ECLI:NL:PHR:2026:877 Parket bij de Hoge Raad , 15-09-2026 / 26/01432
Samenvatting
Kern van de zaak Klaagster: [klaagster] B.V. (bedrijf te [plaats]) vordert op grond van art. 552a Sv jo. art. 5.5.18 Sv opheffing van conservatoir beslag en teruggave van twee auto’s (Tesla Model S [kenteken 1] en Tesla Model 3 [kenteken 2]). Beslag en vorderingen zijn verbonden aan een Europees bevriezingsbevel (EBB) van Belgische autoriteiten/EOM.
Belanghebbenden en procesgang
- Belgische autoriteiten / Belgisch EOM: gaven mondelinge opdracht; EBB geformaliseerd 7 feb 2025.
- Nederlandse Gedelegeerd Europees Aanklager (GEA): P.P.A.M. Notenboom. Hij voerde op verschillende momenten uiteenlopende processtandpunten. Op 10 feb 2025 vroeg de Nederlandse GEA bij de rechter‑commissaris (R‑C) in Rotterdam machtiging voor conservatoir beslag; die werd verleend.
- Klaagster werd op 5 feb 2025 in [plaats] doorzocht en goederen in beslag genomen.
- Advocaten van klaagster: mr. R. Jeronimus en mr. M. Verschoor (Amsterdam). Klaagschrift ingediend (akte vermeldt ontvangst volmacht 21 jan 2026; inlevering 22 jan 2026).
- Rechtbank Amsterdam (internationale rechtshulpkamer) behandelde het klaagschrift op 26 maart 2026 en verklaarde zich onbevoegd; verwees het klaagschrift naar rechtbank Noord‑Holland, zittingsplaats Haarlem.
- GEA stelde op 3 april 2026 cassatie in; A-G Frielink concludeert dat GEA niet‑ontvankelijk is in dat cassatieberoep.
Feiten en procesrechtelijke discussie
- Feitelijk stond vast (rechtbank en stukken) dat beslag is gelegd ter uitvoering van een Belgisch EBB (EBB‑verordening 2018/1805). Art. 5.5.18 Sv brengt klaagschriften tegen erkenning/tenuitvoerlegging van een EBB onder toepassing van diverse bepalingen van Titel IX (Beklag), met name art. 552a Sv, maar zonder expliciete toepassing van art. 552d lid 2 Sv.
- Vragen: welke rechtbank is bevoegd om het klaagschrift te behandelen (relatieve bevoegdheid)? En is cassatie tegen de beslissing mogelijk/ontvankelijk?
Bevoegdheidsopvattingen
- Klaagster (mr. Jeronimus): art. 552a lid 4 Sv is van toepassing nu in Nederland geen vervolging is ingesteld; bevoegd is de rechtbank van het arrondissement waar de inbeslagneming is geschied — naar haar oordeel dus rechtbank Amsterdam.
- Nederlandse GEA (repertoire tijdens raadkamer): verzet zich niet tegen behandeling door Amsterdam en wijst op concentratierechtbanken (art. 2 lid 3 Sv) en eerdere betrokkenheid van Amsterdamse R‑C; in schriftuur later in cassatie echter andere accenten. Relevante opmerking GEA: betrokkenheid R‑C en praktische overwegingen kunnen meebrengen dat meerdere rechtbanken bevoegd zijn.
- Rechtbank Amsterdam: art. 5.5.18 Sv verklaart art. 552a Sv van toepassing; art. 552a lid 4 Sv bepaalt dat, bij afwezigheid van vervolging in Nederland, de rechtbank van het arrondissement van inbeslagneming bevoegd is — hetgeen in casu betekent: rechtbank Noord‑Holland (Haarlem), niet Amsterdam. Artikel 2 lid 3 Sv (aanwijzing Amsterdam als concentratierechtbank voor EOM‑zaken) verwoordt bevoegdheid in verband met vervolgingen en biedt volgens de rechtbank geen grondslag indien geen vervolging in Nederland is ingesteld. Ook partijinstemming kan geen bevoegdheid scheppen. Daarom: onbevoegdheid en doorzending naar Haarlem.
Ontvankelijkheid cassatie en juridische beoordeling door A-G
- Wettelijk kader: art. 445 Sv (beperking cassatie), art. 552d Sv (procedurele bepalingen bij beklag), art. 5.5.18 Sv (specifieke regeling voor EBB). Art. 552d lid 2 Sv (mogelijk maken van cassatie door OM/klager) is niet opgenomen in art. 5.5.18 Sv. Conclusie: tegen beschikking op klaagschrift bij uitvoering EBB is cassatieberoep niet opengezet.
- GEA voerde aan dat EOM‑verordening (2017/1939) een ander juridisch stelsel oplegt en dat uit preambulepunten 87–88 volgt dat effectieve rechtsmiddelen vereist zijn, zodat cassatie uitsluiten onverenigbaar zou zijn. De GEA stelde ook dat de eerdere HR‑beschikking van 23 sept. 2025 (HR:2025:1343) niet zou moeten verhinderen dat in EOM‑zaken cassatie mogelijk is.
- A‑G Frielink oordeelt dat uit stukken volgt dat beslag ter uitvoering van een EBB is gelegd en dat art. 5.5.18 Sv dus toepassing vindt. Nederland heeft met art. 5.5.18 Sv voorzien in een doeltreffend rechtsmiddel (klachtprocedure) dat voldoet aan de eisen van de EOM‑verordening (artt. 41, 42 EOM‑verordening en preambule). Het ontbreken van art. 552d lid 2 in art. 5.5.18 Sv betekent dat cassatie tegen dergelijke beschikkingen door de wetgever bewust is uitgesloten; dit past in de systematiek en doelstelling van wederzijdse erkenning en spoed in internationale samenwerking. De door GEA aangevoerde tegenargumenten (anders juridisch kader, verschil met EOB/EAB of eerdere HR‑zaak) overtuigen niet.
- Gevolg: GEA is niet‑ontvankelijk in het cassatieberoep; middelen behoeven geen inhoudelijke behandeling. Ambtshalve zijn geen gronden voor vernietiging gesignaleerd.
Slot De A‑G concludeert tot niet‑ontvankelijkverklaring van de GEA in het ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam, waarin die rechtbank zich onbevoegd verklaarde en het klaagschrift naar rechtbank Noord‑Holland (Haarlem) verwees.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. EOM-cassatie. Beklag a.b.i. art. 552a Sv in verbinding met art. 5.5.18 Sv gericht tegen de inbeslagneming van twee personenauto’s op grond van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Belgische autoriteiten. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in gevallen in dat wetboek bepaald. In art. 5.5.18 Sv – dat is opgenomen in de Derde afdeling (“Bevriezingsbevelen op grond van Verordening 2018/1805”) van Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek – is een aantal bepalingen uit de beklagtitel van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 552d lid 2 Sv wordt in art. 5.5.18 Sv niet genoemd. Sv bevat derhalve geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een EBB. Zo’n bepaling is ook in een andere wet niet te vinden. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de gedelegeerd Europees aanklager in het cassatieberoep.
Uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/01432 Br
Zitting15 september 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster] B.V., gevestigd te [plaats] , hierna: de klaagster
1 Het cassatieberoep
1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 26 maart 2026 (raadkamernr. 002012-26) zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.5.18 Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan de klaagster van twee personenauto’s met bijbehorende sleutels en kentekens
1.2 Het cassatieberoep is op 3 april 2026 ingesteld door de gedelegeerd Europees aanklager (hierna: GEA). P.P.A.M. Notenboom, GEA, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In de middelen wordt opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren tot kennisneming van het klaagschrift.
1.3 Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de GEA niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2 De procesgang
2.1 Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2 Op 5 februari 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het bedrijfsadres van de klaagster, [a-straat 1] in [plaats] . Bij die doorzoeking zijn ter uitvoering van een mondeling verzoek van de Belgische onderzoeksrechter en de Belgische GEA de in randnr. 1.1 genoemde goederen in beslag genomen.
2.3 Op 7 februari 2025 hebben de Belgische autoriteiten het mondelinge verzoek geformaliseerd met een Europees bevriezingsbevel (hierna: EBB) als bedoeld in de Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-verordening). Het EBB heeft betrekking op een in België lopend strafrechtelijk onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM) naar – kort gezegd – georganiseerde en grensoverschrijdende btw-fraude. Het EBB bevat onder meer het verzoek tot bevriezing van de in randnr. 1.1 genoemde goederen.
2.4 Op 10 februari 2025 is ter uitvoering van het EBB door de Nederlandse GEA een machtiging conservatoir beslag gevorderd bij de rechter-commissaris vanwege de verdenking dat de klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan de naar Nederlands recht strafbaar gestelde misdrijven uit art. 69 AWR en/of art. 140 Sr en/of art. 225 Sr. Op diezelfde dag is die machtiging door de rechter-commissaris verleend.
2.5 Op 21 januari 2026
2.6 Op 26 maart 2026 is het klaagschrift van de klaagster in openbare raadkamer behandeld door de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank. Het proces-verbaal van die zitting houdt het volgende in (met overneming van voetnoot):
“De voorzitter laat de zaak uitroepen en belast de jongste rechter met de leiding van het onderzoek.
(…)
De raadslieden van klaagster, mr. R. Jeronimus en mr. M. Verschoor, advocaten te Amsterdam, en de Gedelegeerd Europees Aanklager (GEA), mr. P.P.A.M. Notenboom, zijn in openbare raadkamer gehoord.
De jongste rechter verzoekt partijen om hun standpunt ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank.
De rechtbank is bevoegd, zoals toelicht in het eerder toegezonden begeleidend schrijven.
De officier van justitie voert het woord overeenkomstig punt 6 tot en met 12 van het overgelegde requisitoir. (
De raadslieden worden in de gelegenheid gesteld om te reageren maar delen mee daarvan geen gebruik te maken.
Na beraad deelt de jongste rechter als beslissing van de rechtbank mee dat de rechtbank voornemens is om direct mondeling uitspraak te doen. (…) De jongste rechter sluit het onderzoek en deelt als uitspraak mee dat de rechtbank zich onbevoegd acht om het klaagschrift te behandelen. In artikel 5.5.18 Sv is voor klaagschriften die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel artikel 552a Sv zonder enig voorbehoud van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat uit artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen in een Nederlandse strafzaak de vervolging is ingesteld (derde lid) of, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, de rechtbank van het arrondissement waarbinnen inbeslagneming is geschied (vierde lid). In het onderhavige geval is geen sprake van vervolging in Nederland. De voertuigen zijn in beslag genomen in [plaats] . Om die reden is de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv, bevoegd tot afdoening van dit klaagschrift. Nu geen sprake is van een vervolging in Nederland is de rechtbank van oordeel dat zij ook geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 2, derde lid, Sv, waarin de rechtbank Amsterdam als één van de vier concentratierechtbanken in EOM-zaken is aangewezen. Die bepaling spreekt uitdrukkelijk over de “bevoegdheid tot kennisneming van strafbare feiten die (...) worden vervolgd (...)”. In het licht van het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat vanuit de gedachte die ten grondslag ligt aan de regeling van de concentratierechtbanken (artikel 2, derde lid, Sv) het wenselijk zou kunnen zijn dat deze rechtbanken ook kennis kunnen nemen van klaagschriften tegen handelingen van de GEA. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde Nederlandse bepalingen echter niet kan worden afgeleid dat de wetgever dit met de huidige wettelijke regeling heeft beoogd te regelen. De rechtbank overweegt tot slot dat de omstandigheid dat partijen zich niet verzetten tegen behandeling van het klaagschrift door de rechtbank Amsterdam geen bevoegdheid creëert voor de rechtbank Amsterdam om het klaagschrift te behandelen.
De jongste rechter deelt mee dat tegen de beslissing van de rechtbank geen hoger beroep kan worden ingesteld, nu artikel 5.5.18 Sv noch enige andere bepaling voor klager voorziet in het recht om cassatie in te stellen.
2.7 Het aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting gehechte begeleidend schrijven van de raadsman van de klaagster betreft een e-mailbericht van de raadsman van 6 maart 2026 aan de Verkeerstoren van de rechtbank. Het e-mailbericht houdt het volgende in:
“Geachte mevrouw,
U geeft aan dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is de zaak met RK-nummer 26/002012 te behandelen. Dit volgen wij niet.
In dit geval is artikel 552a, vierde lid, Sv van toepassing, nu (nog) geen vervolging is ingesteld. Op grond daarvan is bevoegd de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. Het betreft een inbeslagneming te [plaats] , op het adres van cliënte ( [a-straat 1] , [plaats] ). Derhalve stellen wij ons namens cliënte op het standpunt dat de rechtbank Amsterdam wel bevoegd is voor de behandeling van de zaak met RK-nummer 26/002012.
Dit is overigens ook in lijn met het expliciete standpunt van het EOM in deze kwestie. De gedelegeerd Europees aanklager, de heer Notenboom, heeft dit standpunt ingenomen tijdens de behandeling van een (ander) klaagschrift van cliënte bij de rechtbank Rotterdam.
Indien u dit niet volgt, ontvangen wij graag een onderbouwd standpunt waarom dit volgens u niet het geval zou zijn.
Met vriendelijke groet,
Ron Jeronimus
Advocaat”
2.8 Het aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting gehechte requisitoir van de Nederlandse GEA houdt het volgende in:
“6.Als eerste de vraag: mag uw rechtbank oordelen in deze zaak? Wat mij betreft wel.
7.De verdediging heeft het klaagschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Zoals al aangegeven verzet ik mij niet tegen behandeling door deze rechtbank. Het gaat hier om een Belgisch EOM-onderzoek en dus is geen sprake van vervolging in Nederland. Onder die omstandigheden geldt op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv dat bevoegd is de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. De Tesla's zijn in beslag genomen in [plaats] . Weliswaar valt dit binnen de gemeente Haarlemmermeer, en dus het arrondissement Noord-Nederland [
8.Ik zie dus geen reden voor de rechtbank Amsterdam om de zaak te verwijzen naar een ander gerecht. Dit is, zoals de raadsman ook heeft aangegeven in zijn e-mail van 6 maart 2026, 10:41 uur, aan de verkeerstoren van de rechtbank Amsterdam, in lijn met het standpunt dat ik heb ingenomen in een eerdere klaagschriftprocedure met betrekking tot onder andere dezelfde betrokkene, en met betrekking tot een 31-Verzoek in hetzelfde EOM-onderzoek.
9.Tijdens de zitting van 16 oktober 2025 heb ik onder verwijzing naar artikel 552a Sv, vierde lid, Sv betoogd dat de Rotterdamse rechtbank niet bevoegd was te oordelen over het (digitale) beslag uit
Uit de stukken is gebleken dat er op het vestigingsadres van [klaagster] te [plaats] een doorzoeking heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025 Dit is gedaan door de FIOD op basis van een grensoverschrijdende onderzoeksmaatregel uitgevaardigd door een gedelegeerd Europees aanklager uit een andere lidstaat. Bij de doorzoeking zijn goederen in beslag genomen. Er is op de locatie een brief achtergelaten waarin staat vermeld dat een belanghebbende ten aanzien van de in beslag genomen goederen op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering een klaagschrift kan indienen bij de rechtbank te Rotterdam. Wat er ook zij van de juistheid van die informatie, acht de rechtbank Rotterdam zich daaraan wel gebonden en daarmee bevoegd om van het klaagschrift kennis te nemen.
10.Gelet op deze gang van zaken en het debat op zitting in oktober 2025 kan ik me dan ook goed voorstellen dat de verdediging er nu voor gekozen heeft om een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank Amsterdam. Temeer omdat de bevoegdheidsverdeling zoals geregeld bij wet (artikel 552a, vierde lid, Sv) naar mijn mening niet terzijde kan worden gesteld door een actie van een derde. Ook niet, als in dit geval, door een brief van het EOM.
11. Een tweetal observaties van mijn zijde:
I.Op de Tesla's rust conservatoir beslag zoals bedoeld in artikel 94a Sv. Daar ging een machtiging van de Rotterdamse rechter-commissaris aan vooraf op grond van artikel 103 Sv. Zo'n machtiging wordt aangemerkt als ‘vervolging’. Is om die reden op grond van artikel 552a, derde lid, Sv toch de Rotterdamse rechtbank bevoegd?
In deze zaak vindt de vervolging plaats in België. Er is in dit geval dus geen sprake van een “aanvang van een vervolging” in Nederland.
II.Dan wijs ik nog op paragraaf 6 van Tekst & Commentaar bij artikel 103 Sv. Ik citeer: “
Op welke wettelijk bepaling deze opmerking is gebaseerd is mij niet direct duidelijk, evenwel meen ik dat een en ander niet dient te leiden tot een onbevoegdverklaring van uw rechtbank. Weliswaar is mijn standplaats bij het EOM Rotterdam, maar voor EOM-zaken zijn alle concentratierechtbanken aangewezen. Zo men wil ben ik dan geplaatst bij alle vier die rechtbanken. Als eerder aangegeven zijn er goede gronden te betogen dat óók de Amsterdamse rechtbank bevoegd is. Deze rechtbank is één van de concentratierechtbanken. Bovendien was de Amsterdamse rechter-commissaris betrokken bij de voorbereiding van de zoeking. En daarbij meen ik dat Tekst & Commentaar bij artikel 103 Sv niet zó strikt gelezen moet worden. Het lijkt me dat de schrijver geen rekening heeft gehouden met grensoverschrijdende onderzoeken, waarbij Nederland op verzoek van een buitenlandse autoriteit opsporingshandelingen verricht in meerdere arrondissementen. Tot slot: Tekst & Commentaar spreekt van een ‘ook bevoegde’ rechtbank. Dat brengt mee dat in de optiek van de schrijver meerdere rechtbanken bevoegd kunnen zijn.
12. Beide observaties brengen mij niet op een andere gedachte, m.i. is de Amsterdamse rechtbank bevoegd.”
2.9 Bij de stukken van het geding bevinden zich verder i) een bevriezingscertificaat van de Belgische autoriteiten van 7 februari 2025 als bedoeld in de EBB-verordening, ii) een door de Nederlandse GEA ondertekende en bij de rechter-commissaris in Rotterdam ingediende “vordering machtiging conservatoir beslag naar aanleiding van Europees bevriezingsbevel”, gedateerd 10 februari 2025 en iii) twee processen-verbaal van conservatoir beslag van 4 maart 2025 waaruit blijkt dat het beslag is gelegd op basis van een EBB van de Belgische autoriteiten.
2.10 De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het klaagschrift van de klaagster en heeft bepaald dat de griffier het klaagschrift zal doorzenden naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. De bestreden beschikking houdt hierover het volgende in (met weglating van voetnoten):
“2.Feiten en omstandigheden
Op 5 februari 2025 is ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Belgische autoriteiten – op grond van artikel 31 lid 6 Verordening 2017/1939 jo. Verordening 2018/1805 in verbinding met artikel 94a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) en de machtiging 103 Sv – in [plaats] in beslag genomen onder klager:
- goednummer 6075338_257802, voertuig, Tesla, [kenteken 1] ;
- goednummer 6075338_257803, overig, kenteken/sleutel [kenteken 1] ;
- goednummer 6075338_257804, voertuig, Tesla, [kenteken 2] ;
- goednummer 6075338_257805, overig, kenteken/sleutel [kenteken 2] .
3 Bevoegdheid rechtbank
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om het klaagschrift te behandelen en verwijst naar het standpunt dat voorafgaand aan de zitting is ingenomen. Dat komt op het volgende neer. Nu (nog) geen vervolging is ingesteld, is artikel 552a, vierde lid, Sv van toepassing. Op grond daarvan is bevoegd de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. Het betreft een inbeslagneming te [plaats] , zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd is.
De GEA heeft zich niet verzet tegen behandeling van het klaagschrift door de rechtbank Amsterdam. Het beslag is op 5 februari 2025 in [plaats] gelegd in het kader van een onderzoek van de Belgisch GEA na een zogenaamd artikel 31-besluit. Dat neemt niet weg dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is te oordelen over het klaagschrift. Het gaat hier om een Belgisch onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM). Er is dus geen sprake van vervolging in Nederland. Onder die omstandigheden geldt op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv dat bevoegd is de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. [plaats] valt weliswaar binnen de gemeente Haarlemmermeer en dus het arrondissement Noord-Nederland, maar het is de rechtbank Amsterdam die als één van de vier concentratierechtbanken in EOM-zaken is aangewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5.5.18 Sv is voor klaagschriften die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel artikel 552a Sv zonder enig voorbehoud van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat uit artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen in een Nederlandse strafzaak de vervolging is ingesteld (derde lid) of, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, de rechtbank van het arrondissement waarbinnen inbeslagneming is geschied (vierde lid).
In het onderhavige geval is geen sprake van vervolging in Nederland, zoals ook door de GEA is bevestigd. De voertuigen zijn in beslag genomen in [plaats] op verzoek van de Belgische autoriteiten, in verband met een in België lopend onderzoek. Om die reden is de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv. bevoegd tot afdoening van dit klaagschrift. Nu geen sprake is van een vervolging in Nederland is de rechtbank van oordeel dat zij ook geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 2, derde lid, Sv, waarin de rechtbank Amsterdam als één van de vier concentratierechtbanken in EOM-zaken is aangewezen. Die bepaling spreekt uitdrukkelijk over de “bevoegdheid tot kennisneming van strafbare feiten die (...) worden vervolgd (...)”.
De Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM, die directe werking heeft, bevat ook geen bepalingen die voorgaan op of afwijken van de nationale bevoegdheidsregeling zoals hierboven beschreven. Integendeel, de Verordening bevat juist aanknopingspunten voor de stelling dat de aanwijzing van de bevoegde rechter een nationale aangelegenheid is.
In het licht van het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat vanuit de gedachte die ten grondslag ligt aan de regeling van de concentratierechtbanken (artikel 2, derde lid, Sv) het wenselijk zou kunnen zijn dat deze rechtbanken ook kennis kunnen nemen van klaagschriften tegen handelingen van de GEA. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde Nederlandse bepalingen echter niet kan worden afgeleid dat de wetgever dit met de huidige wettelijke regeling heeft beoogd te regelen.
De rechtbank overweegt tot slot dat de omstandigheid dat partijen zich niet verzetten tegen behandeling van het klaagschrift door de rechtbank Amsterdam geen bevoegdheid creëert voor de rechtbank Amsterdam om het klaagschrift te behandelen.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren en de stukken in handen stellen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Noord-Holland. zittingsplaats Haarlem, te verzenden.
4 Beslissing
De rechtbank verklaart zich ONBEVOEGD tot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, te verzenden.”
3 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 445 Sv:
“Tegen beschikkingen staat hooger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.”
Art. 552d leden 1 en 2 Sv:
“1.Een beschikking ingevolge artikel 552a, 552ab of 552b wordt onverwijld aan de klager betekend. 2.Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”
Art. 5.5.18 Sv:
“Belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel. De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevriezingsbevel. Het beklag heeft geen schorsende werking.”
3.2 Op grond van art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. In de beklagtitel van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering is in art. 552d lid 2 Sv bepaald dat het Openbaar Ministerie en de klager beroep in cassatie kunnen instellen tegen een op grond van art. 552a, 552ab en 552b Sv gegeven beschikking. In art. 5.5.18 Sv – dat is opgenomen in de Derde afdeling (“Bevriezingsbevelen op grond van Verordening 2018/1805”) van Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek (“Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking”) van het Wetboek van Strafvordering – is een aantal bepalingen uit de beklagtitel van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 552d
3.3 De steller van de middelen stelt zich op het standpunt dat hij kan worden ontvangen in het cassatieberoep. In dit verband wordt aangevoerd dat de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1343 , waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen beslag dat is gelegd op grond van een Europees bevriezingsbevel geen beroep in cassatie openstaat, in het onderhavige geval niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staat. De beschikking van de Hoge Raad is volgens de steller van de middelen namelijk gebaseerd op het juridisch kader in het Wetboek van Strafvordering dat van toepassing is op EBB’s als bedoeld in de EBB-verordening. In het onderhavige geval wordt het juridisch kader echter bepaald door Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM-verordening) en is van wederzijdse rechtshulp als bedoeld in Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek (“Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking”) van het Wetboek van Strafvordering geen sprake. Gelet hierop valt volgens de steller van de middelen niet in te zien waarom de bovengenoemde beschikking van de Hoge Raad beroep in cassatie in de onderhavige zaak zou beletten.
3.4 Ik denk daar anders over. In dit verband merk ik op dat uit de inhoud (van het niet voorgedragen deel) van het requisitoir van de Nederlandse GEA is af te leiden dat de GEA van plan was op de raadkamerzitting het standpunt in te nemen dat het beslag is gebaseerd op een door de Belgische onderzoeksrechter uitgevaardigde EBB als bedoeld in de EBB-verordening en dat het juridisch kader voor de beoordeling van het daartegen gerichte klaagschrift van de klaagster wordt bepaald door de EBB-verordening en door de artt. 552a Sv, 5.5.16 Sv en 5.5.18 Sv. In cassatie wordt door de steller van de middelen – die op de raadkamerzitting optrad als GEA – een andersluidende standpunt ingenomen.
3.5 Wat hiervan ook zij, de rechtbank heeft gelet op de inhoud van de in randnr. 2.9 genoemde gedingstukken niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de in randnr. 1.1 aangeduide goederen in beslag zijn genomen ter uitvoering van een EBB van de Belgische autoriteiten als bedoeld in de EBB-verordening. Derhalve is op dit bevriezingsbevel art. 5.5.18 Sv van toepassing.
3.6 Op grond van art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in een andere wet niet te vinden.
3.7 Verder wordt in de schriftuur aangevoerd dat uit de punten 87 en 88 van de Preambule van de EOM-verordening volgt dat de wettigheid van rechtshandelingen van het EOM aan een toetsing door de nationale rechter is onderworpen en dat lidstaten in verband daarmee moeten voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen. Volgens de steller van de middelen past daarbij niet dat in zaken zoals de onderhavige geen cassatieberoep mogelijk is, nog daargelaten dat de bovengenoemde beschikking van de Hoge Raad geen betrekking heeft op zaken waarin het EOM beslag legt.
3.8 De steller van de middelen vindt mij niet aan zijn zijde. In de artt. 41 lid 3 en 42 lid 1, eerste volzin, EOM-verordening is bepaald dat verdachten, beklaagden en andere personen die betrokken zijn bij procedures van het EOM over alle procedurele rechten beschikken die zij op grond van het toepasselijke nationale recht hebben en dat procedurele handelingen van het EOM die zijn bedoeld om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren – onder wie de verdachte, het slachtoffer en andere belanghebbenden wier rechten kunnen worden geschaad door dergelijke handelingen
3.9 Het beslag is door het EOM gelegd ter uitvoering van een EBB. Op grond van art. 5.5.18 Sv kan een belanghebbende zich schriftelijk beklagen over de beslissing van de officier van justitie – waaronder mijns inziens ook moet worden verstaan: de GEA – tot erkenning en tenuitvoerlegging van een EBB. Vervolgens toetst de beklagrechter – indien de beklagrechter bevoegd is kennis te nemen van het klaagschrift en de klager ontvankelijk is in het beklag – de rechtmatigheid van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel en de wijze waarop het bevriezingsbevel ten uitvoer is gelegd. Met deze beklagmogelijkheid heeft Nederland conform de overwegingen 87 en 88 van de Preambule van de EOM-verordening voorzien in een doeltreffend rechtsmiddel waarmee de wettigheid van de uitvoering door het EOM in Nederland van een EBB is onderworpen aan toetsing door de nationale rechter. De enkele omstandigheid dat tegen de beslissing op het beklag als bedoeld in art. 552a Sv in verbinding met art. 5.5.18 Sv geen beroep in cassatie openstaat, doet hieraan niet af. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1343 het EBB ten uitvoer werd gelegd door het Nederlandse Openbaar Ministerie in plaats van het EOM.
3.10 Voorts wordt aangevoerd dat het, zo begrijp ik, in voetnoot 2 van mijn conclusie vóór HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1343 aangehaalde wetssystematische argument van de wetgever voor het uitsluiten van cassatieberoep tegen een beschikking op een klaagschrift tegen beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel, niet opgaat. Bij de implementatie van het Europese aanhoudingsbevel (hierna: EAB) is in de Overleveringswet volstaan met een rechterlijke toetsing in feitelijke aanleg. Blijkens de memorie van toelichting bij de implementatie van kaderbesluit nr. 2003/577/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PbEG L 196) zou volgens de wetgever systematisch gezien een onbalans ontstaan wanneer voor beslissingen tot overlevering van personen binnen de Europese Unie niet de mogelijkheid tot cassatieberoep bestaat, maar voor de overdracht van voorwerpen binnen de Europese Unie die mogelijkheid wel zou blijven bestaan. Volgens de steller van de middelen heeft de wetgever hierbij duidelijk het vizier gehad op Europese samenwerking zoals bedoeld in Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek (“Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking”) van het Wetboek van Strafvordering. Een en ander is volgens hem niet van toepassing op het EOM. De GEA van het EOM handelt eigenhandig op basis van art. 31 EOM-verordening. Dat betreft een totaal ander juridisch kader. Om die reden dwingt de wetssystematiek niet tot het uitsluiten van het cassatieberoep, aldus de steller van de middelen. Tevens is van belang dat in het kader van bevriezing van voorwerpen het beginsel wordt gehanteerd dat de voorwerpen in de lidstaat blijven waar ze in beslag zijn genomen en dat voor de executie van confiscatiebesluiten de urgentie, zoals die wel bestaat bij de executie van een EAB, niet aanwezig is. Die urgentie is er daarentegen wel bij de executie van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB). In dat kader is er volgens de steller van de middelen een niet uit te leggen discrepantie te constateren met art. 5.4.10 lid 3 Sv waarin is bepaald dat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen een beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een EOB cassatieberoep wel openstaat.
3.11 Naar ik meen gaat de steller van de middelen voorbij aan de kern van hetgeen ik in randnr. 2.4 van mijn conclusie – waarin bovengenoemde voetnoot 2 is opgenomen – vóór HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1343 heb uiteengezet. Daarin heb ik immers uiteengezet dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om cassatieberoep niet open te stellen tegen een beschikking op een klaagschrift tegen beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een EBB. De gedachte van de wetgever was dat cassatieberoep zou kunnen leiden tot ongewenste vertraging in de voortgang van de buitenlandse strafzaak en daarmee niet goed zou passen bij het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen, waarmee juist een snelle internationale samenwerking wordt beoogd, niet alleen wat betreft de inbeslagneming van voorwerpen, maar ook wat betreft de feitelijke overdracht van die voorwerpen. Dat het uitsluiten van het cassatieberoep in dit soort gevallen een bewuste keuze van de wetgever is, blijkt ook uit de omstandigheid dat in het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering de huidige regeling wordt gehandhaafd (zie hiervoor onder randnr. 3.2). Het is aan de wetgever om te bepalen welke rechtsmiddelen er openstaan en de wetgever heeft in dit geval er bewust voor gekozen om beroep in cassatie uit te sluiten. De kritische opmerkingen van de steller van de middelen over het wetssystematische argument van de wetgever voor het uitsluiten van cassatieberoep maakt het voorgaande niet anders.
3.12 Het toepasselijke juridisch kader heb ik hiervoor uiteengezet in randnrs. 3.1-3.2. De steller van de middelen meent dat een “totaal ander juridisch” kader van toepassing is. Welk ander juridisch kader zou gelden bij de beoordeling van een beschikking op een klaagschrift tegen beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een EBB, wordt in de schriftuur echter niet uiteengezet. De enkele verwijzing naar art. 31 EOM-verordening – welke bepaling een regeling bevat voor grensoverschrijdende samenwerking, maar niet voor rechtsmiddelen – volstaat daartoe niet.
3.13 Ten slotte wordt aangevoerd dat indien de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1343 van toepassing zou zijn op door het EOM uitgevoerde onderzoeksmaatregelen, die beschikking “overduidelijk” betrekking heeft op inhoudelijke oordelen ten aanzien van EBB’s als bedoeld in de Derde afdeling (“Bevriezingsbevelen op grond van Verordening 2018/1805”) van Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek (“Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking”) van het Wetboek van Strafvordering. In de zaak die heeft geleid tot die beschikking heeft de rechtbank zich volgens de steller van de middelen namelijk uitgelaten over de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van een EBB. In het onderhavige geval is de rechtbank aan een dergelijk oordeel niet toegekomen, omdat zij zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het klaagschrift en de zaak heeft verwezen naar de rechtbank Noord-Holland. De steller van de middelen meent dat een dergelijke formele beslissing aan de Hoge Raad moet kunnen worden voorgelegd, zodat ook om die reden de bovengenoemde beschikking van de Hoge Raad niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg zou staan.
3.14 Hierover kan ik kort zijn. Uit de bovengenoemde beschikking van de Hoge Raad blijkt dat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen een beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel als bedoeld in art. 552a Sv in verbinding met art. 5.5.18 Sv überhaupt geen cassatieberoep openstaat. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat de uitsluiting van dit rechtsmiddel in de beschikking van de Hoge Raad is beperkt tot inhoudelijke oordelen over het klaagschrift en dus geen betrekking heeft op formele beslissingen, zoals die over de relatieve bevoegdheid, gaat het uit van een onjuiste lezing van de beschikking.
3.15 Het voorgaande in aanmerking genomen, meen ik dat de GEA niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep, zodat de cassatiemiddelen geen bespreking behoeven.
4 Slotsom
4.1 De middelen behoeven geen bespreking.
4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de GEA in het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G