ECLI:NL:OGHACMB:2026:153 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-06-2026 / AUA 205H00207
Samenvatting
Zaak AUA202404285–AUA2025H00207 (uitspraak 9 juni 2026) — Gemeenschappelijk Hof van Justitie voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Partijen
- Appellante: [DE WERKNEMER], wonend in Aruba; gemachtigde: mr. M.B. Boyce.
- Geïntimeerde: LA PARCERA BAR & RESTAURANT V.B.A., gevestigd te Aruba; bestuurder aanwezig bij zitting: [PERSOONSNAAM 1]; gemachtigde: mr. A.E.A. Hernandez.
Proceduur
- Beroep ingesteld bij memorie van grieven ontvangen 8 augustus 2025 van de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba d.d. 1 juli 2025.
- Mondelinge behandeling Hof: 31 maart 2026 in Aruba. Beschikking Hof: 9 juni 2026.
- Het hoger beroep richtte zich uitsluitend tegen de door het Gerecht toegepaste matiging van de loonvordering (aftrek Afl. 2.000 per maand over april 2024–15 april 2025); overige uitspraken van het Gerecht werden niet bestreden.
Feiten en geschilpunt
- Het Gerecht had geoordeeld dat het ontslag vernietigbaar was en dat sprake was van overgang van onderneming, zodat de werkgever gehouden was tot loondoorbetaling vanaf 26 april 2024. Het Gerecht matigde de loonvordering door een maandelijkse aftrek van Afl. 2.000 over de periode april 2024 tot en met 15 april 2025, stellende dat de werknemer meteen na ontslag elders werkte.
- De werknemer stelt in hoger beroep dat zij pas vanaf 16 april 2025 (conform eerdere verklaring in eerste aanleg) legale arbeid kon verrichten wegens gebrek aan verblijfsvergunning; zij overlegde een schriftelijke arbeidsovereenkomst met ingang 1 april 2025 en verklaarde in hoger beroep dat zij reeds vanaf 1 februari 2025 een vast inkomen van Afl. 2.000 per maand verdiende, aanvankelijk deels zwart totdat zij op 15 april 2025 een werkvergunning kreeg.
- De werkgever voerde tegen dat de werknemer onmiddellijk na ontslag elders werkte (o.a. waarneming bij een gym) en dat haar verklaringen tegenstrijdig en laattijdig zijn.
Beoordeling Hof — rechtsgronden
- Het Hof verleent de werknemer op grond van overgelegde bewijs van onvermogen toestemming om kosteloos te procederen.
- Het Hof bevestigt dat het Gerecht terecht had geoordeeld dat het ontslag vernietigbaar was en dat de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling vanaf 26 april 2024; die grondslag werd niet bestreden in hoger beroep. Het geschil concentreert zich op de vraag vanaf welk moment (en dus vanaf wanneer) rekening gehouden moest worden met inkomsten elders bij matiging van de loonvordering.
- Het Hof benadrukt dat partijen in hoger beroep toelichting of correctie van eerdere verklaringen mogen geven, tenzij er sprake is van een gerechtelijke erkenning. Uit de griffieraantekeningen en zittingsverslag blijkt geen gerechtelijke erkenning door de werknemer dat zij onmiddellijk na ontslag vaste arbeid verrichtte; integendeel, er blijkt uit de eerste aanleg-akte dat zij verklaarde ‘dit jaar begonnen 26 februari 2025 Afl. 2.000,- contant’. De werknemer heeft toegelicht dat zij na ontslag ad hoc werk verrichtte (maaltijden bereiden en bezorgen, onder meer voor een gym) en dat dit geen structureel inkomen gaf; een vast maandelijks inkomen van Afl. 2.000 ontstond volgens haar vanaf februari 2025.
- De werkgever heeft dit niet voldoende gemotiveerd betwist en heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werknemer al veel eerder een vast maandinkomen van Afl. 2.000 had. Tegenstrijdigheid en laattijdigheid van stellingen leiden het Hof niet tot verwerping van de door de werknemer in hoger beroep en ter zitting nader gegeven uitleg.
Uitspraak (conclusie)
- Het Hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de matiging betrof (onderdeel 5.1) en wijst de vordering (voor een groter deel) toe.
- De werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van het nettoloon van de werknemer over de periode 26 april 2024 tot 25 juni 2025 (uitgangspunt: arbeidsovereenkomst beëindigd op 25 juni 2025 zoals in hoger beroep gebleken), met aftrek van elders ontvangen loon van Afl. 2.000 per maand vanaf februari 2025 (dus matiging pas vanaf 1 februari 2025). Achterstallig loon wordt verhoogd met de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging (max. 15% per periode) en met wettelijke rente vanaf opeisbaarheid tot voldoening.
- Voor het overige wordt de bestreden beschikking bevestigd.
- De werkgever wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (Afl. 900 griffierecht en Afl. 6.000 salaris gemachtigde aan de zijde van de werknemer). De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Verder in hoger beroep meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Slotopmerking
- Het Hof motiveerde uitgebreid waarom de werknemer in apel niet gehouden was aan een (vermeende) eerdere ‘gerechtelijke erkenning’ en waarom de feiten zoals nader toegelicht toereikend waren om matiging pas vanaf februari 2025 toe te passen; de werkgever heeft onvoldoende bewijs geleverd om een vroegere ingang van vast aanvullend inkomen aannemelijk te maken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Arbeidszaak; loonvordering na overgang onderneming; matiging wegens anders werk
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026 Registratienummers: AUA202404285–AUA2025H00207 Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[DE WERKNEMER],
wonend in Aruba, in eerste aanleg verzoekster, thans appellante, gemachtigde: mr. M.B. Boyce,
tegen
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LA PARCERA BAR & RESTAURANT VBA,
gevestigd in Aruba, in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. A.E.A. Hernandez.
Partijen worden hierna de werknemer en de werkgever genoemd.
1 Het verloop van de procedure
1.1 Bij op 8 augustus 2025 ingekomen beroepschrift (aangeduid als memorie van grieven), met producties, is de werknemer in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 1 juli 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking deels zal vernietigen en haar verzoeken alsnog (voor een groter deel) zal toewijzen met veroordeling van de werkgever in de kosten van beide instanties.
1.2 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in het Gerechtsgebouw in Aruba op 31 maart 2026. Partijen zijn verschenen (de werknemer in persoon en namens de werkgever [PERSOONSNAAM 1] de bestuurder), vergezeld van hun gemachtigden die hebben gepleit en daarbij gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. Verder zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.3 Beschikking is bepaald op vandaag.
2 De beoordeling
2.1 Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof de werknemer toestemming verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
2.2 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld (4.13) - samengevat -dat de werknemer op goede grond en tijdig de vernietigbaarheid van het (door de voorganger van de werkgever gegeven) ontslag heeft ingeroepen, dat sprake is van overgang van onderneming en dat op grond daarvan de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling van de werknemer vanaf 26 april 2024. Daartegen hebben de werknemer noch de werkgever in het hoger beroep bezwaren gericht. De in hoger beroep opgeworpen grief van de werknemer richt zich uitsluitend tegen de door het Gerecht toegepaste matiging van de loonvordering: namelijk voor zover daarin een aftrek van Afl. 2.000 per maand is toegepast over de periode april 2024 tot en met 15 april 2025. Volgens de werknemer is die matiging gebaseerd op een onjuist uitgangspunt, omdat zij niet al vanaf april 2024 elders inkomsten uit werk genoot, maar pas vanaf 16 april 2025.
2.3 De gemachtigde van de werknemer heeft in hoger beroep gesteld dat zij tijdens de zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat zij vanaf 16 april 2025 elders is begonnen met werken. Zij had vóór die datum geen verblijfsvergunning en kon dus geen legale arbeid verrichten. Zij heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst van haar nieuwe werkgever overgelegd die op 1 april 2025 is ingegaan. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft zij toegelicht dat zij bij haar nieuwe werkgever al is begonnen met werken op 1 februari 2025 en dat zij daarmee een bedrag van Afl. 2.000 verdiende dat aanvankelijk (totdat zij op 15 april 2025 een werkvergunning kreeg) geheel en daarna deels ’zwart’ werd betaald.
2.4 De werkgever heeft aangevoerd dat de werknemer meteen na het ontslag elders aan het werk is gezien. Zo zou zij zijn gesignaleerd bij de receptie van een gym (sportschool). De werknemer heeft desgevraagd tijdens de zitting bij het Gerecht concreet, ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verklaard dat zij onmiddellijk na het ontslag elders aan het werk is gegaan en daarmee Afl. 2.000 per maand verdiende. De in hoger beroep overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst kan daaraan niet afdoen. De stellingen van de werknemer zijn tegenstrijdig en daarmee ongeloofwaardig. Bovendien zijn deze nieuwe feiten te laat ingebracht en niet verenigbaar met haar eerdere proceshouding, aldus nog steeds de werkgever.
2.5 Het Hof stelt voorop dat het hoger beroep elke partij de mogelijkheid biedt om eigen fouten uit de eerste aanleg recht te zetten. Dat wil zeggen dat een partij ook mag terugkomen van een verklaring of deze nader mag toelichten of verduidelijken, tenzij sprake is van een gerechtelijke erkenning. Van dat laatste is in deze zaak geen sprake. Dat volgt niet uit de aantekeningen van de griffier van de zitting bij het Gerecht, die zich bij de stukken bevinden en die de gemachtigde van de werknemer ter griffie heeft ingezien (het Hof gaat ervan uit dat de gemachtigde van de werkgever die aantekeningen desverzocht ook had mogen inzien). Integendeel. Daaruit valt af te leiden dat de rechter op enig moment opmerkt dat de werkgever onbetwist heeft gesteld dat de werknemer na haar ontslag meteen elders is gaan werken. Direct daarop echter verklaart de gemachtigde van de werknemer dat zij pas ‘
2.6 De conclusie is dat de grief grotendeels slaagt. De loonvordering zal worden gematigd vanaf 1 februari 2025 omdat pas vanaf dat moment de werknemer een vast maandelijks inkomen heeft uit een ander dienstverband.
2.7 De bestreden beschikking zal deels worden vernietigd en het verzoek zal worden toegewezen met inachtneming van al het voorgaande en van het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 25 juni 2025 (zoals tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken). De werkgever zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent de werknemer toestemming om kosteloos te procederen;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de veroordeling in 5.1 en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de werkgever tot (door)betaling van het nettoloon van de werknemer vanaf 26 april 2024 tot 25 juni 2025, achterstallig loon te vermeerderen met (1) de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en (2) met wettelijke rente telkens gerekend vanaf de dag na het opeisbaar worden van dat loon tot de dag van algehele voldoening, dit alles met dien verstande dat het door de werknemer vanaf de maand **februari 2025 **elders ontvangen loon van Afl. 2.000 per maand telkens in mindering strekt op het aan haar te betalen achterstallig loon;
bevestigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt de werkgever in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de werknemer gevallen en tot op heden begroot op Afl. 900 voor griffierecht en op Afl. 6.000 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.