ECLI:NL:GHSHE:2026:2078 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 25/641, 25/642 en 25/643
Samenvatting
Belanghebbende, woonachtig in België, is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V., eigenaar van een gemeubileerde woning aan de [adres] te [plaats] (gemeente Middelburg). De heffingsambtenaar legde forensenbelastingaanslagen op voor de kalenderjaren 2021 (€ 1.562,78), 2022 (€ 2.727,08) en 2023 (€ 3.120,22). Belanghebbende maakte bezwaar, verloor bij de rechtbank en voerde hoger beroep bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch. Hij betaalde bij het hoger beroep € 579 griffierecht.
Geschilpunt De kernvraag was of de aanslagen terecht aan belanghebbende als natuurlijke persoon zijn opgelegd: de Verordening van Middelburg heft forensenbelasting bij natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen per kalenderjaar een gemeubileerde woning voor zich of hun gezin beschikbaar houden. Vaststaat dat belanghebbende buiten Middelburg hoofdverblijf heeft, dat de woning in 2021–2023 gemeubileerd was en over sanitair en aansluitingen beschikte, en dat de woning in die jaren niet aan derden is verhuurd.
Stellingen van partijen Belanghebbende stelde dat hij niet belastingplichtig is omdat de vennootschap eigenaar is en de woning slechts bestemd was voor verhuur, maar door corona (2021), bouwwerkzaamheden in de omgeving (2021), herhaaldelijke verzakkingen aan waterkant/bestrating/tuin en omdat de beoogde verhuurorganisatie niet wilde verhuren, daadwerkelijk niet verhuurd kon worden. Hij verklaarde slechts incidenteel gebruik te hebben gemaakt (kortdurende verblijven in juli/augustus 2021–2022). De verzakkingen werden deels met fotomateriaal onderbouwd.
De heffingsambtenaar stelde dat belanghebbende als directeur en enig aandeelhouder feitelijk de volledige beschikkingsmacht had en de woning, nu niet verhuurd, voor zichzelf ter beschikking hield. Beperkt gebruik belette niet dat de woning beschikbaar was; hij wees ook op energieverbruik als aanwijzing van gebruik.
Rechtsvinding hof Het hof hanteerde de toets of de woning uit enige oorzaak meer dan voorbijgaand en in zekere mate duurzaam ter beschikking stond. Omdat belanghebbende als natuurlijk persoon de aanslagen ontving en niet de vennootschap, en hij als directeur/enige aandeelhouder aannemelijk indirect volledige feitelijke beschikkingsmacht over de woning had, stond de woning gedurende 2021–2023 ter beschikking van belanghebbende. De door hem aangevoerde belemmeringen (coronamaatregelen, bouwwerkzaamheden, verzakkingen, weigering verhuurorganisatie) konden niet aannemelijk maken dat de woning onbereikbaar was of redelijkerwijs niet door hem of zijn gezin gebruikt kon worden. Voor de toepassing van de forensenbelasting is bovendien niet relevant of of in hoeverre van de woning daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt. Voorts waren geen verhuur(bemiddelings)overeenkomsten die het gebruik door belanghebbende beperkten. Daarom is voldaan aan het criterium van “voor zich of zijn gezin beschikbaar houden” op meer dan 90 dagen per jaar.
Beslissing en nevenpunten Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de rechtbankuitspraak; de aanslagen voor 2021–2023 zijn terecht opgelegd. Ten aanzien van het griffierecht oordeelde het hof dat belanghebbende bij het instellen van het hoger beroep als natuurlijke persoon is opgetreden; daarmee had het griffierecht € 143 moeten bedragen. Omdat hij € 579 betaalde, gelast het hof de griffier hem € 436 terug te betalen. Het hof zag geen aanleiding om griffierecht te vergoeden of de wederpartij in proceskosten te veroordelen. De uitspraak is gedaan door het hof (voormelde raadsheren) en op 29 juli 2026 openbaar uitgesproken; partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Forensenbelasting. Belanghebbende houdt de gemeubileerde en niet-verhuurde recreatiewoning voor zich en zijn gezin beschikbaar. Niet aannemelijk gemaakt dat de woning onbereikbaar was of redelijkerwijs niet gebruikt kon worden. Of en in hoeverre van een gemeubileerde woning daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt is voor de forensenbelasting niet van belang.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 25/641, 25/642 en 25/643
Uitspraak op het hoger beroep van
wonend in [woonplaats] , België hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 februari 2025, nummers BRE 23/11850, 23/11851 en 23/11852, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft aanslagen forensenbelasting voor de kalenderjaren 2021, 2022 en 2023 opgelegd (hierna: de aanslagen).
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
2.1. [bedrijf] B.V. (de vennootschap) is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (de woning). [plaats] maakt deel uit van de gemeente Middelburg. De woning is vóór 2021 gemeubileerd opgeleverd.
2.2. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap.
2.3. Belanghebbende had zijn hoofdverblijf in de jaren 2021 tot en met 2023 in België.
2.4. De woning is in de jaren 2021 tot en met 2023 niet verhuurd aan derden.
2.5. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening van 30 april 2023 de aanslagen 2021 en 2022 en met dagtekening 30 juni 2023 de aanslag 2023 opgelegd. De forensenbelasting verschuldigd volgens deze aanslagen bedraagt € 1.562,78 (2021), € 2.727,08 (2022) en € 3.120,22 (2023).
2.6. Voor het instellen van het hoger beroep heeft belanghebbende € 579 griffierecht betaald.
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Als de aanslagen terecht zijn opgelegd zijn de verschuldigde bedragen (zie 2.5) niet in geschil.
3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.1. De griffier heeft aan belanghebbende voor het instellen van het hoger beroep een bedrag van € 579 griffierecht in rekening gebracht. Belanghebbende heeft dit bedrag betaald. Hoewel belanghebbende het hoger beroep op briefpapier van de vennootschap heeft ingediend en namens de vennootschap heeft ondertekend is naar het oordeel van het hof buiten twijfel dat hij dit rechtsmiddel niet namens de vennootschap maar voor zichzelf heeft ingesteld. De aanslagen zijn immers aan hem als natuurlijke persoon opgelegd en ook de uitspraak van de rechtbank waartegen hoger beroep is ingesteld noemt belanghebbende en niet de vennootschap als procespartij. Aan belanghebbende had dan ook griffierecht van € 143 in rekening gebracht moeten worden.
Ten aanzien van het geschil
4.2. Belanghebbende stelt dat de aanslagen ten onrechte aan hem zijn opgelegd. Volgens belanghebbende is hij niet belastingplichtig voor de forensenbelasting omdat niet hij maar de vennootschap eigenaar is van de woning. Verder voert belanghebbende aan dat de woning ten behoeve van de verhuur is gekocht, maar dat verhuur in deze jaren niet mogelijk was (i) door coronamaatregelen (in 2021), (ii) doordat de omgeving van de woning nog een grote bouwwerf was (in 2021), (iii) doordat er meermaals verzakkingen zijn ontstaan aan de waterkant, in de bestrating en de tuin rond de woning bij de overgang van het terras
4.3. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende als directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap de volledige feitelijke beschikkingsmacht over de woning heeft. Aangezien de woning niet verhuurd was, heeft belanghebbende de woning voor zich ter beschikking gehouden. Dat de woning/tuin in de jaren 2021 tot en met 2023 volgens belanghebbende niet voldeed aan bepaalde ‘eisen’ en dat dat de woning niet kon worden verhuurd, doet daar volgens de heffingsambtenaar niet aan af. De heffingsambtenaar betwist dat belanghebbende zo goed als geen gebruik gemaakt heeft van de woning. Hij wijst daarbij op het energieverbruik in de woning.
4.4. De gemeente Middelburg heft in de jaren 2021, 2022 en 2023 bij wege van aanslag een forensenbelasting van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
4.5. Vaststaat dat belanghebbende een natuurlijke persoon is die hoofdverblijf heeft buiten de gemeente Middelburg. Ook is niet in geschil dat de woning gedurende de gehele kalenderjaren 2021, 2022 en 2023 gemeubileerd is geweest en beschikte over toilet, was- en kookgelegenheid en aansluitingen op het water-, gas- en elektriciteitsnet. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of belanghebbende de woning voor zich of zijn gezin beschikbaar heeft gehouden op meer dan 90 dagen van elk van de genoemde belastingjaren.
4.6. Het beschikbaar houden van een gemeubileerde woning voor zich of voor zijn gezin doet zich voor indien die woning uit enige oorzaak meer dan voorbijgaand en in zekere mate duurzaam ter beschikking staat. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap die eigenaar is van de woning en het is aannemelijk dat hij in die hoedanigheid indirect de volledige feitelijke beschikkingsmacht over de woning heeft. De woning heeft belanghebbende dan ook in 2021, 2022 en 2023 gedurende het hele jaar ter beschikking gestaan. De omstandigheid dat in delen van het jaar 2021 het gebruik van de woning of het reizen daarnaartoe vanuit het buitenland door de coronamaatregelen mogelijk beperkt was doet daar niet aan af. Ook de stellingen van belanghebbende over de gebrekkige infrastructuur rondom het huis en de verzakkingen kunnen hem niet baten omdat niet aannemelijk is geworden dat de woning hierdoor onbereikbaar was of de woning redelijkerwijs niet door hem of zijn gezin gebruikt kon worden. Of en in hoeverre van een gemeubileerde woning daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt is voor de forensenbelasting niet van belang. Ten slotte is niet in geschil dat er in de jaren 2021 tot en met 2023 geen verhuur(bemiddelings)overeenkomsten zijn geweest die het gebruik van de woning door belanghebbende hebben beperkt. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende belastingplichtig is voor de forensenbelasting in 2021, 2022 en 2023 en dat de aanslagen terecht zijn opgelegd.
Tussenconclusie
4.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- gelast de griffier aan belanghebbende het te veel betaalde griffierecht terug te betalen tot een bedrag van € 436.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, J.M. van der Vegt en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier,De voorzitter,
M.M. Stassen-KantersB.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.