ECLI:NL:HR:2026:1430 Hoge Raad , 15-09-2026 / 25/01441
Samenvatting
De Hoge Raad (strafkamer) heeft bij arrest van 15 september 2026 het cassatieberoep van [verdachte] (geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971) verworpen. Het cassatieberoep was ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 april 2025 (nr. 22-001391-23). De verdachte werd in cassatie bijgestaan door advocaten D.J. Herbrink en R. van Leusden; de advocaat‑generaal D.J.M.W. Paridaens had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en tevens tot eventuele vernietiging of vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte klachten over het oordeel van het hof en kwam tot het oordeel dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad gaf geen nadere motivering van die afwijzing, omdat beantwoording van de relevante vragen niet nodig was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast ging de Hoge Raad ambtshalve na of in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM was overschreden. De Raad constateerde dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de beperkte mate van die vertraging volstond de Hoge Raad met de constatering van de overschrijding en verbond hij daaraan geen verder rechtsgevolg (zoals compensatie of vermindering van strafduur).
Kort samengevat: het cassatieberoep van de verdachte is verworpen; de klachten faalden, de redelijke termijn was weliswaar overschreden maar slechts in beperkte mate, zodat de Hoge Raad volstond met vaststelling van die overschrijding zonder verdere rechtsgevolgen. Het arrest is gewezen door raadsheer A.L.J. van Strien (voorzitter) en raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van waarnemend griffier S.P. Bakker.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Moord door in 2022 in Rotterdam eerst te proberen zijn partner (die hem het huis uit wil zetten) in haar eigen woning te wurgen en vervolgens met stanleymes in haar keel te snijden, waarna zij in poging om te ontkomen uit raam van haar slaapkamer (op tweede verdieping) klimt en naar beneden valt, waardoor zij komt te overlijden, art. 289 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg van moord en veroordeling voor doodslag. Bewijsklachten voorbedachte raad. Kon hof oordelen dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en alternatief scenario (verdachte heeft gehandeld in ogenblikkelijke gemoedsopwelling) verwerpen? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **25/01441
Datum15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 april 2025, nummer 22-001391-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten D.J. Herbrink en R. van Leusden bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van redelijke termijn in de cassatiefase.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van