ECLI:NL:GHSHE:2026:2169 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-08-2026 / 22/301 tot en met 22/304
Samenvatting
Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (Team belastingrecht, Meervoudige Belastingkamer) bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant en verklaart het hoger beroep van [belanghebbende] (woonachtig in [woonplaats], Duitsland) ongegrond in geschil met de inspecteur van de Belastingdienst. Zitting vond plaats op 9 juli 2026; namens de inspecteur verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2]; belanghebbende en zijn gemachtigde waren afwezig maar rechtsgeldig voor de zitting uitgenodigd (aangetekende brief van 23 april 2026, bezorgd 30 april 2026).
Procedurele en feitelijke loop: de inspecteur had aanslag IB/PVV 2015 en navorderingsaanslagen voor 2015 en 2017 opgelegd, met bijbehorende beschikkingen belastingrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag 2015; de inspecteur verklaarde dat bezwaar niet‑ontvankelijk en wees een verzoek om ambtshalve vermindering af (uitslag op bezwaar d.d. 14 februari 2020). Belanghebbende diende meerdere schriftelijke uitingen in: handgeschreven brief van 25 februari 2020 (verzocht herziening en betalingsregeling; rechtbank kwalificeerde deze brief aanvankelijk als beroepschrift tegen navordering 2016 en zond die door aan de inspecteur), brief van 1 april 2020 met onder meer een afschrift van de navorderingsaanslag 2015 en verzoek om kwijtschelding, en een brief ontvangen 12 maart 2021 met een afschrift van een herziene NiNbi‑beschikking 2017 (12 februari 2021). De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanslag 2015 ongegrond en niet‑ontvankelijk voor zover het zag op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering, de navorderingsaanslagen 2015 en 2017 en de NiNbi‑beschikking 2017, en beval (waar relevant) doorzending van de diverse brieven aan de inspecteur om als bezwaarschriften in behandeling te nemen — maar zag af van daadwerkelijke verzending omdat de inspecteur reeds in het bezit was van die stukken.
Juridische beoordeling door rechtbank en hof: het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft terugverwezen naar de inspecteur. Zowel rechtbank als hof overwegen dat, op grond van artikel 7:1 lid 1 Awb, vóór een beroep bij de bestuursrechter eerst bezwaar tegen een besluit moet zijn ingediend. Daarom zijn beroepen die zien op beslissingen waarvan geen bezwaarprocedure is doorlopen (zoals afwijzing ambtshalve vermindering, navorderingsaanslagen en de NiNbi‑beschikking voor de jaren 2015 en 2017) niet‑ontvankelijk en komen de rechterlijke instanties niet toe aan inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft de stukken in zoverre doorgezonden/doorgezonden geacht aan de inspecteur voor behandeling als bezwaarschriften (artikel 6:15 Awb) en de inspecteur is vervolgens gehouden uitspraken op bezwaar te doen. In hoger beroep heeft de inspecteur aangevoerd dat de bezwaren over 2015–2017 inmiddels zijn behandeld en dat belanghebbende tegen die uitspraken geen beroep heeft ingesteld; het hof merkt terecht op dat belanghebbende, indien hij een rechterlijk oordeel wilde, tegen de uitspraken op bezwaar had moeten procederen.
Invorderingskwesties (kwijtschelding, beslag/dwangbevel): de rechtbank en het hof verklaren zich onbevoegd ten aanzien van invorderingsbesluiten. Invordering valt primair onder de Invorderingswet 1990 en beslissingen van de ontvanger (zoals afwijzing van kwijtschelding of genomen beslagmaatregelen) zijn in het algemeen niet voor de belastingrechter vatbaar; tegen een afwijzing van kwijtschelding staat administratief beroep open bij de directeur (Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 art. 24) en uiteindelijk is voor geschillen over beslag de civiele rechter bevoegd (Invorderingswet art. 17). Daarom kan de belastingrechter de door belanghebbende gevraagde toetsing van invorderingshandelingen niet verrichten.
Slotsom en beslissingen: het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof wijst vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt (voorzitter), B.J. Rubbens en J. Rietveld; griffier M.M. Stassen‑Kanters. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken cassatie bij de Hoge Raad open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende stelt beroep in tegen verschillende belastingaanslagen IB/PVV en beschikkingen over de jaren 2015, 2016 en 2017. Hij heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de beroepschriften als bezwaar tegengestuurd naar de inspecteur. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 22/301 tot en met 22/304
Uitspraak op het hoger beroep van
wonend in [woonplaats] , Duitsland, hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 januari 2022, nummers BRE 20/4911, 22/236, 22/237 en 22/238, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 en navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.
1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag IB/PVV 2015 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het daarin besloten verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2017 geen bezwaar gemaakt.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar en de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gedeeltelijk ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige naar de inspecteur teruggewezen.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn namens de inspecteur verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 23 april 2026, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met track en trace-nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 30 april 2026 om 13:53 uur op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.
1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten
2 Feiten
2.1. Op 25 februari 2020 heeft de rechtbank een handgeschreven brief ontvangen van belanghebbende. In deze brief is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld: “(...) Ik (...) maak bezwaar tegen 2015 omdat ik in Nederland al betaald heb (...) Punt een ik vraag u deze aanslagen te herzien. Punt twee als ik dan iets betalen moet u mij een betalingsregeling te geven en hierbij gaat het om [aanslagnummer 1] H.67.01 bedrag 1716,- [aanslagnummer 2] H.77.01, 1877,-. (...)”.
2.2. De rechtbank heeft de brief van 25 februari 2020 aangemerkt als een beroepschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.67.01 en de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.77.01 De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 27 februari 2020 verzocht om een afschrift van de uitspraken op bezwaar te overleggen. Op 23 maart 2020 heeft de rechtbank aanvullende stukken van belanghebbende ontvangen. Daarbij zaten echter geen uitspraken op bezwaar.
2.3. De griffier van de rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 30 maart 2020 medegedeeld dat alleen een beroep kan worden ingediend tegen een uitspraak op een tegen een aanslag ingediend bezwaar. Ook heeft de griffier medegedeeld dat uit de aanwezige stukken niet kan worden afgeleid dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2016. De rechtbank heeft het stuk van 25 februari 2020 aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en aan de inspecteur doorgezonden om in behandeling te nemen. De navorderingsaanslag IB/PVV 2016 maakt geen onderdeel meer uit van deze procedure.
2.4. Bij brief met dagtekening 1 april 2020 heeft belanghebbende aanvullende stukken ingediend, waaronder een afschrift van de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 met dagtekening 28 maart 2020 en aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.57.01. Verder is in de brief - voor zover hier van belang - het volgende vermeld: “Ik (...) maak bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2015 (...) Ik verzoek ik u hierbij om kwijtschelding (...).”
2.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 en de rechtbank geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot het jaar 2015. Hij meldt dat met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2015, 2016 en 2017 (nog) geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan. Daarnaast heeft de inspecteur een afschrift overgelegd van de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.56.01) met dagtekening 14 februari 2020, waarin het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 niet-ontvankelijk is verklaard en het verzoek tot ambtshalve vermindering is afgewezen.
2.6. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 26 januari 2021 verzocht om aan te geven of de ambtshalve beslissing van de inspecteur op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2015 ook onderdeel is van de beroepsprocedure.
2.7. Belanghebbende heeft bij brief ingekomen bij de rechtbank op 12 maart 2021 aangegeven dat zijn beroep zich ook richt tegen de ambtshalve beslissing. Daarnaast is in de brief van belanghebbende - voor zover hier van belang - het volgende vermeld: “Naar aanleiding van uw brief deel ik u mee (...) de herziene beschikking [aanslagnummer 2] NB.77weer mee zal nemen alstublieft want ik kom er niet uit. (...) ”. Belanghebbende heeft een afschrift van de herziene beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen (hierna: NiNbi-beschikking) voor het jaar 2017 met dagtekening 12 februari 2021 en beschikkingsnummer [aanslagnummer 2] NB.77 bij zijn brief bijgevoegd.
2.8. De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2015 ongegrond verklaard en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het ziet op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering, de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2017 en de NiNbi-beschikking 2017. Verder heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen om de brief van 25 februari 2020 in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2015 en tegen de navorderingsaanslag 2017. Verder heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen de brief van 1 april 2020 in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 en de brief van 12 maart 2021 in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de herziene NiNbi-beschikking 2017.
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:
- Heeft de rechtbank terecht de behandeling van verschillende belastingaanslagen IB/PVV en beschikkingen over de jaren 2015 en 2017 teruggewezen naar de inspecteur?
3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.0. Zoals volgt uit de onder 1.5 vermelde stukken is de uitnodiging op 30 april 2026 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Ten aanzien van het geschil
4.1. De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“1.14. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015. Voordat tegen een dergelijke beslissing beroep kan worden ingesteld, moet namelijk op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, eerst bezwaar worden gemaakt. De inspecteur heeft weliswaar toestemming gegeven om prorogatie toe te passen, maar de rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat zij zich met betrekking tot het jaar 2015 onvoldoende voorgelicht voelt om het beroep rechtstreeks te behandelen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling. Het beroepschrift van 25 februari 2020 moet voor zover het betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering worden doorgezonden aan de inspecteur onder gelijktijdige mededeling daarvan aan belanghebbende, zodat deze het in behandeling kan nemen als bezwaarschrift.2 Deze mededeling is hierbij gegeven. Nu de inspecteur reeds over dit beroepschrift beschikt, zal de rechtbank afzien van het opdragen van de griffier om het beroepschrift door te sturen aan de inspecteur.
1.15. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen voor zover zij zich richten tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2015 en 2017 en de NiNbi-beschikking 2017 eveneens niet-ontvankelijk. Ook hiervoor geldt dat voordat tegen dergelijke beslissingen beroep kan worden ingesteld, eerst grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar moet worden gemaakt. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2015 en 2017 en de NiNbi-beschikking 2017.
1.16. Het beroepschrift van 25 februari 2020, voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017, moet worden doorgezonden aan de inspecteur, zodat deze het in behandeling kan nemen als bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017. De brief van belanghebbende met dagtekening 1 april 2020 moet aan de inspecteur worden doorgezonden, zodat deze het in behandeling kan nemen als bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015. Tot slot, moet de brief van belanghebbende van 12 maart 2021 worden doorgezonden aan de inspecteur, zodat deze het in behandeling kan nemen als bezwaarschrift tegen de NiNbi-beschikking 2017. Ter zitting is met de gemachtigde besproken dat voornoemde stukken aan de inspecteur worden doorgezonden om in behandeling te worden genomen als bezwaren tegen de betreffende besluiten. De inspecteur zal dan ook uitspraken moeten doen op deze bezwaren van belanghebbende. Nu de inspecteur reeds over voornoemde stukken beschikt, zal de rechtbank afzien van het opdragen van de griffier om de betreffende stukken door te sturen aan de inspecteur.
1.17. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om kwijtschelding van de openstaande belastingschulden en wenst - naar de rechtbank begrijpt - ook een oordeel over de rechtmatigheid van een beslaglegging (waaronder het betekenen van een dwangbevel).
1.18. De rechtbank overweegt als volgt. De invordering van belastingen wordt uitgevoerd met toepassing van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger van de Belastingdienst. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990. Voor bepaalde besluiten wordt een uitzondering gemaakt. In die gevallen is de belastingrechter wel bevoegd. De beslissing van de invorderingsambtenaar over een kwijtscheldingsverzoek valt niet onder een van de uitzonderingen. Ook de beslissing van de ontvanger van de Belastingdienst tot betekening van beslag en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is niet als zodanig aangemerkt. Tegen de afwijzende beschikking van de invorderingsambtenaar op een verzoek om kwijtschelding staat op grond van artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zogenoemd administratief beroep open bij de directeur. Indien belanghebbende vervolgens tegen de beslissing op administratief beroep door de directeur wenst op te komen, staat eveneens geen beroep open bij de (fiscale) bestuursrechter. In dit geval kan uitsluitend een vordering bij de civiele rechter worden ingesteld. Een geschil met de ontvanger van de Belastingdienst over de rechtmatigheid van een door de ontvanger gelegd beslag kan belanghebbende eveneens voorleggen aan de civiele rechter.3 Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de invorderingskwesties. Voetnoten: 2 Artikel 6:15 van de Awb. 3 Artikel 17 van de Invorderingswet 1990.”
4.2. Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven. Het hof maakt deze oordelen tot de zijne. In hoger beroep voert belanghebbende aan dat hij ziek is en dat hij het niet eens is met de terugwijzing naar de inspecteur omdat hij wil dat de rechter een oordeel geeft over zijn klachten en dat hij een oplossing wil voor zijn geschil met de Belastingdienst. Ter zitting heeft de inspecteur laten weten dat de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2015, 2016 en 2017 inmiddels zijn behandeld en dat hij uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Belanghebbende heeft, volgens de inspecteur, daartegen geen beroep ingesteld. Als belanghebbende een oordeel van de rechter over zijn klachten had willen hebben dan hij beroep kunnen instellen tegen de uitspraken op bezwaar. Dat heeft belanghebbende kennelijk niet gedaan. Het hof komt onder deze omstandigheden niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de jaren 2015 en 2017 en zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
Tussenconclusie
4.3. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, B.J. Rubbens en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier,De voorzitter,
M.M. Stassen-KantersJ.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.