ECLI:NL:GHSHE:2026:2475 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-07-2026 / 20-001087-25
Samenvatting
Parketnummer 20-001087-25 — Arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 22 juli 2026 in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost‑Brabant van 7 april 2025 (parketnr. 01‑288145‑23). Beklaagde: [verdachte] (geboren 1992), benadeelde partij: [slachtoffer] (destijds 15 jaar).
Feit en eerdere uitspraak De rechtbank had bewezen verklaard dat de verdachte meermalen ontuchtige handelingen heeft verricht met iemand van twaalf tot zestien jaar, waarbij seksueel binnendringen plaatsvond. De rechtbank veroordeelde tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en kende aan het slachtoffer immateriële schadevergoeding toe van €1.500 plus wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tegen dat vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.
Stellingen in hoger beroep De advocaat‑generaal vorderde primair bevestiging van het vonnis; subsidiair bevestiging maar met wijziging van de straf tot 180 dagen (179 voorwaardelijk) en een werkstraf van 180 uur (subsidiair 90 dagen hechtenis), en toewijzing van de schadevordering. De verdediging voerde een strafmaatverweer, verzocht toepassing van art. 9a Sr. of een taakstraf (stellende dat er geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit was, sprake zou zijn geweest van een vrijwillige affectieve relatie en dat ouders van het slachtoffer op de hoogte waren).
Beoordeling door het hof — bewezenverklaring en ernst Het hof sluit zich aan bij de bewezenverklaring van de rechtbank. Het motiveert uitvoerig de ernst van het feit: de verdachte was ten tijde van het handelen 25 jaar, het slachtoffer 15; gedurende bijna zeven maanden vond veelvuldig seksueel contact plaats en de verdachte wist dat hij het slachtoffer ontmaagd had. Het hof kwalificeert het handelen als een ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van een minderjarige en wijst op kwetsbaarheid van minderjarigen en de negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van een gezonde seksuele identiteit. Een affectieve relatie en medeweten van ouders doen daaraan niet af, mede gelet op het significante leeftijdsverschil (ongeveer 10 jaar).
Persoon van de verdachte en strafverminderende omstandigheden Het hof weegt strafverzwarende en -verminderende factoren af. Strafverminderend zijn: volledige bekentenis in hoger beroep, oprechte spijt, het initiatief tot en deelname aan mediation (mediation‑overeenkomst d.d. 26 juni 2026), en persoonlijke omstandigheden (vooral zorg voor een zevenjarige dochter, lopende procedure rond gezag/omgang met een tienjarige zoon, risico op verlies van woning en inkomen). Het strafblad van de verdachte toont een eerdere jeugddetentie wegens ontucht met een minderjarige (vermelding op strafblad 13 mei 2026), maar de reclassering (rapport 4 juni 2026) ziet geen delictpatroon, schat recidiverisico laag en adviseert geen bijzondere voorwaarden. Deze omstandigheden wegen in aanzienlijke mate strafverminderend.
Opgelegde straf Het hof oordeelt dat vanwege de ernst in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, maar stelt wegens de proceshouding en persoonlijke omstandigheden een lagere straf dan geëist passend. Het oplegt een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Motivatie: zo wordt zowel de ernst van het feit tot uitdrukking gebracht als preventief effect beoogd.
Vordering benadeelde partij De benadeelde handhaaft de vordering tot €1.500 immateriële schade. Het hof past art. 6:106 BW toe en stelt dat vergoeding voor immateriële schade vereist dat sprake is van lichamelijk letsel, aantasting van eer/naam of anderszins aantasting van de persoon. Hoewel het slachtoffer depressieve klachten heeft aangevoerd, is dit volgens het hof onvoldoende concreet onderbouwd om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze. Eveneens oordeelt het hof dat het bewezenverklaarde niet zonder meer neerkomt op een zodanige ernstige aantasting van lichamelijke integriteit dat vergoeding zonder nadere bewijslevering gerechtvaardigd zou zijn, mede omdat in de periode sprake was van een affectieve relatie en ouders op de hoogte waren. Nadere onderbouwing zou disproportioneel belasten nu de strafzaak verder is afgerond. Daarom verklaart het hof de vordering niet‑ontvankelijk in het strafgeding; het slachtoffer kan de vordering bij de burgerlijke rechter instellen. Om die reden legt het hof ook geen schadevergoedingsmaatregel op.
Procedurele beslissingen en kosten Het hof vernietigt het vonnis van beroep voor zover het de straf en de beslissingen op de schadevordering betrof en doet in zoverre opnieuw recht (zoals hierboven). Voor het overige bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank. Het bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Toepasselijke wetsartikelen Het arrest is gegrond op onder meer artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 245 Sr. zoals van toepassing ten tijde van het bewezenverklaarde of het arrest.
Conclusie beslissend oordeel Verdachte [verdachte] wordt veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar; de civiele schadevordering van [slachtoffer] wordt in het strafgeding niet‑ontvankelijk verklaard (moet civiel worden ingesteld); partijen dragen elk eigen kosten.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank (bewezenverklaring gekwalificeerd als: 'met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd') met uitzondering van de beslissing tot de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het hof verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Uitspraak
Parketnummer: 20-001087-25 Uitspraak: 22 juli 2026 TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats, van 7 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-288145-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, wonende te [adres] .
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de verdachte veroordeeld in de proceskosten.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen met uitzondering van de op te leggen straf en opnieuw rechtdoende, het aan de verdachte tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarbij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In verband hiermee zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de inmiddels lange periode die is verstreken sinds het tenlastegelegde feit en de mogelijke gevolgen van een gevangenisstraf voor zijn kinderen, inkomen en huisvesting. De verdediging heeft het hof verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). Als het hof hiervoor geen ruimte ziet is verzocht tot oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Door de verdediging is daartoe bepleit dat het taakstrafverbod niet van toepassing is, nu er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zoals vereist in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. In de tenlastegelegde periode was sprake van een vrijwillige affectieve relatie waar aangeefster duidelijk achter stond en haar ouders waren hier ook van op de hoogte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte, die ten tijde van het bewezenverklaarde feit 25 jaar oud was, heeft met aangeefster, die destijds 15 jaar oud was, gedurende een periode van bijna zeven maanden veelvuldig seksueel contact gehad. De verdachte wist dat aangeefster in die periode 15 jaar oud was en dat zij door hem werd ontmaagd.
De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van aangeefster. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase. Die kwetsbaarheid blijkt in het geval van aangeefster nu zij achteraf kampt met depressieve gevoelens. De verdachte heeft aan aangeefster voorts de kans ontnomen, om een gezonde seksuele identiteit te ontwikkelen. Weliswaar heeft de verdachte verklaard dat er sprake was van een vrijwillige en affectieve relatie, dat de ouders van aangeefster hiervan ook op de hoogte waren en zij de relatie – in zijn ogen – goedkeurden, maar het hof overweegt dat tussen een volwassen persoon en een minderjarige – waarbij het leeftijdsverschil van 10 jaren naar maatschappelijke maatstaven significant is – geen sprake kan zijn van een gelijkwaardige relatie.
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor het door hem begane strafbare feit, in die zin dat hij het aan hem tenlastegelegde feit heeft bekend en te kennen heeft gegeven dat hij zich er van bewust is wat zijn handelen met aangeefster heeft gedaan. Dat hij oprecht spijt heeft van zijn handelen kwam ter terechtzitting van het hof duidelijk en authentiek naar voren. Het nemen van verantwoordelijkheid blijkt voorts uit de mediation-overeenkomst van 26 juni 2026 naar aanleiding van het mediationtraject tussen de verdachte en aangeefster. Het hof acht het positief dat de verdachte daartoe zelf het initiatief heeft genomen, zodat hij van aangeefster kon horen wat zijn handelen op persoonlijk vlak met haar heeft gedaan en daarvoor zijn excuses kon maken. Het hof weegt dit in aanmerkelijke mate in strafmatigende zin mee.
Het hof heeft voorts gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor hem en zijn kinderen zou hebben. De verdachte draagt grotendeels de zorg voor zijn zevenjarige dochter die, sinds de verhuizing van haar moeder in mei dit jaar, bij hem woont. Met zijn dochter gaat het na een moeilijke periode van slecht slapen, veel buikpijn en ziek zijn door stress en spanning inmiddels beter nu ze bij de verdachte woont. De tienjarige zoon van de verdachte, die een andere moeder heeft dan zijn dochter, verblijft in een pleeggezin, zijnde de grootouders van zijn ex-partner. De verdachte is op dit moment bezig met het verkrijgen van gezag en omgang met zijn zoon en verwacht daarover binnenkort een uitspraak. Een gevangenisstraf zal hierop een negatief effect kunnen hebben. Verder heeft de verdachte naar eigen zeggen geen sociaal netwerk dat de zorg voor zijn dochter, en mogelijk binnenkort voor zijn zoon, kan overnemen bij het ondergaan van een gevangenisstraf. Daarnaast vreest de verdachte zijn woning en Wajong-uitkering te verliezen.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat naast de ernst van de feiten ook gekeken naar het strafblad van de verdachte van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder met justitie in aanraking is geweest. De verdachte is eerder veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie wegens ontuchtige handelingen met een persoon onder de zestien jaar. Daarbij heeft het hof acht geslagen op het over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport van de reclassering van 4 juni 2026, waaruit blijkt dat de reclassering – ondanks het feit dat de eerdere veroordeling ook een zedenzaak betreft – geen delictpatroon ziet, omdat die zaak volledig anders van aard was.
Overigens blijkt uit voormeld reclasseringsrapport dat de verdachte zijn leven op orde heeft en een geregeld bestaan leidt. Het risico op (seksuele) recidive wordt als laag geschat. De reclassering vindt interventies en toezicht niet nodig en adviseert strafoplegging zonder bijzondere voorwaarden.
Het hof is er van overtuigd dat de verdachte heeft geleerd van deze strafzaak en acht de kans dat hij zich opnieuw schuldig zal maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag klein.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, aan de verdachte in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder straf, dan wel met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf, zoals door de verdediging is verzocht. Daarvoor zijn de door de verdachte gepleegde feiten te ernstig. Wel ziet het hof reden om een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is geëist, rekening houdend met de proceshouding en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Namelijk het feit dat de verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de omstandigheid dat detentie ingrijpende gevolgen voor de verdachte zou hebben.
Alles overziend acht het hof een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht dat de verdachte wordt veroordeeld in de kosten van de tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Als een slachtoffer als gevolg van een strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt, dan is er sprake van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in de wet. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de vordering onvoldoende (concreet) is onderbouwd en ook anderszins onvoldoende is gebleken van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW. De benadeelde partij heeft weliswaar gesteld dat zij als gevolg van de bewezenverklaarde depressief is geraakt, maar dit is onvoldoende onderbouwd om de hiervoor bedoelde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ aan te nemen. Het hof is voorts van oordeel dat het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak, hoewel dit achteraf een negatieve impact bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, niet zonder meer als een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht kan worden beschouwd, waarmee in zichzelf reeds sprake zou zijn geweest van een aantasting van de persoon op andere wijze. Daarbij betrekt het hof dat in de bewezenverklaarde periode sprake was van een affectieve relatie tussen de verdachte en benadeelde partij en de ouders van de benadeelde partij hiervan ook op de hoogte waren.
Om aan een effectieve behandeling van de vordering toe te komen, zou de benadeelde in de gelegenheid moeten worden gesteld de vordering nader te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat daarmee de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de behandeling hiervan een nadere bewijslevering vergt, terwijl de strafzaak voor het overige inmiddels geheel is afgerond.
Het hof zal daarom bepalen dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Gelet op het vorenstaande bestaat voorts geen grond om aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 89 (negenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door: mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter, mr. G.J. Hanssen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier, en op 22 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hanssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.