ECLI:NL:PHR:2024:1338 Parket bij de Hoge Raad , 10-12-2024 / 23/03088
Samenvatting
In de zaak tegen de verdachte, geboren in 1997, heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 6 juli 2023 een vonnis uitgesproken. De verdachte werd veroordeeld voor het niet voldoen aan de motorrijtuigbelasting en het rijden zonder geldige nummerplaat, evenals het rijden met een voertuig waarvan de voorruit was beplakt, wat de lichtdoorlaatbaarheid beïnvloedde. De opgelegde geldboetes bedroegen respectievelijk 150 NAf, 50 NAf en 75 NAf.
Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door advocaat-generaal A.K. Tiggelaar, heeft cassatie ingesteld op basis van één middel. Dit middel betwist de vrijspraak van de verdachte met betrekking tot de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm. De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was dat de meting van de lichtdoorlaatbaarheid correct was uitgevoerd, omdat niet duidelijk was met welk apparaat de meting was gedaan en of dit apparaat gecertificeerd was.
Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de overtreding met betrekking tot de voorzijruiten, omdat het dossier niet voldoende bewijs bevatte over de gebruikte meetapparatuur en de geldigheid daarvan. De steller van het cassatiemiddel betwistte dat er specifieke wetgeving op Curaçao bestaat die eisen stelt aan de meetapparatuur voor lichtdoorlatendheid. De verdediging voerde aan dat dergelijke regelgeving niet bestaat, in tegenstelling tot Sint Maarten, waar wel duidelijke richtlijnen zijn.
De centrale vraag in cassatie was of er op Curaçao wetgeving bestaat die de eisen voor meetapparatuur voor lichtdoorlatendheid regelt. De procureur-generaal concludeerde dat het Hof onvoldoende gemotiveerd had waarom de verdachte was vrijgesproken van deze overtreding. De conclusie van de procureur-generaal was dat het middel slaagde en dat de zaak moest worden terugverwezen naar het Hof voor herbehandeling van de vrijspraak met betrekking tot de lichtdoorlaatbaarheid.
De recente wijziging van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000, die de lichtdoorlaatbaarheidsnorm heeft aangepast, werd ook genoemd. De nieuwe norm is nu 35% met een foutmarge van 3%, maar dit doet niets af aan het belang van de cassatie, aangezien de gemeten lichtdoorlatendheid in deze zaak slechts 17% was.
Samenvattend heeft de Hoge Raad geconcludeerd dat de vrijspraak van de verdachte onvoldoende gemotiveerd was en dat de zaak opnieuw moet worden beoordeeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. De overige veroordelingen blijven echter staan.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak. OM-cassatie. Art. 88 WVVC 2000. Is vrijspraak wegens besturen motorvoertuig terwijl enig materiaal tegen voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg gebaseerd op geldende wetgeving? Middel slaagt. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en tot terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03088 C
Zitting10 december 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.
1 Inleiding
1.1 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij vonnis van 6 juli 2023 wegens “handelen in strijd met artikel 24 van de Motorrijtuig- en motorbootbelastingverordening 1928”, “handelen in strijd met artikel 99 van de WVVC 2000” en “handelen in strijd met artikel 88 van de WVVC 2000” veroordeeld tot geldboetes van achtereenvolgens 150 NAf, 50 NAf en 75 NAf.
1.2 Namens het openbaar ministerie heeft A.K. Tiggelaar, advocaat-generaal, één middel van cassatie voorgesteld.
2 Het middel
2.1 Het middel klaagt dat het Hof zijn vrijspraak heeft gebaseerd op niet bestaande wetgeving.
2.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt en enig materiaal aan/op/tegen de voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.”
2.3 Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao:
- zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan;
- terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde;
- terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt.”
2.4 De verdachte is daarmee vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden met een voertuig waarvan tegen de voorzijruiten enig materiaal was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.
2.5 Ten aanzien van deze vrijspraak bevat het vonnis de volgende motivering:
“
De verdachte wordt ervan verdacht op 16 december 2021 als bestuurder in een motorvoertuig te hebben gereden, waarvan de voorzijruiten van dat motorvoertuig beplakt waren met een materiaal als gevolg waarvan de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg. Als constatering van aspirant-agent [verbalisant] is in de Pro-Justitia oproeping van 16 december 2021 opgenomen dat de gebruikte meetapparatuur 17% aangaf.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken met welk apparaat (merk, model serienummer) de lichtdoorlaatbaarheid is gemeten en voorts of dit apparaat gecertificeerd en/of geijkt is.
Recent heeft het Hof in een andere strafzaak naar aanleiding van een soortgelijk gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist
‘
Deze overwegingen hebben ook in de onderhavige strafzaak te gelden, zodat het Hof de verdachte van dit feit zal vrijspreken.”
2.6 De steller van het middel betwist dat de geldende wetgeving op Curaçao speciale eisen stelt aan de apparatuur waarmee de lichtdoorlatendheid van motorvoertuigen wordt gemeten. Verder voert hij aan dat deze wetgeving – anders dan het Hof veronderstelt – geen specifieke Instructie ten aanzien van de meting van de lichtdoorlatendheid kent.
2.7 Art. 88 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000
“1. Ten aanzien van de inrichting van motorvoertuigen waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 3500 kg en die niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen gelden de volgende eisen. […] c. Ruiten: […] 2. het is verboden enig materiaal aan, op of tegen de voorruit te hechten, te plakken of aan te brengen; […] 4. het is toegestaan om enig materiaal aan, op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 70% wordt gehandhaafd. […] 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere inrichtingseisen worden gesteld.”
2.8 De vraag die in cassatie centraal staat, is of Curaçao wetgeving kent die normeert welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften deze apparatuur moet voldoen. De steller van het middel betwist dit en ook de verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat dergelijke wetgeving op Curaçao niet bestaat. Ik citeer uit de ter terechtzitting overgelegde pleitnota:
“Trouwens de eisen waaraan zowel het apparaat als de bediener ervan moeten voldoen staan nergens wettelijk vastgesteld waardoor de integriteit van het onderzoek nergens is geborgd. Op Sint-Maarten die met ons een gezamenlijk rechtspraak deelt, is wel hierin voorzien, teneinde de burger de juiste bescherming te bieden.”
2.9 In dit verband wijs ik erop dat de op Sint-Maarten geldende regelgeving omtrent de normering van meetapparatuur waarop de verdediging kennelijk doelde zeer eenvoudig is te vinden.
2.10 Dit leidt ertoe dat het middel mijns inziens slaagt. Hierbij verdient opmerking dat ik het bestaan van het Landsbesluit en de Instructie onmogelijk kan uitsluiten, maar de verwijzingen van het Hof zijn zo weinig specifiek dat ik hoe dan ook tot de conclusie kom dat de vrijspraak van het Hof ontoereikend is gemotiveerd.
2.11 Tot slot merk ik nog het volgende op ten aanzien van het belang bij cassatie. Op 22 september 2022 is de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 gewijzigd
“het is toegestaan om enig materiaal aan op of tegen de voorzijruiten te hechten, te plakken of aan te brengen met dien verstande dat een lichtdoorlaatbaarheidsnorm van 35% wordt gehandhaafd. Voor de meting van de lichtdoorlaatbaarheid is een foutmarge van 3% toegestaan.”
2.12 Deze voor de verdachte gunstigere bepaling zal na terugwijzing moeten worden toegepast. Dit doet echter niet af aan het belang bij cassatie, nu ik uit de overwegingen van het hof opmaak dat de gemeten lichtdoorlatendheid 17% bedroeg.
3 Slotsom
3.1 Het middel slaagt.
3.2 Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen.
3.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG