ECLI:NL:GHSHE:2026:2062 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-07-2026 / 24/1106
Samenvatting
Partijen en verloop De heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen‑Duiveland (appelant) is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant waarin [belanghebbende] (eigenaresse van de onroerende zaak) gedeeltelijk in het ongelijk was gesteld. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) is als procespartij opgenomen ten aanzien van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend; het hof hield geen zitting.
Feiten en lagere uitspraak Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning (bouwjaar 1975) met woonoppervlakte 138 m² (excl. bijgebouwen) op een perceel van 1.685 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ‑waarde per peildatum 1 januari 2021 vast op € 522.000 en handhaafde dat bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank verlaagde de waarde tot € 502.000 en verminderde de aanslag evenredig. Omdat het beroep gegrond werd verklaard kende de rechtbank aan belanghebbende proceskosten en bezwaarkosten toe in totaal € 2.588,75 plus terugbetaling griffierecht € 50. In die proceskosten was een afzonderlijk punt van € 218,75 opgenomen voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade (1 punt met waarde € 875 en wegingsfactor 0,25). Voor overschrijding van de redelijke termijn werd voorts een vergoeding van in totaal € 50 toegekend, waarvan € 37,50 voor rekening van de minister en € 12,50 voor rekening van de heffingsambtenaar.
Geschil in hoger beroep Het geschil in hoger beroep betrof voornamelijk of de rechtbank terecht een afzonderlijke proceskostenvergoeding van € 218,75 heeft toegekend voor het verzoek om immateriële schade, naast de proceskosten die al voor het (succesvolle) beroepschrift zijn toegekend. De heffingsambtenaar vorderde vermindering van de proceskosten met dat bedrag.
Rechtsvinding en motivering van het hof Het hof overwoog dat rechtspraak van de Hoge Raad (arrest 10 november 2023) en daaropvolgende hofuitspraken (onder meer Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch 10 juli 2024) moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de concrete casuïstiek: het door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunt — dat een verzoek om vergoeding van immateriële schade een afzonderlijke proceshandeling is die één punt oplevert met wegingsfactor 0,25 — ziet volgens het arrest en latere toelichting primair op situaties waarin het tegenwoordige beroep/gevolg van het geschil ongegrond wordt verklaard maar toch recht bestaat op immateriële schade (bijvoorbeeld in cassatieprocedures). Wanneer het beroepschrift echter inhoudelijk gegrond wordt verklaard en daardoor proceskosten worden toegekend, “slaat” het verzoek om immateriële schade volgens vaste jurisprudentie op in de algemene proceshandeling (het beroep/verweerschrift) en verdient dat verzoek geen afzonderlijke procespuntvergoeding.
Toegepast op deze zaak leidde die uitleg tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte een apart procespunt van € 218,75 heeft toegekend voor het immateriéleschadeverzoek nu het beroep om inhoudelijke gronden werd toegewezen. Het hof verwijst tevens naar bevestiging van die lijn in een latere uitspraak van de Hoge Raad (23 januari 2026).
Beslissing van het hof
- Het hoger beroep is gegrond.
- De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de beslissing over de proceskostenvergoeding betreft; voor het overige blijft de uitspraak van de rechtbank in stand (waardevermindering van de onroerende zaak tot € 502.000 en daartoe evenredige vermindering van de aanslag).
- De proceskostenvergoeding wordt verminderd met € 218,75 en vastgesteld op in totaal € 2.370 (rekening houdend met reeds uitbetaalde bedragen).
- Van de heffingsambtenaar wordt geen griffierecht geheven nu de rechtbankuitslag niet in stand blijft.
- Het hof ziet geen grond voor een veroordeling in proceskosten ex art. 8:75 Awb.
Administratief De beslissing is op 29 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen de uitspraak staat cassatie bij de Hoge Raad open binnen zes weken.
Kern: het hof volgt de lijn dat een separaat procespunt voor een verzoek om immateriële schade alleen toekomt in de bijzondere situatie zoals door de Hoge Raad aangegeven (met name bij ongegrondverklaring van het beroep maar toekenning van immateriële schade), en niet wanneer het beroep inhoudelijk gegrond wordt en proceskosten reeds worden toegekend; daarom vermindert het hof de door de heffingsambtenaar te dragen proceskosten met € 218,75.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd. Daarbij kende de rechtbank aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe, inclusief een aparte vergoeding voor het verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een afzonderlijk procespunt heeft toegekend voor dit verzoek. Het hof overweegt dat het verzoek om immateriële schade bij een gegrond verklaard beroep opgaat in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’ en vermindert daarom de proceskostenvergoeding in beroep. Hoger beroep gegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1106
Uitspraak op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 juni 2024, nummer BRE 22/5283, in het geding tussen
wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4. Op 11 september 2024 heeft de rechtbank ter verbetering van haar uitspraak van 12 juni 2024 een hersteluitspraak gedaan. Daarbij is het dictum gewijzigd en is, overeenkomstig rechtsoverweging 9.3 van de oorspronkelijke uitspraak, de heffingsambtenaar vervangen door de minister als veroordeelde partij tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 37,50. Tevens is de minister als procespartij in de uitspraak opgenomen.
1.5. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
1.6. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning (bouwjaar 1975) met een oppervlakte van 138 m², exclusief de berging, garage en mantelzorgwoning (110 m²) op een perceel van 1685 m².
2.2. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 522.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
2.3. De rechtbank heeft de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 502.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.4. Omdat het beroep gegrond is, heeft de rechtbank beslist dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een vergoeding van in totaal € 2.588,75 dient te betalen voor de kosten van bezwaar en de proceskosten, alsmede een vergoeding van het betaalde griffierecht van € 50. In de vergoeding van € 2.588,75 is begrepen een bedrag van € 218,75, dat bestaat uit één punt voor het verzoek om immateriële schade met een waarde van € 875 en een wegingsfactor van 0,25. Daarnaast heeft de rechtbank vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase met vier maanden, aan belanghebbende een vergoeding van € 50 per halfjaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden toegekend. Dit bedrag, van in totaal € 50, is voor 1/4e deel (€ 12,50) toegerekend aan de heffingsambtenaar om te betalen en voor het overige (€ 37,50) aan de minister.
2.5. In het beroepschrift bij de rechtbank is voor zover hier relevant het volgende opgenomen:
“Tevens verzoek ik uw Rechtbank te bepalen dat verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten conform artikel 8:75 Awb voor de beroepsprocedure en de bezwaarprocedure.”
2.6. In het proces-verbaal van de rechtbank is voor zover hier relevant het volgende opgenomen:
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank de vergoeding voor proceskosten te hoog heeft vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de rechtbank ten onrechte een procespunt heeft toegekend voor het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade.
3.2. De heffingsambtenaar concludeert tot vermindering van de proceskostenvergoeding met € 218,75 (= 0,25 x € 875) tot € 2.370.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1. De heffingsambtenaar betoogt, onder verwijzing naar rechtspraak, dat de rechtbank ten onrechte aan belanghebbende afzonderlijke proceskosten van € 218,75 (onder 2.3) heeft toegekend voor het indienen van het verzoek tot immateriële schadevergoeding, los van de hoofdprocedure.
4.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 november 2023
“5.1 In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
5.2. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad voortaan tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend
4.3. Het hof heeft in zijn uitspraak van 10 juli 2024
“4.2. Het hof benadrukt dat een verzoek om vergoeding van immateriële schade vormvrij is en daarmee kan worden gedaan in het beroepschrift, in een apart schriftelijk verzoek of tijdens een zitting. In het hiervoor geciteerde arrest is slechts beslist dat in het geval sprake is van een ongegrond beroep, maar recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade, dat dan recht bestaat op een vergoeding van proceskosten voor het betreffende verzoek door het toekennen van één punt met een wegingsfactor van 0,25. In andere gevallen waarin het beroep op inhoudelijke gronden gegrond wordt verklaard en in verband daarmee een proceskostenvergoeding wordt toegekend, bestaat geen recht op een afzonderlijke vergoeding voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade.”
Het hof ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen en ziet in rechtsoverweging 3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026
4.4. In deze zaak heeft de rechtbank het beroep om inhoudelijke redenen gegrond verklaard en daarbij een aparte proceskostenvergoeding toegekend voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade (onder 2.3). Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, is het hof van oordeel dat de rechtbank ten onrechte deze aparte proceskostenvergoeding heeft toegekend, omdat het verzoek om immateriële schade in een dergelijk geval opgaat in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’.
Tussenconclusie
4.5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6. Omdat de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt van de heffingsambtenaar geen griffierecht geheven.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de proceskostenvergoeding;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank van, in totaal, € 2.370, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier,De raadsheer,
S.M.R. MobertsC.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.