik het ervoor dat de onjuiste rechtsopvatting die uit de geciteerde overwegingen spreekt de uitkomst mee heeft bepaald.
21. Inmiddels is art. 63 Sr gewijzigd. Sinds 1 juli jongstleden luidt het artikel als volgt:
‘1. Indien iemand, nadat hij onherroepelijk tot straf is veroordeeld, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.
2. In het geval meer veroordelingen zijn uitgesproken, wordt enkel in aanmerking genomen de veroordeling waarbij de hoogste straf is opgelegd.
3. In het geval het strafbare feit waaraan iemand schuldig wordt verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, kan de rechter gemotiveerd beslissen om een op het eerste lid aanvullende gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan een derde van het op dat feit gestelde maximum, indien sprake is van een gegeven dat tijdens het opsporingsonderzoek of gedurende de fase van vervolging aan de officier van justitie of de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met feiten of omstandigheden het ernstige vermoeden had doen ontstaan dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het opleggen van vrijheidsstraf.’
22. Daarnaast zijn ook de artikelen 57 en 58 Sr gewijzigd: bij meerdaadse samenloop mag de straf – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan de helft boven het hoogste maximum uitgaan.’ 23. Artikel III van de Wet herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken voorziet in overgangsrecht. Het artikel luidt als volgt:
‘1. Deze wet heeft geen gevolgen voor de straf die ten hoogste kan worden opgelegd voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. Indien iemand na inwerkingtreding van deze wet wordt veroordeeld, wordt bij toepassing van artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht alleen de straf in aanmerking genomen die is opgelegd voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet. Als alleen straf is opgelegd voor feiten die na de inwerkingtreding van deze wet zijn begaan, vindt artikel 63 (nieuw) van het Wetboek van Strafrecht toepassing.’
24. Het gaat hier niet om een verandering van wetgeving die gunstiger is voor de verdachte (vgl. art. 1, tweede lid, Sr); de wetswijziging kan bij deze vordering buiten beschouwing blijven. Daarmee is niet gezegd dat het overgangsrecht geen vragen oproept die aan Uw Raad zouden kunnen worden voorgelegd.
Het cassatiemiddel en de vordering
25. In het belang der wet stel ik het volgende middel voor:
‘Schending van het recht, in het bijzonder art. 63 (oud) en art. 38, derde lid, Sr, doordat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 38, derde lid, Sr zich in deze zaak, gelet op de toepasselijkheid van art. 63 (oud) Sr, tegen oplegging van een vrijheidsstraf verzet.’
26. Op grond van het voorgaande vorder ik dat Uw Raad het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2026 in het belang der wet zal vernietigen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG