ECLI:NL:GHSHE:2026:2182 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-08-2026 / 25/1357 en 25/1358
Samenvatting
Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, Team belastingrecht (Meervoudige Belastingkamer), nummers 25/1357 en 25/1358; hoger beroep van [belanghebbende] (ingezetene en Nederlander, woonplaats genoemd in dossier) tegen de inspecteur van de Belastingdienst. Zitting 16 juli 2026; uitspraak in het openbaar 5 augustus 2026 (voorzitter P.J. Wattel e.a.).
Feiten en procesverloop
- Belanghebbende was tot oktober 2014 hoogleraar in Duitsland; vanaf pensionering ontvangt hij twee Duitse pensioenen: een ambtenarenpensioen van LBV‑NRW (€65.945 in 2019; €68.056 in 2020) en een Altersrente van de DRV (€737 in 2019; €739 in 2020). Daarnaast Nederlands ABP‑pensioen en AOW.
- Voor 2019 en 2020 deed belanghebbende aangifte waarin hij de Duitse pensioenen netto (ontvangen bedragen) opgaf en tevens een vermindering vorderde wegens buitenlandse inkomsten. De inspecteur legde op 18‑11‑2022 zonder nader onderzoek de aanslag 2019 conform aangifte vast; later (10‑3‑2023) heeft de inspecteur in afwijking van de aangiften voor 2020 de Duitse pensioenen bruto betrokken en voor 2019 een navorderingsaanslag opgelegd, met de toepassing van evenredige vrijstelling/verrekeningsregels uit het belastingverdrag met Duitsland. Belanghebbende maakte bezwaar; de inspecteur wees die af. De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond; belanghebbende ging in hoger beroep.
Geschilpunten in hoger beroep
- Rechtmatigheid en hoogte van de navorderingsaanslag 2019 en aanslag 2020;
- Of de inspecteur belanghebbende moet helpen bij terugvordering van in Duitsland betaalde volksverzekeringspremies;
- Of het besluit van de inspecteur om vanaf 2023 geen voorkoming van dubbele belasting meer te verlenen (voor het Duitse overheidspensioen) vernietigd moet worden;
- Vorderingen tot dwangsommen, schadevergoeding (€24.000) en proceskosten.
Rechtskundige beoordeling en motivering
- Toereikendheid bevoegdheid hof: het hof beperkt zich tot 2019 en 2020 en tot belasting‑ en premieheffing, rente en eventueel kosten/schade voor die jaren; andere jaren en onderwerpen (onder meer WOO‑vragen, Duitse procedures) zijn niet aan de orde of liggen buiten zijn bevoegdheid.
- Evenredige vrijstelling/verdrag: hoewel de inspecteur voor 2019 en 2020 vrijstelling (evenredige vrijstelling) heeft toegepast op grond van het Verdrag (zodoende feitelijk geen IB geheven op die pensioenen), betekent dat niet dat belanghebbende geen belang meer heeft bij beantwoording van de vraag of Nederland nationaalrechtelijk heffingsbevoegd is. Het hof vergelijkt zijn casus met het arrest HR 19‑6‑2026 (ECLI:NL:HR:2026:961).
- LBV‑NRW (ambtenarenpensioen): het hof kwalificeert dit pensioen als loon uit vroegere dienstbetrekking (artikel 3:82(b) Wet IB). Op grond van parlementaire geschiedenis rust bewijslast bij belastingplichtige om aan te tonen dat hij in het buitenland premies heeft betaald die aldaar niet aftrekbaar waren. Belanghebbende verklaarde ter zitting geen premies voor dit pensioen te hebben betaald; daarom is dit pensioendeel volgens het hof nationaalrechtelijk belastbaar in box 1. Verdragsrechtelijk (artikel 18 lid 2 Verdrag) wijst het Verdrag heffingsbevoegdheid voor overheidspensioen aan het woonland; belanghebbende was inwoner en onderdaan van Nederland → Nederland is exclusief bevoegd.
- DRV (Altersrente): het hof oordeelt dat ook deze rente als loon uit vroegere dienstbetrekking onder artikel 3:82(b) valt, maar dat mede gelet op systematiek en de sinds 2005 bestaande werknemersbijdragen een deel (10/18 = 55,56%) belastbaar is in box 1 en het resterende deel (8/18 = 44,44%) in box 3 valt. Artikel 17 Verdrag (vrijstelling/woonlandregeling voor lagere pensioenen) laat toepassing voor bedragen < €15.000 onverminderd; belanghebbendes Altersrente blijft onder die grens.
- Gevolg voor aanslagen: omdat de inspecteur de Duitse pensioenen in 2019 en 2020 heeft vrijgesteld terwijl Nederland voor het ambtenarenpensioen en voor 55,56% van de Altersrente nationaal‑ en verdragsrechtelijk heffingsbevoegd was, concludeert het hof dat de aanslagen (inclusief navordering) eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. De vorderingen van belanghebbende leiden dus niet tot vermindering.
- Premieheffing volksverzekeringen: belanghebbende woonde in 2019 en 2020 in Nederland en was uitsluitend in Nederland sociaal verzekerd; alle relevante inkomsten (Nederlandse pensioen/AOW en de relevante delen van Duitse pensioenen) behoren tot het premie‑inkomen. Het premie‑inkomen overschreed in beide jaren de maximale premiebasis; daarom zijn de verschuldigde premies niet te hoog vastgesteld. Het hof wijst erop dat het verzoek om terugvordering van (vermeende) Duitse premies buiten diens bevoegdheid valt; belanghebbende moet dat in Duitsland zelf regelen.
- Schadevergoeding, dwangsommen, griffierecht en proceskosten: vorderingen voor vergoeding op grond van artikel 8:73 Awb en andere schadevorderingen afgewezen (belastingrechter is niet bevoegd voor civiele schadevorderingen). Dwangsomverzoeken en WOO‑gerelateerde claims falen of zijn niet ontvankelijk. Geen vergoeding griffierecht en geen veroordeling in proceskosten.
Beslissing
- Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Mogelijkheid tot cassatie binnen zes weken bij de Hoge Raad wordt vermeld.
Conclusie: het hof sluit aan bij de nationale kwalificatie van de Duitse pensioenen (LBV‑NRW volledig, DRV deels in box 1 en deels in box 3), wijst de meeste vorderingen van belanghebbende af en bevestigt dat de door de inspecteur vastgestelde (navorderings‑)aanslagen correct zijn in die zin dat zij eerder te laag dan te hoog bleken te zijn.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
In 2019 en 2020 woonde belanghebbende in Nederland en ontving hij onder meer een Duitse Altersrente en een Duits ambtenarenpensioen. De inspecteur heeft beide Duitse pensioenen vrijgesteld hoewel Nederland ter zake van het – premievrije - ambtenarenpensioen nationaal- en verdragsrechtelijk exclusief heffingsbevoegd was en ter zake van de Altersrente voor 55,56% omdat voor dat deel de premies aftrekbaar waren. Het hof is daarom van oordeel dat de belastingaanslagen lB/PVV 2019 en 2020 eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft geen recht op een schadevergoeding of een dwangsom.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 25/1357 en 25/1358
Uitspraak op het hoger beroep van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 juli 2025, nummers BRE 23/11845 en BRE 23/11846, in de gedingen tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) en premieheffing volksverzekeringen (hierna: PVV) over 2020 opgelegd. Bij beschikking heeft hij daarbij ook belastingrente in rekening gebracht.
1.2. De inspecteur heeft daarnaast een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd over 2019. Ook daarbij heeft hij belastingrente in rekening gebracht.
1.3. Belanghebbende heeft tegen beide belastingaanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft beide beroepen ongegrond verklaard.
1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6. De partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
2.1. Belanghebbende woont in Nederland. Hij heeft van 1997 tot oktober 2014 als hoogleraar gewerkt aan de [organisatie] . Hij is per oktober 2014 gepensioneerd en ontvangt sindsdien uit Duitsland een ambtenarenpensioen van het Landesamt für Besoldung und Versorgung des Landes Nordrhein-Westfalen (hierna: LBV-NRW) en een Altersrente van de Deutsche Renteversicherung (hierna: DRV). Daarnaast ontvangt hij een Nederlands ambtenarenpensioen van het ABP en een AOW-uitkering.
2.2. Belanghebbendes Altersrente beliep in 2019 € 737 en in 2020 € 739.
2.3. Op 14 april 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan en een verzamelinkomen van € 68.111 aangegeven, waarin hij niet de bruto, maar de netto door hem ontvangen Duitse pensioenen heeft begrepen. Hij heeft daarnaast aangegeven recht te hebben op een vermindering ter zake van voorafgaande belastingjaren in verband met buitenlandse inkomsten.
2.4. Op 12 april 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2020 gedaan en een verzamelinkomen van € 68.646 aangegeven, waarin hij niet de bruto, maar de netto door hem ontvangen Duitse pensioenen heeft begrepen. Hij heeft daarnaast aangegeven recht te hebben op een vermindering ter zake van voorafgaande belastingjaren in verband met buitenlandse inkomsten.
2.5. De inspecteur heeft met dagtekening 18 november 2022 zonder nader onderzoek de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd overeenkomstig belanghebbendes aangifte IB/PVV 2019.
2.6. De inspecteur heeft in afwijking van de aangiften de Duitse pensioenen alsnog bruto in aanmerking genomen en op die basis de aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld en voor 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, beide met dagtekening 10 maart 2023. De inspecteur heeft daarbij voor de Duitse pensioenen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend.
2.7. De inspecteur heeft belanghebbendes bezwaren tegen beide belastingaanslagen ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar ter zake van 2019 vermeldt onder meer:
2.8. De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, onder meer overwegende dat belanghebbende, gelet op een eerdere uitspraak van de rechtbank over 2015, wist dat hij onjuiste aangiften deed door de Duitse pensioenen netto aan te geven.
3 Geschil; standpunten en conclusies van de partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020 terecht en naar het juiste bedrag opgelegd?
- Moet de inspecteur belanghebbende hulp bieden bij het terugvorderen van premies volksverzekeringen in Duitsland?
- Moet het besluit van de inspecteur om vanaf 2023 geen voorkoming van dubbele belasting meer te verlenen ter zake van het Duitse pensioen worden vernietigd?
- Zijn het Ministerie van Financiën en de inspecteur ieder een dwangsom van € 1.442 verschuldigd aan belanghebbende?
- Moet de inspecteur worden veroordeeld tot vergoeding van € 24.000 (€ 2.000 per jaar) voor financiële en psychisch/emotionele en psychosociale schade van belanghebbende?
- Dient de Staat de proceskosten en buitengerechtelijke kosten van belanghebbende te betalen?
3.2. Belanghebbende concludeert tot een gerond beroep en toewijzing van zijn vorderingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1. Het hof kan geen uitspraak doen over andere jaren dan 2019 en 2020, noch over andere aangelegenheden dan de inkomstenbelastingheffing, premieheffing, renteberekening en eventueel kosten- en schadevergoeding ter zake van die twee jaren. Voor zover belanghebbende klaagt over andere jaren, kan het hof slechts constateren dat hij geen uitspraken van de rechtbank over die jaren in geding heeft gebracht. Voor zover hij klaagt over andere aangelegenheden dan de belasting- en premieheffing, zoals over de opstelling van de Duitse fiscale autoriteiten, de afwijzing door de inspecteur van zijn verzoeken om de Duitse autoriteiten tot een andere opstelling te bewegen en de behandeling van zijn verzoeken op grond van de Wet open overheid (hierna: WOO), kan het hof slechts constateren dat het Hof niet bevoegd is daarover uitspraak te doen of opdrachten te geven aan de inspecteur.
4.2. In onderdeel b van zijn hoger beroepschrift verzet de belanghebbende zich specifiek tegen de opzegging per 2023 van mogelijk bij hem gewekt vertrouwen op aftrek ter voorkoming van internationale dubbele belasting. Aangezien deze procedure alleen over de aanslag IB/PVV 2020 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 gaat, kan het hof zich niet uitlaten over de rechtmatigheid van een in deze procedure niet bekende en niet betrokken aanslag IB/PVV over 2023.
4.3. De inspecteur heeft belanghebbendes Duitse pensioenen - volgens hem
4.4. Evenredige vrijstelling heeft wel tot gevolg dat het inkomstenbelastingtarief over belanghebbendes overige - Nederlandse - inkomsten uit werk en woning (box 1) mede bepaald wordt door de omvang van zijn Duitse pensioenen. Mede gegeven belanghebbendes opmerking ter zitting over tariefprogressie, begrijpt het hof zijn beroep op het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2026,
ECLI:NL:HR:2026:961
(hierna: het arrest), als mede inhoudende dat Nederland bij gebrek aan nationaalrechtelijke basis
4.5. Dat de inspecteur over 2019 en 2020 voorkoming van dubbele belasting heeft verleend, neemt dus niet weg dat belanghebbende er belang bij kan hebben dat vastgesteld wordt of Nederland internrechtelijk heffingsbevoegd is ter zake van zijn Duitse pensioen. Het hof zal daarom beoordelen of zijn geval vergelijkbaar is met het geval in het arrest, waarin Nederland internrechtelijk in box 1 deels niet heffingsbevoegd bleek ter zake van een Duitse Altersrente genoten door een Nederlands ingezetene.
4.6. Belanghebbende heeft in zijn bericht van 24 juni 2026 gesteld dat hij voor beide Duitse pensioenen premies heeft betaald en dat die premies in Duitsland niet in aftrek zijn gekomen. Voor zover die stellingen juist zijn, vallen de Duitse pensioenen volgens het arrest naar intern Nederlands recht (artikel 3:82(b) Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) niet onder de inkomsten uit werk en woning (box 1). Belanghebbendes aanspraken op die pensioenen vallen dan in zoverre in box 3.
4.7. Naar ’s hofs oordeel is belanghebbendes Duitse ambtenarenpensioen (LBV-NRW) loon uit vroegere dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3:82(b) Wet IB en daarmee naar nationaal recht belastbaar in Nederland op grond van belanghebbendes inwonerschap, behalve voor zover hij er premies voor betaald heeft die in Duitsland niet aftrekbaar waren op zijn aldaar belastbare inkomen.
4.8. Uit de parlementaire behandeling van artikel 3:82(b) Wet IB volgt dat op de belastingplichtige de last rust om te bewijzen dat voor een pensioen in het buitenland premies zijn betaald en dat die premies aldaar niet aftrekbaar waren.
4.9. Daarvan uitgaande, is belanghebbendes ambtenarenpensioen op grond van artikel 3:82(b) Wet IB belastbaar in box 1 van de Nederlandse inkomstenbelasting.
4.10. Artikel 18, lid 2 van het Verdrag (tekst vanaf 2017) wijst het heffingsrecht ter zake van een overheidspensioen zoals belanghebbendes Duitse ambtenarenpensioen exclusief toe aan het woonland van de genieter als de genieter ervan ook onderdaan is van zijn woonland. Niet in geschil is dat belanghebbende in 2019 en 2020 onderdaan én ingezetene was van Nederland. Ook volgens het Verdrag is Nederland dus (exclusief) bevoegd om belasting te heffen over belanghebbendes Duitse ambtenarenpensioen.
4.11. Voor zover belanghebbende stelt dat zich tussen Nederland en Duitsland een mismatch voordoet die dubbele belasting veroorzaakt – hetgeen zou stroken met de stelling van de inspecteur dat Duitsland het (in 2017 gewijzigde) Verdrag in belanghebbendes geval verkeerd toepast – merkt het hof op dat het dan voor de hand zou liggen (ook) in Duitsland in bezwaar en beroep te gaan en/of de Nederlandse bevoegde autoriteit (de Staatssecretaris van Financiën) te verzoeken om een onderling-overlegprocedure met zijn Duitse evenknie te volgen zoals voorzien in artikel 25 van het Verdrag.
4.12. De kwalificatie van de Duitse Altersrente (DRV) is minder eenduidig, maar ook die rente moet volgens het hof als loon uit vroegere dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3:82(b) Wet IB worden aangemerkt; ook zij is daarmee naar nationaal recht belastbaar in Nederland op grond van belanghebbendes inwonerschap, behalve voor zover hij er premies voor betaald heeft die in Duitsland niet aftrekbaar waren op zijn aldaar belastbare inkomen. Het hof baseert die kwalificatie van de Altersrente op onderdeel 5 van de conclusie van de advocaat-generaal Pauwels
4.13. Het hof maakt uit onderdeel 5 van die conclusie op dat werknemers zoals belanghebbende in Duitsland een werknemersbijdrage betaalden voor de Gesetzliche Rentenversicherung en dat Duitsland sinds 2005 de daaruit voortvloeiende Altersrente belast en de werknemersbijdragen ervoor aftrekbaar stelt. Belanghebbende heeft van 1997 tot en met 2014 in Duitsland gewerkt en zou aldus tot 2005 acht jaar lang niet-aftrekbaar bijgedragen hebben en vanaf 2005 tien jaar lang aftrekbaar bijgedragen hebben. Dat zou betekenen dat zijn Altersrente voor 10/18e of 55,56% belastbaar is in box 1 en dat de aanspraak op de overige 8/18e of 44,44% in box 3 valt.
4.14. Artikel 17 van het Verdrag heeft daarop geen invloed omdat die bepaling het woonland (Nederland) aanwijst als exclusief heffingsbevoegd zolang de Altersrente beneden € 15.000 per jaar blijft. Belanghebbendes Altersrente blijft beneden dat bedrag.
4.15. Belanghebbende heeft voor dat geval geen stellingen ingenomen inzake mogelijke voorkoming van dubbele belasting over de 44,44% van zijn aanspraak op Altersrente, die dan in box 3 valt. Daarnaar ter zitting gevraagd, ziet de inspecteur geen verdragsrechtelijke basis voor Nederlandse voorkoming van eventuele dubbele belasting, gegeven het verschil in kwalificatie tussen box 1-inkomsten en box 3-rendement, en mede gegeven de slechts op het vertrouwensbeginsel gebaseerde vrijstelling in box 1 van belanghebbendes Duitse pensioenen.
4.16. Nu de inspecteur belanghebbendes Duitse pensioenen ter zake van 2019 en 2020 heeft vrijgesteld hoewel Nederland ter zake van zijn ambtenarenpensioen nationaal- en verdragsrechtelijk exclusief heffingsbevoegd was en ter zake van zijn Altersrente voor 55,56%, is de conclusie dat de aanslag IB/PVV 2020 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld.
4.17. Belanghebbende woonde in 2019 en 2020 in Nederland. Niet (meer) in geschil is dat hij in die jaren uitsluitend in Nederland sociaal verzekerd en premieplichtig was. Dat standpunt acht het hof juist, gelet op artikel 11(3)(e) van Verordening (EG) nr. 883/2004, artikel 6 AOW en de artikelen 6 t/m 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (WFSV).
4.18. Gegeven het bestaan van belanghebbendes Nederlandse pensioen en AOW en gegeven dat ook zijn Duitse Altersrente deels en zijn Duitse ambtenarenpensioen geheel tot zijn premie-inkomen behoren (zie artikel 8 WFSV en de overwegingen in onderdeel B hierboven), concludeert het hof dat zijn premie-inkomen zowel in 2019 als in 2020 het maximum premie-inkomen van € 34.300 respectievelijk € 34.712 heeft overschreden, zodat de door hem verschuldigde premies volksverzekeringen voor beide jaren niet te hoog zijn vastgesteld.
4.19. Het hof merkt ten overvloede op dat belanghebbende wel heeft gesteld, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2019 en 2020 in Duitsland premies volksverzekeringen heeft betaald.
4.20. Voor zover belanghebbende stelt dat Duitsland ten onrechte premies voor sociale verzekeringen op zijn Duitse pensioenen heeft ingehouden en dat het hof de Nederlandse belastingdienst moet opdragen om voor hem te regelen dat de Duitse autoriteiten die volgens hem ten onrechte geheven Duitse premies aan hem restitueren, herhaalt het hof dat het niet bevoegd is zo’n opdracht te geven. Zowel de Nederlandse als de Duitse regelgeving gaan ervan uit dat premieplichtigen, als zij procesvertegenwoordiging wensen, zelf verantwoordelijk zijn voor het regelen van procesvertegenwoordiging.
4.21. Voor zover belanghebbende nog aanspraak maakt op vergoeding van ‘financiële en psychisch/emotionele’ en ‘psychosociale schade’ op basis van artikel 8:73 Awb, overweegt het hof dat daar geen grond voor bestaat omdat zijn hogere beroepen ongegrond worden verklaard, wat in de weg staat aan schadevergoeding op die wettelijke basis. Voor zover belanghebbende schadevergoeding vordert op andere basis, is niet de belastingrechter bevoegd, maar de burgerlijke rechter.
4.22. Voor zover belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op bezwaar en op zijn WOO-verzoeken faalt dat eveneens. De inspecteur heeft bij beschikking van 31 oktober 2023 het verzoek om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen afgewezen. Het is hof niet bekend dat belanghebbende tegen deze beschikking bezwaar of beroep heeft ingediend. Dan kan dit verzoek in hoger beroep niet aan de orde worden gesteld. Zoals in 4.1 al vermeld, is het hof niet bevoegd om te oordelen over een verzoek om een dwangsom in verband met een WOO-verzoek.
Tussenconclusie
4.23. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.24. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.25. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door P.J. Wattel, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De voorzitter,
M.M. Stassen-KantersP.J. Wattel
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.