ECLI:NL:HR:2025:287 Hoge Raad , 18-02-2025 / 23/02445
Samenvatting
Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad der Nederlanden een arrest gewezen in de strafzaak tegen een verdachte, geboren in 2005. Het beroep in cassatie was ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaten D.J.M. Dammers en F.H. van der Pol. De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen met betrekking tot de duur van de opgelegde taakstraf en de dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden en toezicht.
In de beoordeling van het tweede cassatiemiddel oordeelde de Hoge Raad dat het hof onterecht artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht had toegepast door de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit cassatiemiddel slaagde, en de Hoge Raad vernietigde het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
De Hoge Raad beoordeelde ook het eerste en derde cassatiemiddel, maar deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveerde niet verder, aangezien de vragen niet relevant waren voor de ontwikkeling van het recht.
Bij de beoordeling van het vierde cassatiemiddel werd vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), was overschreden. Dit was het gevolg van een vertraging in het indienen van stukken door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat, gezien de tijdsduur van meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep, de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren naar 190 uren, met een vervangende jeugddetentie van 95 dagen.
In de beslissing vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof enkel wat betreft het aantal uren taakstraf en de vervangende jeugddetentie, en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door vice-president M.J. Borgers en raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in aanwezigheid van waarnemend griffier E. Schnetz.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr). Bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie gestelde bijzondere voorwaarden (meewerken aan positieve dagbesteding en contactverbod) en daarop uit te oefenen toezicht, art. 77a Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft niet vastgesteld en gemotiveerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijf, dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor onaantastbaarheid van lichaam van een of meer personen, zal begaan. Hof heeft bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarmee ontoereikend gemotiveerd. HR doet zaak zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **23/02445 J
Datum18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2023, nummer 21-001917-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, en F.H. van der Pol, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, tot vermindering van die taakstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De raadsvrouw F.H. van der Pol heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
2.2 Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 16 tot en met 20. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.
3 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf, de duur van de vervangende jeugddetentie en het bevel dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende jeugddetentie in die zin dat de taakstraf 190 uren beloopt, subsidiair 95 dagen jeugddetentie;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van