ECLI:NL:HR:2026:1475 Hoge Raad , 15-09-2026 / 25/01641
Samenvatting
Hoge Raad, Strafkamer, nr. 25/01641, arrest van 15 september 2026 — samenvatting
Partijen en procedure
- Beroep in cassatie ingesteld door de verdachte, aangeduid als [verdachte] (geboren 1970 te [geboorteplaats]), tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 april 2025 (nr. 22-000732-24).
- Advocaat van de verdachte: mr. P.B.A. Acda. Advocaat-generaal: P.T.C. van Kampen.
- Cassatiemiddelen werden schriftelijk ingediend; de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
Beoordeling van de cassatiemiddelen
- Eerste en tweede middel: de Hoge Raad oordeelt dat de klachten tegen het hof niet tot vernietiging kunnen leiden. De Raad geeft geen nadere motivering omdat beantwoording van de klachten niet vereist is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie). Daarmee volstaat de summiere afwijzing.
- Derde en vierde middel: deze middelen richten zich op de motivering van de bewezenverklaring onder 3. De Hoge Raad wijst erop dat de bewezenverklaring en de motiverende bewijsoverwegingen zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal (onder punt 2) en dat de bewezenverklaring verder is gesteund op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het arrest van het hof (en de aanvulling daarop). De Hoge Raad volgt de in de conclusie van de advocaat-generaal gegeven redenen (onder 5 en 6) en ziet geen grond voor cassatie op deze punten.
Ambtshalve toetsing (redelijke termijn)
- De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis en meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
- Vanwege de beperkte mate van overschrijding volstaat de Hoge Raad met de constatering van de schending en verbindt hij daaraan geen verder rechtsgevolg (er volgt geen nadere sanctie of compensatie).
Beslissing
- Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Samenstelling en uitspraak
- Arrest gewezen door vice-president C. Caminada (voorzitter) en raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, griffier H.J.S. Kea; uitspraak gedaan op 15 september 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Twee verkrachtingen (art. 242 (oud) Sr) en poging tot aanranding van minderjarige meisjes in kelderboxen in Schiedam in 2010 (art. 246 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. poging tot aanranding. Bewijsklachten poging tot aanranding. 1. Schakelbewijs (modus operandi als steunbewijs) en bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van aanranding worden afgeleid? Ad 1 en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft gedetailleerd en gemotiveerd uiteengezet waarom verklaring van aangeefster in hoge mate overeenkomt met wat slachtoffers in andere zaken hebben verklaard. Die motivering laat aan duidelijkheid niets te wensen over, ook niet als het gaat om vraag wat er in dit geval telkens zo specifiek was aan werkwijze van dader. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat omstandigheid dat elk van slachtoffers spreekt over een op essentiële onderdelen identieke situatie, maakt dat deze verklaringen de verklaring van aangeefster (ook) in bewijstechnische zin (als steunbewijs) ondersteunen. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Tegen achtergrond van werkwijze van verdachte in andere zaken is oordeel hof dat gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op voltooiing van het door verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) aanranding, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **25/01641
Datum15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 april 2025, nummer 22-000732-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.B.A. Acda bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel
3.1 De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 3.
3.2 De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof.
3.3 De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6.
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van