Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHSHE:2025:2625

ECLI:NL:GHSHE:2025:2625 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-09-2025 / 200.346.388_01
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en kind De zaak betreft het geschil tussen [de moeder] (verzoekster in principaal hoger beroep, bijgestaan door mr. S. Karami) en [de vader] (verweerder in principaal hoger beroep, bijgestaan door mr. P.P.M. Hendrikx‑Heeren) over hun minderjarige kind [minderjarige], geboren in 2014. De Raad voor de Kinderbescherming is als partij aan het geding verbonden.

Procedurele achtergrond De rechtbank Zeeland‑West‑Brabant bepaalde bij beschikking van 25 juni 2024 onder andere dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader komt te liggen en stelde een zorg‑/contactregeling vast. De moeder ging in hoger beroep en verzocht de rechtbankbeschikking te vernietigen en de hoofdverblijfplaats bij haar te herstellen en/of een andere zorgregeling vast te stellen. De vader stelde incidenteel appel in en verzocht onder meer vermindering van contact (eens per maand) en wijziging van de haal‑ en brengregeling. Mondelinge behandeling vond plaats op 26 augustus 2025; de raad, ouders en hun advocaten werden gehoord. [Minderjarige] kreeg de gelegenheid te spreken maar maakte hiervan geen gebruik.

Feiten en standpunten Partijen hadden een ouderschapsplan (2015); vader erkende het kind en beide ouders hadden gezamenlijk gezag. In 2018 en nadien (2020, 30 april 2020) zijn eerdere regelingen getroffen. [Minderjarige] woonde tot september 2023 bij de moeder; daarna bij de vader. De moeder verklaarde aanvankelijk te hebben ingestemd met de verhuizing (mede vanwege financiële voordelen van de vader en druk van het kind), maar voerde later aan dat de situatie bij de vader verslechterde en dat [minderjarige] emotionele klachten had. Kort voor de verhuizing deed zich een paniekaanval/incident voor waarbij politie werd ingeschakeld. Tijdens het geding trok de moeder haar verzoek tot herstel van hoofdverblijfplaats in omdat [minderjarige] in de zomervakantie had gezegd liever bij de vader te blijven. De moeder wilde wel behoud van regelmatige omgang en duidelijke vakantieverdeling; zij heeft geen auto en beroept zich op praktische onmogelijkheid voor vervoer. De vader vreesde dat frequent contact met de moeder [minderjarige] zou schaden, vroeg tot eenmaal per maand en dat ouders gelijkelijk vervoer dragen; hij heeft hulpverlening ingeschakeld en stelt dat contactdagen spanningen bij het kind veroorzaken.

Wettelijk kader Het hof wijst op art. 1:253a BW (geschillen omtrent gezamenlijk gezag, waaronder hoofdverblijfplaats en verdeling zorgtaken) en art. 1:377e BW in samenhang met art. 1:253a lid 4 BW (wijziging beslissing bij gewijzigde omstandigheden of onjuiste gegevens). Ook art. 1:247 lid 3 BW (verplichting ouders de banden van het kind met de andere ouder te bevorderen) werd betrokken. De moeder verwees aan artikel 12 IVRK voor een kindgesprek.

Beoordeling en motivering Het hof constateert verstoorde communicatie en een loyaliteitsconflict bij het kind. Het acht regelmatige omgang van [minderjarige] met zijn moeder en zijn halfbroer/-zusjes in zijn belang en ziet geen contra‑indicatie voor contact. Een regeling van eenmaal per maand is onvoldoende en zou het kind tekortdoen. De moeder heeft tijdens zitting haar eis tot herstel hoofdverblijfplaats ingetrokken, daarom is zij hierin niet‑ontvankelijk.

Het vervoer is een blijvend twistpunt. De moeder is niet in staat [minderjarige] met openbaar vervoer verantwoord te brengen; dit is niet onwil maar onmacht. Gelet op de verplichting van ouders de banden te bevorderen en het belang van het kind, legt het hof (uitdrukkelijk in het belang van het kind) de haal‑ en brengplicht primair bij de vader. Het motiverende bezwaar dat dit een kostenpost zou zijn, weegt niet op tegen het belang van het kind; de zittingen zien het halen/brengen door de vader tevens als waardevolle contactmomenten.

Het hof geeft ook het belang aan van verbetering van oudercommunicatie; partijen hebben toegezegd deel te nemen aan een door instanties aanbevolen traject (o.a. [instantie 4]).

Beslissing Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de verdeling van zorg‑ en opvoedingstaken betreft en bepaalt nieuw – samengevat:

  • contact: één weekend per veertien dagen van vrijdag 19:00 tot zondag 19:00; de vader brengt [minderjarige] naar en haalt hem op bij de moeder;
  • vakanties/feestdagen: gelijke verdeling; feestdagen/studiedagen aansluiten aan moederweekend worden bij de moeder verlengd;
  • zomervakantie: in oneven jaren eerste drie weken bij de vader en laatste drie bij de moeder; in even jaren omgekeerd; bij vakanties brengt en haalt de vader [minderjarige] bij de moeder;
  • overige verzoeken worden afgewezen; de moeder is niet‑ontvankelijk voor haar verzoek tot herstel hoofdverblijfplaats;
  • het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseert proceskosten in hoger beroep (ieder draagt eigen kosten).

Kindgesprek Hoewel de moeder een kindgesprek vroeg, ziet het hof bij gebrek aan geschil over hoofdverblijfplaats en gezien toezeggingen van partijen ten behoeve van communicatieverbetering geen aanleiding [minderjarige] opnieuw te horen.

Slotopmerking Het oordeel is primair gemotiveerd door het belang van het kind: behoud van regelmatig contact met beide ouders en praktische maatregelen (vervoer door vader) om onnodige spanningen en contactverlies te voorkomen.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2025:2797
Civiel recht > Personen- en familierecht
09-10-2025 91% soortgelijk
Partijen en procedure De zaak betreft het hoger beroep van [de moeder] (verzoekster), bijgestaan door mr. B.E.S. Chin-A-Fat, tegen [de vader] (verweerder), bijgestaan door mr. L.E. van Hevele, over hun gezamenlijk gezag...
ECLI:NL:GHARL:2026:3929
Civiel recht > Personen- en familierecht
16-06-2026 90% soortgelijk
Partijen en procedure De zaak betreft de ouders van [de minderjarige] (geboren 2022). Verzoekster in hoger beroep is de moeder ([woonplaats1], advocaat mr. T.C. Cooman). Verweerder in hoger beroep is de vader...
ECLI:NL:GHARL:2026:1513
Civiel recht > Personen- en familierecht
12-03-2026 90% soortgelijk
Partijen en procedure De zaak betreft een geschil tussen [verzoekster] (de moeder, woonachtig in [woonplaats1], bijgestaan door mr. M.S. Clarenbleek) en [verweerder] (de vader, woonachtig in [woonplaats2], bijgestaan door mr. J. van...
ECLI:NL:GHARL:2025:7923
Civiel recht > Personen- en familierecht
11-12-2025 90% soortgelijk
Partijen en procesverloop De zaak betreft een geschil tussen [verzoeker] (de vader, wonende te [woonplaats1], advocaat mr. C.A. Spekschoor) en [verweerster] (de moeder, wonende te [woonplaats2], advocaat mr. R.P. Adema) over de...
ECLI:NL:GHSHE:2025:2205
Civiel recht > Personen- en familierecht
07-08-2025 90% soortgelijk
Partijen en procedure De zaak betreft het hoger beroep van [de vader] tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland‑West‑Brabant d.d. 10 oktober 2024 in een lopende familiekwestie over hun kind [minderjarige] (geb....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats; ingetrokken ter zitting; contactregeling; de vader moet halen en brengen, gelet op art.1:247 lid 3 BW en het feit dat er geen sprake is van onwil bij de moeder maar onmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 september 2025 Zaaknummer: 200.346.388/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/418475 / FA RK 24-392

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. Karami,

tegen

[de vader] , wonende op een bij het hof bekend adres, verweerder in principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging: [vestiging] , hierna te noemen: de raad.

In het kort:

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 25 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 september 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat: I. het verzoek van de man aangaande de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] alsnog af te wijzen en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal worden bepaald; II. het verzoek van de vrouw aangaande de zorgregeling toe te wijzen en een zorgregeling te bepalen, inhoudende dat de man omgang heeft met [minderjarige] :

  • één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur,

  • waarbij de man [minderjarige] ophaalt en brengt naar de vrouw;

  • de gebruikelijke schoolvakanties, de Kerstdagen, oudejaarsavond en nieuwjaarsdag in onderling overleg bij gelijke helften worden verdeeld;

  • in het geval feestdagen en studiedagen van de school van [minderjarige] aansluiten aan het weekend dat [minderjarige] bij de man verblijft, het weekend van [minderjarige] bij de man met die dag(en) wordt verlengd;

  • de verjaardag van [minderjarige] wordt gevierd bij de ouder waar hij op dat moment verblijft en de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige] te feliciteren;

  • [minderjarige] in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken verblijft bij de vrouw, en de laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren andersom.

III. althans een zodanige beslissing die het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 28 november 2024, heeft de vader verzocht de verzoeken van de vrouw in dit hoger beroep af te wijzen en bij wege van incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen op het punt van de vastgestelde zorg- en contactregeling in dier voege dat [minderjarige] voortaan een keer per maand van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de vrouw zal verblijven en dat hij in de zomervakantie maximaal één week bij de vrouw zal doorbrengen, alsmede de bestreden beschikking te vernietigen op het punt van het halen en brengen in dier voege dat voortaan de man iedere keer bij aanvang van de zorg- en contactregeling [minderjarige] op vrijdagavond naar de vrouw zal brengen en dat voortaan de vrouw iedere keer bij het einde van de zorg- en contactregeling [minderjarige] op zondagavond terug naar de man zal brengen. Kosten rechtens.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 13 januari 2025, heeft de moeder verzocht de incidentele verzoeken van de man aangaande de zorgregeling en de zomervakantie af te wijzen, het incidentele verzoek van de man aangaande de haal- en brengregeling af te wijzen en een haal- en brengregeling te bepalen, inhoudende dat de man [minderjarige] brengt naar en ophaalt bij de vrouw.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de moeder, bijgestaan door mr. A. Azauiyat, als waarnemer van mr. Karami;
  • de vader, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad.

2.4.1. Aan de student stagiaire [student stagiaire] is bijzondere toegang verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.

2.4.2. Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 juni 2024;
  • het procesdossier eerste aanleg.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1. De vader en de moeder hebben tot 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens hun relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

3.2. Bij beschikking van 3 december 2018 is, onder wijziging van het tussen partijen opgemaakte ouderschapsplan van 17 december 2015, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder. Tevens is een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld.

Deze zorgregeling is nadien tweemaal gewijzigd, namelijk bij beschikking van 27 januari 2020 en bij beschikking 30 april 2020.

[minderjarige] verbleef tot september 2023 bij de moeder waarbij uitvoering werd gegeven aan de zorgregeling.

In september 2023 is [minderjarige] bij de vader gaan wonen.

3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, onder wijziging van de beschikking van 3 december 2018, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald en, onder wijziging van de beschikking van 30 april 2020, een zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, welke regeling is gestart met ingang van het weekend van 14 juni tot en met 16 juni 2024, waarbij;
  • de vader [minderjarige] in beginsel brengt naar en ophaalt bij de moeder, met uitzondering van het eerste weekend in de maand waarop [minderjarige] bij de moeder verblijft en daarna elk tweede weekend dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. De moeder zorgt in dat weekend op zondagavond voor vervoer van [minderjarige] naar de vader;
  • de gebruikelijke schoolvakanties, de kerstdagen, oudejaarsavond en nieuwjaarsdag in onderleg overleg bij gelijke helften worden verdeeld;
  • in het geval feestdagen en studiedagen van de school van [minderjarige] aansluiten aan het weekend dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, het weekend van [minderjarige] bij de moeder met die dag(en) wordt verlengd;
  • de verjaardag van [minderjarige] wordt gevierd bij de ouder waar hij op dat moment verblijft en de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige] te feliciteren;
  • [minderjarige] in de zomervakantie van 2024 de eerste drie weken verblijft bij de moeder, en de laatste drie weken bij de vader; en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader heeft incidenteel hoger beroep ingediend.

De standpunten

3.5. De moeder voert in het beroepschrift (en verweerschrift in incidenteel hoger beroep), zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan. Partijen hebben inderdaad met elkaar afgesproken dat [minderjarige] vanaf september 2023 bij de vader zou gaan wonen. De vader heeft [minderjarige] financieel veel meer te bieden. De moeder wilde [minderjarige] niet tekort doen en zij voelde zich onder druk gezet omdat [minderjarige] niet tevreden was bij de moeder en bij de vader wel. Ondanks dat de moeder heeft meegewerkt aan de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , heeft de moeder nooit volledig achter haar akkoord gestaan. Sindsdien is de situatie met [minderjarige] echter verslechterd. [minderjarige] heeft meermaals aan de moeder te kennen gegeven dat hij niet op zijn plek zit bij de vader en dat de vader met regelmaat boos op hem wordt waarbij er wordt geschreeuwd. In september vorig jaar heeft de vader contact gezocht met de moeder en aangegeven dat [minderjarige] regelmatig last heeft van bepaalde spanningen. Bij de moeder thuis zit [minderjarige] juist goed in zijn vel en heeft hij een enorme vooruitgang geboekt. Hij vindt er rust en stabiliteit. Vorig jaar september heeft er een incident plaatsgevonden wat ertoe heeft geleid dat de moeder in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking. Kort voordat [minderjarige] naar de vader zou gaan, kreeg hij een paniekaanval en wilde hij niet terug naar de vader. De moeder heeft contact opgenomen met de vader en wilde [minderjarige] niet in die staat naar de vader brengen. De vader hield voet bij stuk en heeft zelfs de politie ingeschakeld. Gelet op deze omstandigheden acht de moeder het in het belang van [minderjarige] dat hij weer zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder krijgt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar standpunt betreffende de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd. Zij heeft in de zomervakantie een goed gesprek met [minderjarige] gehad waarbij [minderjarige] eerlijk heeft aangegeven dat hij liever bij de vader wilde blijven wonen. [minderjarige] heeft dit eerder niet durven zeggen omdat hij de moeder geen pijn wilde doen. De moeder heeft vervolgens tegen [minderjarige] gezegd dat hij altijd eerlijk mag zijn en dat zij trots op [minderjarige] is dat hij dit alsnog tegen de moeder heeft durven zeggen. Om die reden heeft zij ter zitting haar verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ingetrokken. De zorgregeling die de ouders in onderling overleg zijn overeengekomen, werkt goed. De moeder ziet geen aanleiding om deze te wijzigen. Een regeling van eens in de maand omgang met de moeder, zoals de vader verzoekt, is niet in het belang van [minderjarige] . Bovendien heeft [minderjarige] ook halfbroertjes en -zusjes met wie hij een goede relatie heeft. Die band moet ook behouden blijven. Voorts heeft de moeder inmiddels ingestemd met hulpverlening van [instantie 1] voor [minderjarige] . Ouders en [minderjarige] krijgen nu ondersteuning van [instantie 2] . De moeder wenst wel duidelijkheid over de verdeling van de vakanties. Voorts is het voor de moeder onmogelijk om [minderjarige] na een omgangsweekend naar de vader terug te brengen. Zij heeft geen eigen auto en is aangewezen op het openbaar vervoer. Met de auto duurt het maximaal drie kwartier terwijl ze met het openbaar vervoer een reistijd van tweeëneenhalf uur (enkele reis) heeft, daargelaten dat er op zondagavond geen dienstregeling voor openbaar vervoer naar de man beschikbaar is. Eerder kon de moeder nog de auto van haar schoonmoeder lenen, maar zij is verhuisd en er is bovendien geen contact meer met de schoonmoeder. De partner van de moeder heeft geen auto en ook geen rijbewijs. De moeder acht het van groot belang dat het hof een kindgesprek met [minderjarige] voert zodat hij zijn wensen en behoeften kenbaar kan maken. De moeder doet hierbij een uitdrukkelijk beroep op artikel 12 IVRK (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind).

3.6. De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Het baart de vader zorgen dat de moeder [minderjarige] belast met volwassenproblematiek en dat hij daardoor in een loyaliteitsconflict komt. De hervatting van het contact tussen [minderjarige] en de moeder heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] minder goed in zijn vel zit. Hij is verdrietiger, sneller boos, enorm overprikkeld en heeft minder eigenwaarde. Hij heeft diverse tics ontwikkeld. Er is sprake geweest van een incident waarbij de moeder heeft besloten [minderjarige] bij haar thuis te houden en niet naar school te laten gaan. Pas na bemoeienis van de politie en Veilig Thuis was de moeder bereid om [minderjarige] terug naar de vader te laten gaan. Dit heeft veel onrust bij [minderjarige] teweeggebracht. De vader heeft inmiddels hulp bij [instantie 3] ingeschakeld. De moeder heeft tot voor kort geweigerd haar goedkeuring te geven waardoor de hulpverlening nog niet van start is kunnen gaan. De dagen nadat [minderjarige] omgang met de moeder heeft gehad, heeft hij last van spanningen en is hij met zijn emoties in de war. De vader kan zich niet verenigen met de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling en verzoekt deze te wijzigen naar eens in de maand. Ook de regeling omtrent het halen en brengen van [minderjarige] moet worden gewijzigd. Beide ouders hebben een inspanningsverplichting en verantwoordelijkheid jegens [minderjarige] om ieder een haal- of brengmoment voor hun rekening te nemen.

[minderjarige] vindt een gesprek met de rechter veel te spannend. Hij is bang dat een van de ouders boos op hem wordt. De vader vindt het niet in het belang van [minderjarige] om hem aan een kindgesprek te laten deelnemen.

3.7. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat de meeste problemen inmiddels zijn opgelost en dat er niet veel meer voorligt aan het hof. De vader en de moeder kunnen samen nog wel stappen zetten. Een weekendregeling van één keer per maand is volgens de raad te weinig. Het uitgangspunt is dat de ouders het vervoer delen. Op die manier ziet het kind dat de taken door de ouders worden verdeeld. De raad ziet in de praktijk ook dat veel ouders het onderling oplossen, omdat ze de andere ouder het contact met het kind gunnen. Natuurlijk moet de moeder zich inspannen om het vervoer geregeld te krijgen. Het is triest dat het vervoer een probleem blijft tussen deze ouders. In dit geval en onder deze omstandigheden vraagt de raad zich af of het voor de vader écht niet mogelijk is om het vervoer voor zijn rekening te nemen. Tweeënhalf uur reizen met het openbaar vervoer is allesbehalve fijn voor [minderjarige] . De raad zou dit de vader willen meegeven zodat er op dit punt ook geen spanningen meer zijn voor [minderjarige] .

Het wettelijk kader

3.8. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a en b BW, een toedeling van de zorg- en opvoedingstaken en het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De motivering van de beslissing

3.9. Het hof overweegt het volgende.

Hoofdverblijfplaats

3.10. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal worden bepaald, ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat de moeder haar grieven dienaangaande niet meer handhaaft, zodat zij in zoverre nietontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.

Zorg- en contactregeling

3.11. Vaststaat dat de communicatie tussen de ouders verstoord is en dat zij elkaar over en weer veel verwijten maken. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict. Het hof benadrukt dat de ouders in het belang van een verdere gezonde ontwikkeling van [minderjarige] dienen te investeren in hun onderlinge verhouding en communicatie in plaats van met elkaar te blijven strijden. Het hof spreekt dan ook de wens uit dat de ouders zich hiervoor gaan inzetten. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat [instantie 1] ( [instantie 1] ) een traject bij [instantie 4] heeft aangeraden ter verbetering van hun onderlinge communicatie. Zij hebben toegezegd een dergelijk traject te gaan volgen en het hof acht dit zeer in het belang van [minderjarige] . Doordat de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven er vrede mee te hebben dat [minderjarige] bij de vader blijft wonen, komt haar verzoek om een zorgregeling voor [minderjarige] met de vader te vervallen. De moeder verzoekt in plaats daarvan de huidige regeling in stand te houden met dien verstande dat de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt. De vader verzoekt een weekendregeling voor de moeder van eens per maand waarbij het vervoer gelijkelijk verdeeld wordt.

3.12. In hetgeen de vader heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] te verminderen. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat hij regelmatig contact heeft met zijn moeder en ook met zijn halfbroertje en -zusje. Er is ook geen contra-indicatie. Een regeling van eens per maand is te weinig en daarmee zou [minderjarige] tekort gedaan worden.

3.13. Nu de haal- en brengregeling een bron van onenigheid blijft tussen de ouders, zal het hof hier wel een wijziging in aanbrengen. De moeder heeft geen vervoersmiddel en de vader is van mening dat hem dit probleem van de moeder niet in zijn schoenen geschoven mag worden. Over het algemeen geldt als uitgangspunt dat ouders ieder de helft van het vervoer van een kind in het kader van een zorgregeling voor hun rekening nemen. Het heeft daarbij de voorkeur dat de ouder waarbij een kind verblijft het kind naar de andere ouder brengt. Dat de moeder geen auto heeft, terwijl het openbaar vervoer op het traject tussen de ouders geen wenselijk alternatief is gelet op de lange reistijd en het ontbreken van een dienstregeling. maakt het in dit geval lastig om tot een evenwichtige haal- en brengregeling te komen. Op dit moment is het voor de moeder ook financieel niet mogelijk om [minderjarige] naar de vader te brengen. Dat de moeder en haar partner geen auto hebben en ook geen beroep meer kunnen doen op de schoonmoeder ziet het hof niet als onwil van de moeder. Een lange reis met het openbaar vervoer is niet in het belang van [minderjarige] . Nu er geen sprake is van onwil, maar van onmacht bij de moeder, en iedere ouder met gezag op grond van art.1:247 lid 3 BW verplicht is om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen, ligt het op dit moment – in het belang van [minderjarige] – op de weg van de vader om het vervoer van de moeder over te nemen. Dat is zijn rol als ouder want op het moment dat het vervoer van [minderjarige] niet mogelijk is, kan [minderjarige] geen onbelast contact met zijn moeder hebben. Het halen en brengen door de vader per auto kan, in plaats van louter als een probleem en kostenpost, vanuit het belang van [minderjarige] óók beschouwd worden als quality time, een waardevol moment waarin hij door de vader op vertrouwde, relaxte, veilige wijze naar de moeder kan worden gebracht of daar kan worden opgehaald. In het licht hiervan en om [minderjarige] te beschermen tegen onenigheid tussen zijn ouders hierover zal het hof een haal- en brengregeling vastleggen waarbij de vader [minderjarige] (eens per veertien dagen) op vrijdagavond om 19.00 uur naar de moeder thuis brengt en hem daar op zondagavond 19.00 uur weer ophaalt. Het hof spreekt hierbij de uitdrukkelijke verwachting uit dat de moeder zich inspant om daar waar mogelijk het vervoer van [minderjarige] voor haar rekening te nemen en dit van de vader over te nemen.

3.14. Ten aanzien van de regeling omtrent de vakanties en feestdagen oordeelt het hof dat de regeling van de rechtbank voldoende tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] , omdat de vakanties en feestdagen bij helfte zijn gedeeld. Een vermindering van de vakantieregeling tussen [minderjarige] en de moeder, zoals door de vader verzocht, acht het hof niet in het belang van [minderjarige] . Het hof zal het dit verzoek van de vader daarom afwijzen. De ouders slagen er niet in de regeling omtrent de zomervakantie in onderling overleg verder met elkaar in te vullen. Gebleken is dat [minderjarige] in de zomervakantie van 2025 de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader is verbleven, en de laatste drie weken bij de moeder. Het hof zal daarom vastleggen dat [minderjarige] in de zomervakantie van de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder. In de zomervakantie van de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. Voor de vakanties zal het hof bepalen dat de vader [minderjarige] naar de moeder zal brengen en dat hij [minderjarige] na afloop zal ophalen bij de moeder.

3.15. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bestreden beschikking - voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft – vernietigen en de algehele zorgregeling opnemen in het dictum van de onderhavige beschikking.

Kindgesprek

3.16. De moeder verzoekt het hof om [minderjarige] in de onderhavige procedure te horen. Zij stelt, kort gezegd, dat [minderjarige] graag gehoord wil worden zodat hij zijn wensen en behoeften kenbaar kan maken, maar dat de vader niet wil dat [minderjarige] door het hof wordt gehoord. De vader stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang van [minderjarige] is om aan een kindgesprek met het hof deel te nemen omdat [minderjarige] dit veel te spannend vindt en bang is dat een van de ouders boos op hem wordt. Het hof heeft [minderjarige] voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft bij monde van de vader laten weten dat hij al door de rechtbank is gehoord en niet wil komen praten met de rechter bij het hof. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de ouders desgevraagd bevestigd hun medewerking te zullen verlenen mocht het hof alsnog besluiten [minderjarige] te horen. Nu tijdens de mondelinge behandeling ook is gebleken dat er geen discussie meer is over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de ouders hebben bevestigd dat zij hun medewerking zullen verlenen aan een traject ter verbetering van hun onderlinge communicatie, ziet het hof op dit moment geen reden om [minderjarige] in de onderhavige procedure opnieuw uit te nodigen voor een kindgesprek.

Proceskosten

3.17. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en deze zaak over hun minderjarige kind gaat.

3.18. Op grond van het voorgaande beslist het hof zoals hierna onder 4. vermeld.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

verklaart de moeder nietontvankelijk in haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 juni 2024, doch uitsluitend voor zover het de beslissing betreft over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 30 april 2020, dat de vrouw en [minderjarige] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] brengt naar en ophaalt bij de moeder;
  • de gebruikelijke schoolvakanties, de kerstdagen, oudejaarsavond en nieuwjaarsdag in onderling overleg bij gelijke helften worden verdeeld;
  • in het geval feestdagen en studiedagen van de school van [minderjarige] aansluiten aan het weekend dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, het weekend van [minderjarige] bij de moeder met die dag(en) wordt verlengd;
  • de verjaardag van [minderjarige] wordt gevierd bij de ouder waar hij op dat moment verblijft en de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige] te feliciteren;
  • [minderjarige] in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder (waarbij de vader [minderjarige] brengt naar en ophaalt bij de moeder);
  • [minderjarige] in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder verblijft (waarbij de vader [minderjarige] brengt naar en ophaalt bij de moeder) en de laatste drie weken bij de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M. Jonker, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.