ECLI:NL:GHSHE:2026:2076 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 24/1309
Samenvatting
Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (Team belastingrecht, Enkelvoudige Belastingkamer), zaaknummer 24/1309, heeft het hoger beroep van [belanghebbende] (woonplaats: [woonplaats]) tegen de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West‑Brabant ongegrond verklaard. Zaakverloop en partijen: de invorderingsambtenaar trad bij de zitting op door [invorderingsambtenaar 1], [invorderingsambtenaar 2] en [invorderingsambtenaar 3]. Belanghebbende was zonder bericht niet verschenen op de zitting van het hof van 9 juli 2026; de griffier had hem aangetekend uitgenodigd (brief aangetekend verzonden en volgens PostNL op 5 mei 2026 bezorgd).
Feiten en eerdere beslissingen: de aanslag gemeentelijke en/of waterschapsbelastingen voor 2021 is opgelegd op 26 februari 2021. Op 25 juni 2021 is een aanmaning gestuurd en op 24 september 2021 een dwangbevel betekend; belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten (€17) en dwangbevelkosten (€152). Op 22 oktober 2021 verklaarde de invorderingsambtenaar het bezwaar tegen de aanmaningskosten ongegrond, maar gaf hij het bezwaar tegen de dwangbevelkosten deels gelijk: die kosten werden niet verder ingevorderd mits belanghebbende binnen 14 dagen €1.280,71 (inclusief aanmaningskosten) zou betalen. De rechtbank verklaarde belanghebbendes beroep op 27 oktober 2022 grotendeels ongegrond; het hof had een eerdere hogere beroepsuitspraak over gerelateerde kwesties op 6 november 2024 gewezen.
Controverse in deze procedure: op 9 juni 2023 heeft de deurwaarder aan belanghebbende een exploot betekend met een hernieuwd bevel tot betaling binnen twee dagen, en daarbij explootkosten van €18 in rekening gebracht. Belanghebbende maakte bezwaar tegen die explootkosten; de invorderingsambtenaar verklaarde dat bezwaar ongegrond. Na een ongegrondverklaring door de rechtbank stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.
Rechtsvragen door het hof beantwoord:
-
Was belanghebbende correct voor de zitting van het hof uitgenodigd? Het hof oordeelt dat de aangetekende uitnodiging op het door belanghebbende opgegeven adres terecht is afgeleverd (bewijs: verzendbewijzen en statusinformatie PostNL). De stelling van belanghebbende dat hij geen uitnodiging had ontvangen is onvoldoende onderbouwd en staat bovendien op gespannen voet met zijn eerdere proceshandelingen. Daarom is uitnodiging naar oordeel van het hof juist verricht.
-
Waren de explootkosten van €18 terecht in rekening gebracht? Het hof legt aan zijn oordeel de relevante wettelijke regels ten grondslag: gemeentelijke heffing en invordering volgen (onder meer) de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen; een aanslag is invorderbaar zes weken na dagtekening en het indienen van bezwaar/beroep schort de betalingsverplichting niet op (IW). Bij niet tijdige betaling kan de ontvanger aanmanen en een dwangbevel uitvaardigen; de tenuitvoerlegging van een dwangbevel volgt na betekening van een hernieuwd bevel bij exploot. De Kostenwet kent aan het exploot een kostentarief van €18 toe.
Belanghebbende voerde meerdere stellingen aan: geen ontvangst van de aanmaning; onduidelijkheid over het aanslagbedrag; verwijzing naar een mededeling over de WOZ‑waarde voor 2024 en eerdere toezeggingen van de invorderingsambtenaar niet te zullen invorderen zolang procedures lopen; en dat invorderingszaken niet mogen worden toegevoegd aan WOZ‑procedures. Het hof verwerpt deze stellingen omdat:
- De enkele bewering geen aanmaning te hebben ontvangen overtuigt niet; degene die kosten wil betwisten moet aannemelijk maken dat ontvangst redelijkerwijs betwijfeld moet worden (Kostenwet-art. 7 lid 2). Belanghebbende heeft dit niet gedaan en voerde immers eerder procedure tegen diezelfde aanmaningskosten, wat niet past bij de stelling van niet‑ontvangst.
- Het enkele betwisten van de duidelijkheid van het aanslagbedrag en verwijzingen naar andere correspondentie (WOZ‑mededeling 2024) zijn niet zodanig onderbouwd dat zij de toerekening van explootkosten kunnen verhinderen.
- Het indienen van bezwaar en beroep schort de betalingsverplichting niet op; de invorderingsambtenaar kon daarom terecht tot verdere invorderingsmaatregelen (betekening exploot) overgaan nu het openstaande bedrag (voor meerdere aanslagen over 2019–2025) niet was voldaan.
- Eerder gemaakte uitspraken van het hof (6 november 2024) behandelen vergelijkbare argumenten over WOZ en procedurele samenvoeging en leidden niet tot een ander oordeel.
Conclusie en beslissing: het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof ziet geen grond voor vergoeding van griffierecht of proceskosten op grond van artikel 8:75 Awb. Uitspraak door raadsheer C.W.M.M. Verkoijen; griffier S.M.R. Moberts; beslissing openlijk uitgesproken op 29 juli 2026 en op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Tegen deze uitspraak staat cassatie bij de Hoge Raad open binnen zes weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de explootkosten van € 18 voor de betekening van een hernieuwd betalingsbevel van openstaande gemeentelijke en/of waterschapsbelastingen 2021. In hoger beroep stelt hij onder meer geen uitnodiging voor de rechtbankzitting en geen aanmaning te hebben ontvangen en betwist dat invordering mag plaatsvinden zolang WOZ-zaken lopen. Het hof heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de oproeping, zoals door de rechtbankgriffier is verklaard, te twijfelen. Bovendien is belanghebbende zonder kennisgeving niet verschenen bij de zitting van het hof en heeft hij niet toegelicht welke gevolgen een eventuele schending van het hoorrecht zou moeten hebben. Het hof oordeelt dat de invorderingsambtenaar terecht de explootkosten in rekening kon brengen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs betwijfeld moet worden; dit strookt ook niet met het feit dat hij tegen de aanmaningskosten heeft geprocedeerd. De overige stellingen zijn onvoldoende onderbouwd. Hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1309
Uitspraak op het hoger beroep van
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 augustus 2024, nummer BRE 23/3667, in het geding tussen belanghebbende en
de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de invorderingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De invorderingsambtenaar heeft met dagtekening 9 juni 2023 aan belanghebbende een exploot betekend met een hernieuwd bevel tot betaling van het totale openstaande bedrag van de aanslag gemeentelijke en/of waterschapsbelastingen voor het belastingjaar 2021 (hierna: de aanslag), inclusief aanmaningskosten binnen twee dagen na betekening. Daarbij zijn kosten voor betekening van het exploot in rekening gebracht ten bedrage van € 18 (hierna: de explootkosten).
1.2. Belanghebbende heeft tegen de explootkosten bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de invorderingsambtenaar, [invorderingsambtenaar 1] , [invorderingsambtenaar 2] en [invorderingsambtenaar 3] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het hof, niet op de zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij brief van 4 mei 2026, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 5 mei 2026 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.
1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
2.1. De invorderingsambtenaar heeft de aanslag met dagtekening 26 februari 2021 aan belanghebbende opgelegd.
2.2. Op 25 juni 2021 heeft de invorderingsambtenaar een aanmaning gestuurd en op 24 september 2021 een dwangbevel betekend. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten (€ 17) en de kosten voor betekening van het dwangbevel (€ 152).
2.3. De invorderingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraken van 22 oktober 2021 het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de dwangbevelkosten is gegrond verklaard en besloten is om deze kosten niet verder in te vorderen, mits belanghebbende het openstaande bedrag van € 1.280,71 inclusief aanmaningskosten binnen 14 dagen zou betalen. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen (onder andere) deze uitspraken op bezwaar bij uitspraak van 27 oktober 2022 ongegrond verklaard.
2.4. Omdat belanghebbende op 9 juni 2023 nog niet het volledige openstaande bedrag van de aanslag en de aanmaningskosten heeft betaald, heeft de belastingdeurwaarder met die dagtekening een exploot betekend aan het adres van belanghebbende met een hernieuwd bevel tot betaling van het totale openstaande bedrag binnen twee dagen na betekening. Daarbij zijn de explootkosten in rekening gebracht.
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is belanghebbende behoorlijk uitgenodigd voor de zitting van de rechtbank? II. Zijn de explootkosten terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht?
3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de explootkosten tot nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.1. Zoals volgt uit de onder 1.5 vermelde stukken is de uitnodiging op 5 mei 2026 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Ten aanzien van het geschil
4.5. Belanghebbende stelt dat hij niet ter zitting van de rechtbank is verschenen omdat hij geen uitnodiging voor het bijwonen van de zitting heeft ontvangen. Het hof overweegt als volgt. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet op de zitting verschenen. De griffier van de rechtbank heeft verklaard dat hij belanghebbende bij brief van 3 juni 2024 heeft uitgenodigd voor de zitting, met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1.5 geoordeeld dat de uitnodiging op de juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden, omdat op basis van informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 5 juni 2024 aan belanghebbende op genoemd adres is bezorgd. Het hof heeft geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Bovendien is belanghebbende ook niet verschenen bij de zitting van het hof (onderdeel 1.5) en heeft hij niet te kennen gegeven welke gevolgen een eventuele schending van het hoorrecht zou moeten hebben. Het hof is van oordeel dat belanghebbende op juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting van de rechtbank.
4.6. De heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen geschieden met toepassing van (onder andere) de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet).
4.7. Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog te betalen, met achtereenvolgens een aanmaning en een dwangbevel.
4.8. Belanghebbende betoogt dat de explootkosten onterecht aan hem in rekening zijn gebracht. Hij stelt dat hij geen aanmaning heeft ontvangen. Daarnaast voert hij aan dat het aanslagbedrag onduidelijk is en dat hij het oneens is met het bedrag, waardoor hij niet heeft betaald. Belanghebbende verwijst verder naar een ontvangen brief bij de aanslag gemeentelijke en/of waterschapsbelastingen voor het belastingjaar 2024, waarin staat dat deze niet betaald hoeft te worden omdat de waarde voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) nog niet is vastgesteld, en stelt dat dit ook in dit geval zou moeten gelden. Verder voert hij aan dat de invorderingsambtenaar in eerdere rechtszaken heeft medegedeeld niet te zullen invorderen zolang rechtszaken lopen. Tot slot stelt hij in algemene zin dat invorderingszaken niet mogen worden toegevoegd aan dezelfde rechtszaken over de WOZ-waarde.
4.9. De invorderingsambtenaar betwist dat belanghebbende geen aanmaning heeft ontvangen en dat de aanslag onduidelijk is. Hij wijst erop dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaning en vervolgens in (hoger) beroep is gegaan (onder 2.3). Volgens de invorderingsambtenaar is wat in het verleden is aangegeven niet relevant voor deze zaak. Omdat belanghebbende een openstaand bedrag heeft voor acht aanslagen en bijbehorende invorderingskosten over de periode 2019 tot en met 2025, beschouwt hij belanghebbende als wanbetaler en is hij overgegaan tot invorderingsmaatregelen. Belanghebbende weigert te betalen, terwijl hij herhaaldelijk erop is gewezen dat het indienen van bezwaar en beroep de betalingsverplichting niet opschort. Wat betreft de brief over het belastingjaar 2024 vindt de invorderingsambtenaar dit niet relevant voor deze zaak.
4.10. Het hof overweegt als volgt. Het beroepschrift kan niet worden gegrond op de stelling dat de aanmaning niet is ontvangen, tenzij degene van wie de kosten worden gevorderd aannemelijk maakt dat ontvangst redelijkerwijs betwijfeld moet worden.
“6. Vaststaat dat belanghebbende de aanslag, ook na toezending van een aanmaning en dwangbevel, niet heeft betaald. Niet is gebleken dat belanghebbende om uitstel van betaling heeft verzocht en/of dat de invorderingsambtenaar uitstel van betaling heeft verleend aan belanghebbende. Dit brengt mee dat de invorderingsambtenaar in beginsel terecht tot (verdere) invordering kon overgaan en de daarmee gepaard gaande explootkosten van € 18 in rekening kon brengen.”
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juist oordeel heeft gegeven en maakt dat oordeel tot de zijne. Belanghebbende voert in hoger beroep niets aan dat dit oordeel anders maakt. De overige stellingen van belanghebbende zijn eveneens blote stellingen, die niet met bewijsmiddelen zijn onderbouwd. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd om de in rekening gebrachte explootkosten te betwisten. Wat betreft zijn stellingen over de onduidelijkheid van het aanslagbedrag en het toevoegen van invorderingszaken aan dezelfde rechtszaken over de WOZ-waarde, heeft het hof overigens in zijn uitspraak van 6 november 2024 in rechtsoverwegingen 4.14 en 4.15 respectievelijk 4.1 tot en met 4.3 reeds geoordeeld. Het hof ziet geen aanleiding in deze zaak tot een ander oordeel te komen.
Tussenconclusie
4.11. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier,De raadsheer,
S.M.R. MobertsC.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.