ECLI:NL:HR:2026:1477 Hoge Raad , 15-09-2026 / 24/01712
Samenvatting
De Hoge Raad (Strafkamer, nr. 24/01712, arrest 15 september 2026) behandelde het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] (geb. 1954). Het OM vorderde vernietiging; de advocaat‑generaal M.E. van Wees had eveneens vernietiging en terugwijzing geadviseerd.
Feiten en tenlastelegging
- De verdachte stuurde in de periode 9 juli 2014–12 april 2017 samen met zijn echtgenote [betrokkene 3] en dochter [betrokkene 4] via money transfers (tussenpersonen in Turkije en Libanon) meerdere kleine contante bedragen (in totaal €4.550,-) naar personen in Syrië. De betalingen waren bestemd voor zijn naar Syrië vertrokken dochter [betrokkene 2] en haar man/schoonzoon [betrokkene 1], die door het OM werd aangemerkt als een IS‑jihadstrijder.
- De tenlastelegging omvatte drie feiten: (1) meermalen medeplegen van financieren van terrorisme (artikel 421 Sr — opzetvereiste), (2) meermalen – al dan niet opzettelijk – overtreden van voorschriften krachtens artikel 2 Sanctiewet 1977 / Verordening (EG) nr. 881/2002 / Sanctieregelingen (gericht op ter beschikking stellen van middelen aan ISIS/Al‑Qaida e.a.) en (3) overeenkomstige overtreding gericht op ter beschikking stellen van middelen aan [betrokkene 1] onder de Sanctieregeling terrorisme 2007‑II.
Beoordeling hof en lagere uitspraak
- Het hof stelde vast dat de verdachte en zijn familie in totaal €4.550 hebben overgemaakt via tussenpersonen en dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zich in Syrië bevonden. De verdachte verklaarde dat hij de gelden voor het levensonderhoud van zijn dochter en om haar terugkeer mogelijk te maken had overgemaakt; hij ontkende kennis van deelname aan een terroristische organisatie door zijn schoonzoon.
- Het hof sprak de verdachte vrij van feit 1 (artikel 421 Sr) wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van opzet (ook voorwaardelijk opzet): onvoldoende bewijs dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gelden bedoeld waren om steun te verlenen aan een in artikel 421 Sr genoemd terroristisch misdrijf.
- Voor de feiten 2 en 3 oordeelde het hof dat het opzet ontbreekt maar dat de overtredingsvariant (niet‑opzettelijke overtreding) wel bewezen is; de verdachte werd daarvoor veroordeeld.
Cassatieprocedure en beslissingen Hoge Raad
- Eerste cassatiemiddel (vrijspraak art. 421 Sr): de Hoge Raad verwerpt de klacht van het OM. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 421 Sr opzettelijk handelen vereist gericht op het verlenen van geldelijke steun aan een van de in dat artikel genoemde misdrijven. Voorwaardelijk opzet volstaat, maar het hof heeft terecht geoordeeld dat de feiten en het verhandelde materiaal onvoldoende aantonen dat de verdachte zodanig (voorwaardelijk) opzet had dat de overgemaakte gelden dienden ter financiering van terroristische misdrijven. De vrijspraak van feit 1 blijft in stand.
- Tweede en derde cassatiemiddel (feiten 2 en 3 — sanctierecht): de Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. Voor de opzettelijke overtreding van voorschriften uit de Sanctiewet/Verordening/Sanctieregelingen hoeft niet bewezen te worden dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het ging om terroristische organisaties of personen. Vereist is wél dat bewezen wordt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden/economische middelen aan de in de tenlastelegging concreet genoemde personen of organisaties. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld alsof bewijs van wetenschap dat het om terroristische organisaties/personen ging nodig was. Die onjuiste rechtsopvatting leidt tot vernietiging voor wat betreft de beslissingen over feiten 2 en 3 en de strafoplegging.
- Gevolg: de Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het ziet op de beslissingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de opgelegde straf en verwijst die onderdelen terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing. Het overige van het cassatieberoep wordt verworpen.
Kern van de juridische afwegingen
- Verschil in bewijseisen: artikel 421 Sr vereist opzet gericht op financieren van terroristische misdrijven (waaronder voorwaardelijk opzet — bewust aanvaarden van aanmerkelijke kans); sanctiewetgeving (artikelen op grond van Sanctiewet/Verordening/Sanctieregelingen) richt zich op het ter beschikking stellen van middelen aan concreet aangewezen personen/entiteiten; bij die delicten volstaat bewijs van (voorwaardelijk) opzet ten aanzien van het bereiken van die specifieke bestemmeling(en) en is kennis van het terrorismerkarakter niet vereist.
- Hof had voor feit 1 terecht onvoldoende bewijs geacht; voor feiten 2 en 3 heeft het hof een te hoge eis gesteld, waardoor het oordeel daarover onjuist is en herziening en nadere beoordeling noodzakelijk zijn.
Beslissingstransactie: vernietiging beperkt tot 2 en 3 en strafoplegging; terugverwijzing; overige beslissingen (vrijspraak feit 1 en het deel van de uitspraak dat niet over 2 en 3 gaat) blijven in stand.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. financieren van terrorisme (art. 421.1.a Sr) en opzettelijk overmaken van geldbedragen aan tussenpersoon t.b.v. zijn naar Syrië uitgereisde dochter, meermalen gepleegd (art. 2 Sanctiewet 1977). 1. Vrijspraak financieren van terrorisme t.a.v. opzet a.b.i. art. 421.1.a Sr. 2. Vrijspraak overmaken van geldbedragen t.a.v. opzet a.b.i. art. 2.1 WED jo. 2 Sanctiewet 1977. Ad 1. Voor vervullen van delictsomschrijving van art. 421 Sr is o.m. vereist dat opzet van verdachte gericht is op het (door verrichten van de in art. 421.1.a Sr genoemde gedragingen) verlenen van geldelijke steun aan plegen van een van de in dat art. genoemde misdrijven, zonder dat vast hoeft te staan om welk misdrijf het exact gaat. Onder dit opzet is mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 421 Sr ook voorwaardelijk opzet begrepen, oftewel bewust door verdachte aanvaarden van aanmerkelijke kans dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan misdrijf genoemd in art. 421 Sr. Hof heeft vastgesteld dat verdachte van 9-7-2014 t/m 12-4-2017 samen met zijn echtgenote en dochter in totaal € 4.550 heeft overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van verdachte en haar man hebben doen toekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij geld overmaakte voor levensonderhoud van zijn dochter en om haar te helpen weg te komen uit strijdgebied in Syrië. Hof is bij beantwoording van vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld uitgegaan van toetsingskader dat hiervoor is weergegeven. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat verdachte moet worden vrijgesproken van tlgd., omdat tlgd. opzet niet bewezen kan worden verklaard. Hof heeft bij dat oordeel o.m. betrokken dat niet is gebleken “dat verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.” In ‘s hofs overwegingen ligt verder besloten dat niet is komen vast te staan dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan misdrijf genoemd in art. 421 Sr. Tegen achtergrond van hiervoor weergegeven juridisch kader getuigen die oordelen niet van onjuiste rechtsopvatting en zijn oordelen ook, verweven als deze zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk. Ad 2. Voor veroordeling voor opzettelijke overtreding van art. 2 Sanctiewet 1977 is niet vereist dat opzet van verdachte was gericht op niet naleven van de in tll. bedoelde wettelijke regelingen. In geval als dit, waarin het gaat om ter bestrijding van terrorisme genomen sanctiemaatregelen tegen op openbaar gemaakte sanctielijst geplaatste organisaties of personen, geldt dat bewezen moet worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden en/of economische middelen aan de in tll. nader geconcretiseerde personen of organisaties. Daarbij doet voor bewijsvraag niet ter zake of verdachte wist dat dit terroristische organisaties en/of personen die betrokken zijn bij terroristische organisaties, betroffen (vgl. HR:2023:2). Ook is i.v.m. bewijsvraag niet vereist dat verdachte wist of bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in tll. genoemde personen of organisatie(s) vermeld stonden op de in tll. genoemde (sanctie)lijsten en/of -regelingen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte via tussenpersonen geld heeft verstuurd dat bedoeld was voor zijn dochter en dat hij wist dat zijn dochter was getrouwd met A. Hof heeft verdachte echter vrijgesproken van tlgd. opzet en daarbij in de kern aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat er geen bewijsmiddel is “op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot zich bij terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden t.b.v. terroristische misdrijven”. ’s Hofs kennelijke opvatting dat voor bewezenverklaring vereist is dat verdachte wist of bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit terroristische organisaties en/of personen betrof, is onjuist. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG anders t.a.v. opzet a.b.i. art. 421.1.a Sr.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **24/01712
Datum15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2024, nummer 22-000550-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing naar het hof Den Haag opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 De uitspraak van het hof
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij (samen met anderen) via tussenpersonen geld heeft gestuurd aan zijn naar Syrië uitgereisde dochter en/of haar man, een strijder van de gewapende Jihadstrijd. Dit is aan de verdachte tenlastegelegd als drie afzonderlijke strafbare feiten. De tenlastelegging houdt, kort gezegd, in dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gestelde (medeplegen van) het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd (feit 1) en aan (het medeplegen van) het – al dan niet opzettelijk – overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd (feit 2 en 3). Het hof heeft ten aanzien van deze feiten onvoldoende bewijs aanwezig geacht voor het tenlastegelegde opzet. Om die reden heeft het hof de verdachte vrijgesproken van feit 1, welk feit alleen strafbaar is als het opzettelijk wordt begaan. Het hof heeft de verdachte ook vrijgesproken van de feiten 2 en 3, voor zover ten laste is gelegd dat de verdachte deze feiten opzettelijk zou hebben begaan. De verdachte is veroordeeld voor het niet opzettelijk begaan van deze feiten (de overtredingsvariant).
2.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “1. hij (telkens) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 te Delft en/of Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon, en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich en/of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of aan (een) ander(en) heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:
- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) alstoen aldaar één of meer (contant) geldbedrag(en), te weten
A. 260 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 3890685998, en/of 281 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2263858342, en/of 281 euro, althans enige geldbedrag onder (controle)nummer 7457365269, en/of
B. 231 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1935032803, en/of 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1733572003, en/of.
C. 586 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2029643471 en /of
D. 355 euro, althans enig gelbedrag onder (controle)nummer 8614173218 en/of
E. 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 7434719413, en/of 471,02 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 5934908650, en/of
F. 861,- euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2381973355 en/of
G. 200 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 9403535254 en/of
H. 376 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 8041304591 en/of
(via een money transfer) naar A. [betrokkene 5] en/of B. [betrokkene 6] en/of C. [betrokkene 7] en/of, D. [betrokkene 8] en/of E. [betrokkene 9] en/of F. [betrokkene 10] en/of G. [betrokkene 11] en/of H. [betrokkene 12]
althans één of meer tussenpersonen in Turkije en/of Libanon en/of Syrië, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije en/of Libanon en/of Syrië verzonden, terwijl dit/ deze (geld)bedrag(en) bestemd was/ waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden gepleegd,
te weten ten behoeve van [betrokkene 2], zijnde de dochter van verdachte en/of
[betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ), zijnde de schoonzoon van de verdachte, een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(s) Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en) /organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven,
en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;
hij (telkens) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 te Delft en/ of Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad Van de Europese unie van 27 mei 2002 en/of art. 2 Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachten
aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU) (en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties),
direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten, die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) (a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, direct of indirect één of meer (contante) geldbedrag(en), te weten,
A. 260 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 3890685998, en/of 281 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2263858342, en/of 281 euro, althans enige geldbedrag onder (controle)nummer 7457365269, en/of
B. 231 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1935032803, en/of 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1733572003, en/of
C. 586 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2029643471 en/of
D. 355 euro, althans enig gelbedrag onder (controle)nummer 8614173218 en/of
E. 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 7434719413, en/of 471,02 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 5934908650, en/of
F. 861,- euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2381973355 en/of
G. 200 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 9403535254 en/of
H. 376 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 8041304591 en/of
al dan niet opzettelijk, (via een money transfer) ter beschikking heeft/hebben gesteld
en/of op andere wijze, al dan niet opzettelijk, (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq;
hij (telkens) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 oktober 2015 tot en met 12 april 2017 te Delft en/ of Rotterdam en/of Den Haag en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 (lid 3) en/of 4 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) rechtstreeks dan wel middellijk middelen (in de vorm van (een) (geld)bedrag(en) van
B. 231 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1935032803, en/of 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 1733572003, en/of
C. 586 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2029643471 en/of
D. 355 euro, althans enig gelbedrag onder (controle)nummer 8614173218 en/of
E. 300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 7434719413, en/of 471,02 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 5934908650, en/of
F. 861,- euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 2381973355 en/of
G. 200 euro, althans enig geldbedrag onder (controle)nummer 9403535254 en/of
H. 376 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 8041304591 en/of
al dan niet opzettelijk, (via een money transfer) en/of tussenperso(o)n(en), rechtstreeks en/of middellijk, ter beschikking heeft/hebben gesteld aan of ten behoeve van [betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ), terwijl die [betrokkene 1] (alias [betrokkene 1] ) bij besluit van 30 maart 2015 door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.”
2.3 De bewezenverklaring is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2. Als gezegd heeft het hof de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en het onder 2 en 3 tenlastegelegde alleen bewezenverklaard, voor zover het de niet-opzettelijke overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 betreft.
2.4 Het arrest van het hof houdt onder meer in: “Vrijspraak feit 1 en opzetvarianten feit 2 en 3 Onder feit 1 wordt aan de verdachte - kort gezegd - verweten dat hij zich samen met anderen meermalen opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan terrorismefinanciering, zoals strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.).
Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.
In de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 heeft de verdachte, samen met zijn echtgenote [betrokkene 3] en zijn dochter [betrokkene 4] vanuit Nederland geldbedragen (in totaal € 4.550,-) overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van de verdachte, [betrokkene 2] , en haar man [betrokkene 1] hebben doen toekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in Syrisch strijdgebied woonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet wist wat er in de tenlastegelegde periode in Syrië gebeurde. Hij wist niet wat zijn dochter in Syrië deed. Evenmin wist hij dat zijn schoonzoon, met wie hij nooit veel contact had gehad, een IS jihadstrijder was. De verdachte meed de media en werkte de hele dag hard. De verdachte heeft verder verklaard dat voornamelijk zijn echtgenote het contact met [betrokkene 2] onderhield en dat hij alleen wist dat zijn dochter naar Nederland wilde terugkeren. Hij heeft de geldbedragen enkel naar zijn dochter gestuurd voor haar levensonderhoud en om haar te helpen om weg te komen uit Syrië.
De advocaat-generaal heeft betoogd - samengevat - dat kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat hij geld overmaakte aan een terroristische organisatie en dat hij dat dus opzettelijk deed. Het was in die tijd algemeen bekend dat in Syrië werd gevochten en dat IS terroristische misdrijven pleegde. Verder was algemeen bekend dat [betrokkene 1] een IS jihadstrijder was. De verdachte wist dat het geld (ook) bij [betrokkene 1] terechtkwam. Dit blijkt uit WhatsApp-gesprekken tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . De verdachte handelde dus met vol opzet (noodzakelijkheidsbewustzijn) of minstens met voorwaardelijk opzet.
Opzet? Het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het door artikel 421 Sr vereiste opzet. Minimaal moet kunnen worden bewezen dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat er een aanmerkelijke kans was dat het geld (gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven als omschreven in 421 Sr. Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting bevat dergelijk bewijs. Aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat aannemelijk is dat de verdachte wel iets moet hebben geweten over de situatie in Syrië van destijds, maar er is geen bewijsmiddel op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr. Een dergelijke wetenschap valt evenmin af te leiden uit verdachtes eigen verklaring of uit de verklaringen van andere betrokkenen zoals zijn echtgenote en zijn dochter [betrokkene 4]. Bij dit oordeel betrekt het hof verder dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Feiten 2 en 3 Onder feit 2 wordt de verdachte - verkort weergegeven - verweten dat hij, in strijd met de in de tenlastelegging genoemde (nationale en Europeesrechtelijke) bepalingen, economische middelen (geldbedragen) ter beschikking heeft gesteld aan terroristische organisatie IS.
Onder feit 3 wordt de verdachte - verkort weergegeven - verweten dat hij, in strijd met de in de tenlastelegging weergegeven wet- en regelgeving, middelen (geldbedragen) ter beschikking heeft gesteld aan [betrokkene 1] .
Overtreding van de in feit 2 en 3 genoemde voorschriften is op grond van artikel 1 onder 1 in verbinding met artikel 2 lid 1 van de Wet op de economische delicten een misdrijf voor zover dit opzettelijk is begaan. Voor zover het opzet niet kan worden bewezen dan kan op grond van artikel 6 eerste lid onder 4 sprake zijn van overtreding van deze bepalingen in de overtredingsvariant.
Om te kunnen bewijzen dat de voorschriften opzettelijk zijn overtreden is niet vereist dat wordt bewezen dat er opzet bestond op overtreding van de in de tenlastelegging opgenomen normen. Het opzet is kleurloos. Wel dient te worden bewezen dat de verdachte opzet had dat de geldbedragen direct of indirect bij (een) terroristische organisatie(s) (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3), jegens wie toen de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing was, zou terechtkomen. Dit betekent dat minimaal moet worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het financieren van terrorisme, doordat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem overgemaakte geld geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3).
Bij de beoordeling van feit 1 heeft het hof overwogen dat niet kan worden bewezen dat de verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Onder verwijzing naar hetgeen hierover is overwogen in feit 1 onder het kopje 'opzet?' is ook voor het opzettelijk overtreden van de onder 2 en 3 tenlastegelegde overtredingen van de Sanctiewet 1977, onvoldoende bewijs nu niet op zijn minst kan worden bewezen dat de verdachte bewust een aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door de verdachte overgemaakte geldbedragen geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (een daaraan gelieerde tussenpersoon) (feit 2) of bij [betrokkene 1] , jegens wie toen de Sanctieregeling terrorisme 2007-11 van toepassing was (feit 3).
Wetenschap bij de verdachte dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in Syrisch strijdgebied woonden is onvoldoende om (voorwaardelijk) opzet bewezen te verklaren. Dat de verdachte via een artikel in een Nederlands tijdschrift en/of door publicatie op rechtspraak.nl van het jegens [betrokkene 1] gewezen (verstek) vonnis in zijn strafzaak ervan op de hoogte is geraakt dat hij een IS jihadstrijder was, hetgeen de verdachte heeft betwist, berust op speculatie.
Wel kan worden bewezen dat de verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de onder feiten 2 en 3 tenlastegelegde overtredingsvariant.”
3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
3.2.1 De tenlastelegging is toegesneden op artikel 421 lid 1, aanhef en onder a, Sr. Deze bepaling luidt: “Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie: a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;”
3.2.2 Artikel 421 Sr is ingevoerd bij de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafrecht BES, en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het financieren van terrorisme (Strafbaarstelling financieren van terrorisme), Stb. 2013, 292. De geschiedenis van de totstandkoming van deze wet houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting: “3.2 De financieringshandelingen Het financieren van terrorisme kan in de praktijk een veelvoud aan verschillende verschijningsvormen aannemen. Het gaat in ruime zin om alle wijzen waarop in financieel en economisch opzicht steun wordt geboden aan het plegen van daden van terrorisme of feiten die daarmee direct verband houden. In de voorgestelde delictsomschrijving wordt dit samengevat als «het verlenen van geldelijke steun», waaronder moet worden verstaan het verlenen van enig in geld waardeerbaar voordeel. (...) De financieringshandelingen zelf kunnen divers van aard zijn. Het kan gaan van het werven van fondsen (bijvoorbeeld door het houden van een collecte voor een gefingeerd goed doel), het voorhanden hebben van geld dat dient om een aanslag te financieren, het geven van informatie over financiering, tot het daadwerkelijk ter beschikking stellen van geldelijke steun. In de kern gaat het om «het vergaren of het aan een ander verstrekken» van fondsen, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het VN Verdrag. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de termen «verzamelen», «verwerven» en «aan een ander verschaffen» op te nemen in de voorgestelde delictsomschrijving. Echter is besloten de reikwijdte van de strafbaarstelling te verbreden, en daarmee de mogelijkheden voor strafrechtelijke vervolging te verruimen, door ook de feitelijke situatie van het voorhanden hebben van voorwerpen die dienen tot het financieren van terrorisme onder het bereik van de strafwet te brengen. Tevens is het zich of een ander middelen of inlichtingen verschaffen die dienen om terrorisme te financieren strafbaar gesteld. Hiermee wordt ook het opzetten van financiële constructies, dat een essentiële plaats kan innemen in een traject van het financieren van aanslagen, onder het bereik van de strafwet gebracht. Met opneming van de zinsneden «geheel of gedeeltelijk» en «onmiddellijk of middellijk» wordt bewerkstelligd dat ook financiering van slechts een deel van een terroristische daad, of financiering die plaatsvindt via andere personen of rechtspersonen, onder de werking van de strafbepaling valt. Poging de genoemde handelingen te plegen is eveneens strafbaar. (...)
3.3 Het opzet van de dader op het financieren van terrorisme De financieringshandelingen hebben tot doel het verlenen van geldelijke steun aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, of een van de andere genoemde misdrijven. Het opzet van de dader zal op verwezenlijking van dit doel moeten zijn gericht. Het opzet van de dader zal kunnen worden vastgesteld op subjectieve wijze – waar is de wil van de dader naar eigen verklaring op gericht? – en op objectieve wijze: waar is het handelen van de dader naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op gericht? In dit kader kan ook worden gewezen op de typologieën van terrorismefinanciering ontwikkeld door de FATF, die behulpzaam kunnen zijn bij het duiden van het handelen van de dader.
Het vereiste van opzet bij de dader komt tot uitdrukking in de delictsomschrijving door opneming van de term «opzettelijk». Artikel 2 van het VN Verdrag verplicht tot – ten minste – strafbaarstelling van verstrekking van financiële middelen als dit geschiedt «met de bedoeling of met de wetenschap dat» deze worden gebruikt om terroristische daden te plegen. Het in artikel 2 van het VN Verdrag opgenomen «met de bedoeling dat» komt overeen met de uitleg die in het Nederlandse strafrecht doorgaans wordt gegeven aan handelen «met het oogmerk om». Het oogmerk veronderstelt een sterke wil bij de dader van het beoogde resultaat van zijn handelen. Het vaststellen van voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende. In de Nederlandse strafrechtsleer wordt de tweede opzetmodaliteit die artikel 2 van het VN Verdrag vermeldt, «met de wetenschap dat», beschouwd als een meer algemene uitdrukking van het opzet van de dader. Hiervoor is in beginsel het vaststellen van voorwaardelijk opzet – bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het handelen het vermelde resultaat heeft – voldoende (J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, blz. 245–249). Uit het voorgaande volgt dat aan de opzetmodaliteiten genoemd in artikel 2 VN Verdrag onvoldoende uitvoering kan worden gegeven door enkele opneming van «met het oogmerk om» als opzetvereiste in de strafbaarstelling. Daarom is ervoor gekozen om het opzetvereiste tot uitdrukking te brengen met de term «opzettelijk». Hieruit volgt ook dat telkens voorwaardelijk opzet bij de dader voldoende is voor strafbaarheid: dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme (vgl. ook Hoge Raad 7 juli 2009, NJ 2009, 401 over voorwaardelijk opzet bij voorbereidingshandelingen). Extra opneming van de zinsnede «wetende dat» naast «opzettelijk», zoals de NOvA in zijn advies voorstelde, is in het licht van het gegeven dat het opzet van de dader betrekking zal moeten hebben op alle bestanddelen van de delictsomschrijving die volgen na de term «opzettelijk», overbodig.
De dader behoeft niet het oog te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf, bijvoorbeeld een aanslag op een bepaald doelwit. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf als genoemd in het artikel, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat. In die zin bestaat – zoals het OM in zijn advies opmerkte – enige parallel met de strafbaarstelling van witwassen, waar het in het verleden gepleegde misdrijf waarvan gelden afkomstig zijn, niet exact behoeft komen vast te staan. Maar er is ook een aanmerkelijk verschil: in geval van het voorgestelde artikel 421 Sr zal wel zekerheid moeten bestaan dat het handelen en het opzet op het financieren bij de dader, een misdrijf betreft dat valt binnen de verzameling van in de strafbepaling genoemde misdrijven. Het is daarbij niet van belang hoe het gefinancierde terroristische feit na voltooiing uiteindelijk strafrechtelijk wordt gekwalificeerd: wordt het feit slechts aangemerkt als eenvoudige zaaksvernieling (artikel 350 Sr), dan doet dit niet af aan de strafbaarheid van de financiering als deze zag op een gekwalificeerde vorm van vernieling – bijvoorbeeld vernieling met een terroristisch oogmerk (artikel 354a Sr) of de vernieling van een luchtvaartuig (artikel 168 Sr) genoemd in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 421 Sr. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer het misdrijf waarop de financiering zag niet wordt gepleegd, of wanneer daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt (vgl. artikel 2, derde lid, VN Verdrag). Ten slotte merk ik op dat op basis van het hiervoor uiteengezette opzetverband, de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden.
3.4 De misdrijven waarop de financiering ziet (...) Ten slotte wordt gewezen op de verplichting tot strafbaarstelling, geformuleerd in punt 2 van de Interpretive Note bij Aanbeveling 5, om ook de financiering van terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. Aan deze verplichting wordt op de volgende wijzen voldaan. De geldelijke ondersteuning van een persoon die volgens de FATF-terminologie dient te worden aangeduid als «terrorist» (zijnde een persoon die terroristische daden pleegt, dan wel aan het plegen daarvan als medeplichtige, of als leider van of deelnemer aan een organisatie acteert die tot oogmerk heeft het plegen terroristische misdrijven) is via de band van voorwaardelijk opzet strafbaar: de dader aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische daden.” (Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 3, p. 3-7.)
- de nota naar aanleiding van het verslag: “3.2. Het opzet van de dader op het financieren van terrorisme De leden van de VVD-fractie vestigden de aandacht op het feit dat bij hantering van zwaardere opzetvarianten dan het in het wetsvoorstel gekozen vereiste van voorwaardelijk opzet financiers van terroristische misdrijven mogelijk vrijuit zouden gaan. Graag stel ik voorop dat uit de internationale verplichtingen voortvloeit dat ook in gevallen moet kunnen worden opgetreden waarin naar Nederlands recht sprake is van «voorwaardelijk opzet». Dat is zoals deze leden opmerkten niet zonder reden: een effectieve bestrijding van de financiering van terrorisme vereist dat de mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging niet beperkt blijven tot situaties waarin de dader het oogmerk heeft op de financiering van een concrete aanslag, maar ook wanneer hij in ieder geval doelbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat – bijvoorbeeld door geldelijke steun te verlenen aan personen van wie hij weet dat ze plannen maken om aanslagen te plegen –, moet kunnen worden opgetreden ook onafhankelijk van de vraag of die plannen uiteindelijk worden uitgevoerd. (...) De leden van de SP-fractie merkten op dat het kabinet ervoor heeft gekozen de term «opzettelijk» in het nieuwe artikel op te nemen, waarmee het bewijzen van voorwaardelijk opzet voldoende kan zijn voor een veroordeling. Ook als uiteindelijk slechts een eenvoudige zaaksvernieling plaatsvindt, kan met de financiering daarvan nog steeds de aanmerkelijke kans zijn aanvaard dat er een terroristisch feit zou worden gepleegd. Graag verduidelijk ik dat het opzet van de dader gericht moet zijn op financiering van een strafbaar feit dat valt onder de misdrijven genoemd in artikel 421 Sr. Of het na de verstrekte geldelijke steun uiteindelijk komt tot het plegen van een daad van terrorisme en of de gepleegde daad kwalificeert als een terroristisch misdrijf of ander misdrijf genoemd in het voorgestelde artikel 421 Sr is voor de strafbaarheid niet van belang: het laakbare handelen schuilt immers in het opzettelijk financieel mogelijk maken van daden van terrorisme, een buitengewoon ernstig feit. Hiermee beantwoord ik ook de vraag van deze leden wat de keuze voor voorwaardelijk opzet als opzet-vereiste rechtvaardigt. Daarbij kan verder erop worden gewezen dat ook bij de huidige strafbaarstelling van financieren van terrorisme, via de weg van artikel 46 Sr – de strafbare voorbereiding van ernstige misdrijven –, voorwaardelijk opzet voldoende is (vgl. Hoge Raad 7 juli 2009, LJN: BH9030).
De aan het woord zijnde leden legden voorts enkele casusposities voor. Zij wilden weten hoe voorkomen wordt dat een burger die een persoon de weg wijst naar een luchthaven of bijvoorbeeld zijn treinkaartje daarheen betaalt, alwaar die persoon een terroristisch feit pleegt, strafbaar is. Dezelfde vraag stelden zij over de situatie waarin een persoon geld doneert in een collectebus zonder te weten dat de opbrengsten bestemd zijn voor de financiering van terrorisme. In de door deze leden beschreven gevallen is geen sprake van het vereiste (voorwaardelijk) opzet bij de betrokkene, het door hem bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat de geldelijke steun wordt gebruikt voor terroristische daden. De strafbaarstelling van terrorismefinanciering vindt dientengevolge geen toepassing. Dat zou anders kunnen zijn, ik maak gebruik van een van de voorbeelden die deze leden gaven, wanneer het algemeen bekend is dat de organisatie waarvoor wordt gecollecteerd betrokken is bij terroristische aanslagen. Ten slotte vroegen deze leden of het niet beter was het opzetvereiste in de aanbeveling van de FATF te vertalen naar «oogmerk» of «wetenschap». Onder verwijzing naar hetgeen ik hierboven reeds heb opgemerkt, kan indien de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de dader wordt beperkt tot die gevallen waarin hij het «oogmerk» heeft – een sterke wil gericht op het resultaat van zijn steun, het plegen van een daad van terrorisme – niet worden voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het VN Verdrag en de aanbevelingen van de FATF. «Wetenschap» omvat naar Nederlands strafrecht mede voorwaardelijk opzet, dus brengt ten opzichte van het in het voorgestelde artikel 421 Sr opgenomen «opzettelijk» geen verandering in het opzetvereiste. (...) De leden van de SGP-fractie gaven aan dat in de toelichting op het wetsvoorstel parallellen worden getrokken met de strafbaarstelling van witwassen. Bij het verschaffen van geld moet inderdaad sprake zijn van opzet gericht op het plegen van één van de misdrijven genoemd in het voorgestelde artikel 421 Sr. Deze leden hadden de indruk dat het heel moeilijk zal zijn daadwerkelijk vast te stellen dat de betrokkene het opzet heeft gehad op één specifiek delict. Graag merk ik op dat dit laatste niet nodig is. Volstaan kan worden met het bewijzen dat het opzet van de betrokkene gericht was op een in artikel 421 Sr genoemd delict, waarbij in het midden kan blijven welk delict dit precies zou zijn geweest. Met andere woorden: wanneer vast komt te staan dat de verdachte een aanslag wilde financieren, behoeft niet te worden bewezen dat het om het financieren van moord, brandstichting, een gekwalificeerde vorm van zaaksbeschadiging of specifiek ander feit ging. Deze leden vroegen voorts of overwogen is in de strafbaarstelling te kiezen voor minder zware eisen aan het bewijs dat nodig is voor een bewezenverklaring ter zake van het financieren van terrorisme. Ik kan deze leden antwoorden dat dit niet is overwogen. Bij het opstellen van wetgevende maatregelen op het gebied van de strafrechtelijke bestrijding van terrorisme is door het kabinet nu en in het verleden steeds als uitgangspunt genomen dat die maatregelen dienen aan te sluiten bij de bestaande strafwetgeving en dat deze derhalve ook dienen te voldoen aan de geldende eisen bijvoorbeeld wat betreft het waarborgen van het onschuldvermoeden.” (Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 6, p. 5-8.)
3.3 Voor het vervullen van de delictsomschrijving van artikel 421 Sr is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte gericht is op het, door het verrichten van de in dat artikel in lid 1, aanhef en onder a genoemde gedragingen, verlenen van geldelijke steun aan het plegen van een van de in dat artikel genoemde misdrijven, zonder dat vast hoeft te staan om welk misdrijf het exact gaat. Onder dit opzet is mede gelet op de onder 3.2.2 weergegeven wetsgeschiedenis ook voorwaardelijk opzet begrepen, oftewel het bewust door de verdachte aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan een misdrijf genoemd in artikel 421 Sr.
3.4.1 Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte heeft in de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017, samen met zijn echtgenote [betrokkene 3] en dochter [betrokkene 4] , in totaal € 4.550 overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van de verdachte en haar man [betrokkene 1] hebben doen toekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij geld overmaakte voor het levensonderhoud van zijn dochter en om haar te helpen weg te komen uit het strijdgebied in Syrië.
3.4.2 Uit zijn hiervoor onder 2.4 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, is uit gegaan van het toetsingskader dat onder 3.3 is weergegeven. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat het tenlastegelegde opzet niet bewezen kan worden verklaard. Het hof heeft bij dat oordeel onder meer betrokken dat niet is gebleken “dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.” In de overwegingen van het hof ligt verder als oordeel van het hof besloten dat niet is komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan een misdrijf genoemd in artikel 421 Sr. Tegen de achtergrond van het onder 3.3 weergegeven juridisch kader getuigen die oordelen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook zijn die oordelen, verweven als deze zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk.
3.5 Het cassatiemiddel faalt.
4 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.1 De cassatiemiddelen zien op het onder 2 en 3 tenlastegelegde en klagen over het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde opzet niet kan worden bewezen.
4.2 De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op onder meer artikel 2 van de Sanctiewet 1977, in samenhang met artikel 2 lid 1 van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 (oud), artikel 2 lid 1 van de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 en artikel 2 lid 2 (oud) van de Verordening (EG) 881/2002 van 27 mei 2002 (hierna: de Verordening). De tenlastelegging van feit 3 is toegesneden op onder meer artikel 2 van de Sanctiewet 1977, in samenhang met artikel 2 lid 3 en/of 4 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II.
4.3 Het juridisch kader is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.5 tot en met 4.8. In het bijzonder zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 2 Sanctiewet 1977: “1. Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld. 2. Indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze vaststellen.”
- Artikel 3 lid 1 en 2 Sanctiewet 1977: “1. De in artikel 2 bedoelde regels kunnen betreffen het goederen-, diensten- en financieel verkeer, de scheepvaart, de luchtvaart, het wegverkeer, de post en de telecommunicatie en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2. 2. Onder het in het eerste lid genoemde verkeer wordt begrepen iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks is gericht op het bewerkstelligen van zulk verkeer.”
- Artikel 2 lid 1 Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 (oud): “Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 4, 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 met dien verstande dat het verbod te handelen in strijd met vorenbedoeld artikel 2 niet van toepassing is in gevallen waarin artikel 2 bis of artikel 2 ter van Verordening (EU) nr. 881/2002 van toepassing is.”
- Artikel 2a Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 (oud): “De artikelen 1, 2, 3 en 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa’ida-netwerk (Pb EG L 139) zijn van overeenkomstige toepassing jegens de natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die zijn vermeld op de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en die niet zijn vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie.”
- Artikel 2b Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 (oud): “Overtreding van de in artikel 2a van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen ten aanzien van de in artikel 2a bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten is verboden.”
- Artikel 2 lid 1 Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 (oud): “Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 4, 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa’ida-netwerk (Pb EG L 139) met dien verstande dat het verbod te handelen in strijd met vorenbedoeld artikel 2 niet van toepassing is in gevallen waarin artikel 2 bis of artikel 2 ter van Verordening (EG) nr. 881/2002 van toepassing is.”
- Artikel 2 lid 1, 3 en 4 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II: “1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001, kan de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit vaststellen. (...) 3. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid. 4. Het is verboden aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen. (...)”
- Artikel 2 lid 2 (oud) van de Verordening: “Aan of ten behoeve van de in bijlage I genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten, lichamen of groepen mogen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.”
4.4.1 Overtreding van het voorschrift van artikel 2 Sanctiewet 1977 zoals hier aan de orde, is op grond van artikel 1, onder 1, in samenhang met artikel 2 lid 1 van de Wet op de economische delicten een misdrijf voor zover dit delict opzettelijk is begaan.
4.4.2 Voor een veroordeling voor de opzettelijke overtreding van artikel 2 Sanctiewet 1977 is niet vereist dat het opzet van de verdachte was gericht op het niet naleven van de in de tenlastelegging bedoelde wettelijke regelingen. In een geval als dit, waarin het gaat om ter bestrijding van terrorisme genomen sanctiemaatregelen tegen op een openbaar gemaakte sanctielijst geplaatste organisaties of personen, geldt daarbij het volgende. Bewezen moet worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden en/of economische middelen aan de in de tenlastelegging nader geconcretiseerde personen of organisaties. Daarbij doet voor de bewijsvraag niet ter zake of de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat dit terroristische organisaties en/of personen die betrokken zijn bij terroristische organisaties, betroffen (vgl. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:2 , rechtsoverweging 2.4.1). Ook is in verband met de bewijsvraag niet vereist dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de tenlastelegging genoemde personen of organisatie(s) vermeld stonden op de in de tenlastelegging genoemde (sanctie)lijsten en/of -regelingen.
4.5 Uit zijn hiervoor onder 2.4 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte via tussenpersonen geld heeft verstuurd dat bedoeld was voor zijn dochter, [betrokkene 2] , en dat hij wist dat zijn dochter was getrouwd met [betrokkene 1] . Het hof heeft de verdachte echter vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde opzet. Het hof heeft daarbij, onder verwijzing naar zijn overwegingen over het onder 1 tenlastegelegde opzet, in de kern aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat er geen bewijsmiddel is “op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven”. Gelet op die overwegingen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat voor een bewezenverklaring vereist is dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit terroristische organisaties en/of personen betrof. Gelet op wat onder 4.4.2 is overwogen, is die opvatting onjuist.
4.6 De klachten slagen. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het derde cassatiemiddel niet nodig is.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van