ECLI:NL:PHR:2026:855 Parket bij de Hoge Raad , 15-09-2026 / 24/01803
Samenvatting
De procureur-generaal bij de Hoge Raad, D.J.M.W. Paridaens, geeft in zijn conclusie van 15 september 2026 een samenvatting en oordeel over het cassatieberoep van [verdachte] (met raadsheren J.L. Baar en M.M. Kuyp) tegen het arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2024. De verdachte was door het hof veroordeeld wegens “feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.2 lid 10 Wet dieren, gepleegd door een rechtspersoon” in meerdere zaken (parketnrs. 83-261200-21, 83-261242-21, 83-261217-21) en kreeg een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Feiten en tenlastelegging
- Aan de verdachte is verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan verboden gedragingen van de Stichting (waarbij ook een [medeverdachte] betrokken is) met betrekking tot de huisvesting en verzorging van varkens. Concreet ging het om overtredingen van art. 2.20 lid 2 en art. 2.26 Besluit houders van dieren (minimale staloppervlakte voor een beer jonger dan 12 maanden; permanente beschikbaarheid van vers water en voedingseisen).
- Bewijsvragen betroffen onder meer of de dieren “voor landbouwdoeleinden” of specifiek “voor productie” werden gehouden, zodat paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit (voorschriften voor varkens voor productie) van toepassing is.
Betwisting en uitspraak van het hof
- De verdediging voerde dat de Stichting de dieren hield voor natuurbeheer en behoud van zeldzame rassen; eventuele productie (slachten, producten) was een neveneffect en productie stond niet voorop.
- Het hof oordeelde dat de paragraaf over “houden van varkens voor productie” wél van toepassing is. Als motivering haalde het hof onder meer aan: de verdachte had tijdens het onderzoek verklaard dat hij varkens hield omdat hij vet nodig had om worst te maken; RVO‑gegevens toonden dat tussen 21 juli 2015 en 26 februari 2021 elf varkens zijn geslacht; opgave aan RVO gaf aantallen vlees- en fokvarkens in 2020 en 2021; de Stichting stond tevens als RE‑bedrijf geregistreerd. Het hof concludeerde dat de varkens minstens mede voor productiedoeleinden werden gehouden en dat paragraaf 4 (waaronder art. 2.20 en 2.26) van toepassing is.
Juridische/rechtsbrongeleiding
- De stellers van het middel verwezen naar richtlijn 98/58/EG (definitie “dieren voor landbouwdoeleinden”). De procureur‑generaal merkt op dat de concrete artikelen 2.20 en 2.26 van het Besluit niet op die richtlijn zijn gebaseerd, maar op art. 4 van richtlijn 2008/120/EG inzake minimumnormen ter bescherming van varkens. Uit de preambule van 2008/120 blijkt dat die richtlijn zich specifiek richt op fok‑ en mestvarkens en zowel economische als dierenwelzijnsoverwegingen betrekken; derhalve is het hof niet onjuist geweest in zijn rechtsopvatting en toepassingskeuze.
Beoordeling van cassatiemiddelen
- Eerste middel (ongegrond): klacht tegen toepassing van de produktievoorschriften faalt; hofmotivering is toereikend en feitelijke aanwijzingen (verklaring verdachte, slachtgegevens, RVO‑opgave, RE‑registratie) ondersteunen het oordeel dat varkens mede voor productie werden gehouden.
- Tweede middel (ongegrond): klacht dat de door het hof opgelegde straf “verbazing” wekt en onvoldoende is gemotiveerd. De procureur‑generaal legt uit dat de feitenrechter ruime straftoemetingsvrijheid heeft en slechts bij onbegrijpelijkheid of verbazing in cassatie mag worden ingegrepen. Het hof heeft zijn keuze gemotiveerd: herhaalde tekortkomingen in dierenzorg ondanks bestuursrechtelijk optreden, schrijnende foto’s, euthanasie van dieren ter plaatse, onvoldoende verantwoordelijkheid door verdachte en een eerdere veroordeling (uittreksel Justitiële Documentatie). De verhoging ten opzichte van eerste aanleg roept geen verbazing.
- Derde middel (gedeeltelijk terecht): klacht over schending van de redelijke termijn in hoger beroep en overschrijding van de inzendtermijn voor cassatie. Omdat in hoger beroep ter terechtzitting niet is opgekomen dat de redelijke termijn was overschreden, faalt dat deel; wel is de inzendingstermijn in cassatie overschreden (beroep in cassatie ingesteld 6 mei 2024; stukken ontvangen door griffie 11 dec. 2025). De procureur‑generaal constateert bovendien ambtshalve dat ook de behandeling in cassatie door de Hoge Raad langer dan twee jaar duurt. Deze constatering leidt echter niet tot vernietiging of verlaging van de opgelegde taakstraf van 80 uur; volstaan wordt met een constatering van de termijnoverschrijding.
Slotsom en advies
- De procureur‑generaal adviseert tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige; het eerste en tweede middel falen, het derde middel is enkel ten dele terecht (constatering termijnoverschrijding) maar geeft geen aanleiding tot cassatie of strafvermindering.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Feitelijk leidinggeven aan opzettelijke overtreding van verschillende voorschriften gesteld krachtens art. 2.2 Wet Dieren, begaan door rechtspersoon. Art. 2.20 en art. 2.26 lid 2 Besluit houders van dieren. Richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens. Middel 1 klaagt over oordeel hof dat gehouden varkens 'voor landbouwdoeleinden gehouden dieren' zijn en doet i.v.m. uitleg van dat begrip suggestie prejudiciële vragen te stellen aan HvJEU over richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. AG meent dat middel faalt en er voor stellen van prejudiciële vragen geen aanleiding is. Middel 2 dat klaagt dat opgelegde straf verbazing wekt, faalt volgens AG ook. Middel 3 m.b.t. redelijke termijn slaagt ten dele, maar behoeft niet te leiden tot cassatie. De conclusie strekt tot constatering van de overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/01801.
Uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01803 E
Zitting15 september 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna: de verdachte.
1 Inleiding
1.1 De verdachte is bij arrest van 23 april 2024 door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag
1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/01801 ( [medeverdachte] ). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3 Namens de verdachte hebben J.L. Baar, advocaat in Arnhem, en M.M. Kuyp, advocaat in Laren, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2 Het eerste middel
2.1 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘voor landbouwdoeleinden gehouden dieren’.
2.2 Aan de verdachte is – kortgezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van diverse voorschriften, gesteld krachtens art. 2.2 lid 10 van de Wet dieren, gepleegd door een rechtspersoon. Het gaat hierbij om overtreding van voorschriften die zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van dit besluit betreffende het houden van dieren voor landbouwdoeleinden.
2.3 In hoger beroep is namens de verdachte het verweer gevoerd dat de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren niet van toepassing zijn op de dieren die door de [medeverdachte] werden gehouden. Het hof heeft het betreffende verweer als volgt samengevat en verworpen:
2.4 Art. 2.20 lid 2 van het Besluit houders van dieren luidt:
“De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste: a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2; b. voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m2; c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m2; d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m2.”
2.5 Art. 2.26 van het Besluit houders van dieren luidt:
“1. Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd. 2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water. 3. Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.”
2.6 Naar aanleiding van een geconstateerde overtreding van art. 2.20 lid 2, aanhef en onder a, van het Besluit houders van dieren heeft het hof in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“De [medeverdachte] in de periode van 30 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , als houder van een varken op de locatie [a-straat 1] opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat een beer die jonger was dan 12 maanden over een staloppervlakte van ten minste 4m2 beschikte, immers was de oppervlakte maar 1,83 m2, zulks terwijl voornoemde overtreding plaatsvond in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven”.
2.7 Naar aanleiding van geconstateerde overtredingen van art. 2.26 van het Besluit houders van dieren heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
- in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 1 dat:
“De [medeverdachte] in de periode van 23 maart 2020 tot en met 6 april 2020, te [plaats] in de gemeente [plaats] en te [plaats] in de gemeente [plaats] , als houder van 9 varkens (te [plaats] in het kassencomplex op de locatie [b-straat 1] ) en een wolvarken (te [plaats] op de locatie [a-straat] ) opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat die 9 varkens en dat wolvarken die ouder dan twee weken waren, permanent beschikten over voldoende vers water zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;”
- in de zaak met parketnummer 83-261217-21 onder 1 dat:
“De [medeverdachte] op 4 januari 2021 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , als houder van meerdere varkens op de locatie [c-straat] naast de watertoren opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat 3 varkens die ouder dan twee weken waren, permanent beschikten over voldoende vers water zulks terwijl voornoemde overtreding plaatsvond in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven”.
2.8 Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de varkens van de Stichting werden gehouden voor productie en dat daarmee in de onderhavige zaak de bepalingen van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren betreffende het houden van varkens voor productie, en meer in het bijzonder art. 2.20 lid 2 en art. 2.26 van dit besluit, van toepassing zijn.
2.9 De stellers van het middel voeren aan dat hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren, dat voorschriften bevat voor het houden van dieren voor landbouwdoeleinden, enkel van toepassing is op zogenaamde productiedieren, terwijl daarvan – anders dan het hof heeft geoordeeld – in de voorliggende zaak geen sprake is. Er werden wel eens dieren geslacht, maar het doel van productie stond niet voorop. Het doel van de stichting was natuurbeheer en het behoud van bijzondere rassen.
2.10 De stellers van het middel doen in dit verband een beroep op richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren,
2.11 De stellers van het middel lijken te miskennen dat het Besluit houders van dieren weliswaar uitvoering geeft aan richtlijn 98/58/EG, maar dat art. 2.20 en art. 2.26 lid 2 van dit besluit niet op die richtlijn zijn gebaseerd. Deze bepalingen zijn immers gebaseerd op art. 4 van richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (en de bijlage waarnaar dit artikel verwijst).
2.12 De preambule van richtlijn 2008/120/EG houdt in (met weglating van voetnoten):
“(1) Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan. (2) De meeste lidstaten hebben het Europese Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren geratificeerd. Ook de Gemeenschap heeft dit Verdrag goedgekeurd bij Besluit 78/923/EEG van de Raad. (3) Bij Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren, zijn voor alle gekweekte dieren communautaire voorschriften vastgesteld met betrekking tot de huisvesting van de dieren, isolatie, verwarming en verluchting, en keuring van de voorzieningen en van de dieren zelf. Meer gedetailleerde voorschriften ter zake moeten worden vastgesteld bij deze richtlijn. (4) Varkens komen, als levende dieren, voor op de lijst van producten vermeld in bijlage I bij het Verdrag. (5) Het houden van varkens maakt een integrerend deel uit van de landbouw. Deze activiteit vormt voor een deel van de landbouwbevolking een bron van inkomsten. (6) Verschillen waardoor de mededingingsvoorwaarden kunnen worden vervalst vormen een belemmering voor een goede werking van de gemeenschappelijke marktordening voor varkens en producten van de varkenshouderij. (7) Derhalve moeten gemeenschappelijke minimumnormen worden vastgesteld ter bescherming van fok- en mestvarkens, teneinde een rationele ontwikkeling van de productie te garanderen. (8) Varkens moeten kunnen beschikken over een omgeving die beantwoordt aan hun behoeften inzake lichaamsbeweging en exploratief gedrag. Het welzijn van de varkens lijkt nadelig te worden beïnvloed door een stringente beperking van hun bewegingsvrijheid. (9) Als varkens in een groep worden gehouden, dienen passende beheersmaatregelen ter bescherming van de dieren te worden getroffen om hun welzijn te bevorderen. (10) Zeugen hebben vooral sociaal contact met andere varkens als zij zich vrij kunnen bewegen en een afwisselende leefomgeving hebben. Het permanent opsluiten van zeugen in kleine ruimten moet bijgevolg worden verboden. (11) Het couperen van de staart en het knippen en vijlen van tanden veroorzaken bij de varkens vaak onmiddellijke pijn en in enkele gevallen langdurige pijn. Castratie veroorzaakt meestal langdurige pijn die nog groter is wanneer er weefsel wordt gescheurd. Dergelijke praktijken tasten derhalve het welzijn van de varkens aan, vooral wanneer zij worden toegepast door onbekwame en onervaren personen. Bijgevolg moeten regels worden vastgesteld om een goede toepassing te garanderen. (12) Er moet een evenwicht worden gevonden tussen de verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, namelijk welzijn en gezondheids-, economische en sociale overwegingen en het milieueffect.”
2.13 Uit de preambule van richtlijn 2008/120/EG blijkt aldus dat deze richtlijn meer gedetailleerde voorschriften bevat ten opzichte van richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. Het bevat gemeenschappelijke minimumnormen ter bescherming van varkens die worden gehouden voor de fokkerij of de mesterij.
2.14 De stellers van het middel zijn – in de kern genomen – van oordeel dat de voorschriften betreffende de permanente beschikbaarheid van voldoende vers water en de minimale beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer in het onderhavige geval niet gelden, omdat de dieren niet voor de fokkerij of mesterij (en dus voor de productie) werden gehouden en de producten die van deze dieren afkomstig zijn een bijkomstigheid zijn, maar geen doel op zich. Het hof denkt hier anders over. Daarbij neemt het hof in overweging dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de varkens is gaan houden mede omdat hij vet nodig had om worst te maken. Verder stelt het hof vast dat in de periode van 21 juli 2015 tot en met 26 februari 2021 11 varkens van de stichting zijn geslacht en dat de stichting volgens opgave aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2020 in totaal één big, zeven vleesvarkens en 12 fokvarkens hield, terwijl dat in 2021 20 vleesvarkens en vier fokvarkens waren. Gelet hierop en tegen de achtergrond van het onder de randnummer 2.12 en 2.13 van deze conclusie weergegeven doel van richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens geeft het oordeel van het hof dat de varkens minst genomen mede voor productiedoeleinden zijn gehouden en dat de bepalingen die zijn neergelegd in paragraaf 4 van het Besluit houders van dieren in de onderhavige zaak daarom van toepassing zijn geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de strafbaarheid van het bewezenverklaarde toereikend gemotiveerd.
2.15 Het middel faalt.
2.16 Gelet op hetgeen ik onder 2.11 heb opgemerkt, meen ik dat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor de Europese Unie over de uitleg van richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren geen aanleiding is.
3 Het tweede middel
3.1 Het tweede middel klaagt dat de door het hof opgelegde straf ‘verbazing’ wekt en de strafoplegging (daardoor) onvoldoende met redenen omkleed is.
3.2 Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:
3.3 Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
3.4 De feitenrechter is niettemin wel gehouden om te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de strafoplegging. Een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte levert evenwel niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
3.5 Gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.
3.6 De economische politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld zonder oplegging van enige straf of maatregel. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De stellers van het middel menen dat de strafoplegging van het hof ‘verbazing’ wekt. Het hof heeft anders dan de rechter in eerste aanleg in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met een eerdere veroordeling voor een strafbaar feit. Het hof heeft tevens – anders dan de economische politierechter – niet expliciet in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij geen winstoogmerk had. Het hof heeft de aard en ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan kennelijk anders gewogen en beoordeeld dan de economische politierechter en is daarom tot een andere strafoplegging gekomen. Daarmee wekt de door het hof opgelegde taakstraf van 80 uren nog geen verbazing. Bovendien is deze toereikend gemotiveerd.
3.7 Het middel faalt.
4 Het derde middel
4.1 Het middel klaagt dat sprake is van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de inzendtermijn in cassatie is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering.
4.2 In geval een zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen.
4.3 Met betrekking tot de schending van de redelijke termijn van inzending in cassatie merk ik op dat op 6 mei 2024 beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 december 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen meebrengt dat de redelijke inzendtermijn in cassatie is overschreden. De klacht is daarmee terecht voorgesteld.
4.4 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat het beroep in cassatie is ingesteld op 6 mei 2024, zodat de redelijke termijn van berechting in cassatie is overschreden.
4.5 Nu een taakstraf voor de duur van 80 uren is opgelegd, behoeft de schending van de redelijke termijn – waaronder de inzendingstermijn mede is begrepen – niet te leiden tot vernietiging van de duur van de opgelegde taakstraf en tot verlaging daarvan en kan de Hoge Raad volstaan met een constatering van de schending.
5 Slotsom
5.1 Het eerste en tweede middel falen en het derde middel is ten dele terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5.3 Deze conclusie strekt tot constatering van de overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG